Rechtbank DEN HAAG Meervoudige Kamer 7x Rekestnummer: FA RK 14-1441(echtscheiding) / FA RK 14-6785 (verdeling) Zaaknummer: C/09/460986 (echtscheiding) / C/09/472564 (verdeling) Datum beschikking: 12 februari 2015 Scheiding Beschikking op het op 25 februari 2014 ingekomen verzoek van: [de vrouw], de vrouw, wonende te [woonplaats], advocaat: mr. E.H. de Milliano-Machielse te Katwijk. Als belanghebbende wordt aangemerkt: [de man], de man, wonende te [woonplaats], advocaat: mr. M.C. Reichmann te Leiden. Procedure De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: het verzoekschrift; het verweerschrift tevens verzoekschrift; - het verweer tegen het zelfstandig verzoek; - een formulier “Verdelen en verrekenen” van de zijde van de man; - een formulier “Verdelen en verrekenen” van de zijde van de vrouw; - de brief d.d. 19 december 2014, met bijlagen, van de zijde van de vrouw; - de brief d.d. 22 december 2014, met bijlagen, van de zijde van de man. Op 5 januari 2015 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld ten overstaan van mr. I.D. Bellaart. Hierbij zijn verschenen: de vrouw met haar advocaat en de man met mr. M.M. van Wijk namens zijn advocaat. Na de behandeling ter zitting is de zaak verwezen naar de meervoudige kamer. Verzoek en verweer Het verzoek strekt tot echtscheiding subsidiair scheiding van tafel en bed, met nevenvoorzieningen tot: - opneming van het ouderschapsplan in de beschikking; - vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de minderjarige kinderen van partijen bij de vrouw; - vaststelling van kinderalimentatie van € 300,00 per maand per kind, bij vooruitbetaling te voldoen; - vaststelling van door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie van € 600,00 per maand, bij vooruitbetaling te voldoen; - verdeling ten overstaan van een notaris van de huwelijksgemeenschap, met benoeming van een notaris en onzijdige personen; een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. De man voert verweer tegen de verzochte nevenvoorzieningen, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Tevens heeft de man zelfstandig verzocht om de echtscheiding uit te spreken, met een nevenvoorziening tot: - vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over de minderjarige kinderen van partijen, in die zin dat de minderjarigen een keer per twee weken van donderdag uit school tot maandagochtend naar school en een keer per twee weken van woensdag uit school tot vrijdagochtend naar school bij hem zullen zijn, alsmede gedurende de helft van de feest- en vakantiedagen; - verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap overeenkomstig zijn nader in te dienen voorstel, een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. De vrouw voert verweer tegen de verzochte zorgregeling, alsook tegen de door de man in zijn verweerschrift gedane voorstel ter zake van de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Feiten - Partijen zijn gehuwd op [datum huwelijk] te [plaats huwelijk]. - Uit dit huwelijk zijn de volgende thans nog minderjarige kinderen geboren: - [de minderjarige 1], op[geboortedatum] te [geboorteplaats] (hierna:[de minderjarige 1]), en - [de minderjarige 2], op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (hierna: [de minderjarige 2]). - De minderjarigen verblijven thans bij de vrouw. - Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over de minderjarigen uit. - Partijen zijn gehuwd in gemeenschap van goederen. - Deze rechtbank heeft op 30 januari 2014 voorlopige voorzieningen getroffen, voor zover thans van belang inhoudende dat de minderjarigen aan de vrouw zijn toevertrouwd, dat de man de minderjarigen één weekend per veertien dagen van vrijdag na school tot maandagochtend en op één donderdag per veertien dagen bij zich heeft, en dat de man een bedrag van € 300,00 per maand per kind voor de verzorging en opvoeding van de minderjarigen en een bedrag van € 600,00 tot levensonderhoud van de vrouw aan de vrouw dient te voldoen. Beoordeling Ontvankelijkheid Door de vrouw is geen ouderschapsplan overgelegd overeenkomstig artikel 815 tweede lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Nu het ouderschapsplan in de wet geformuleerd is als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding heeft de rechtbank de bevoegdheid het verzoek niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815, zesde lid, Rv). De vrouw heeft gesteld dat partijen geen overeenstemming kunnen bereiken over de zorgregeling. Uit de inhoud van het dossier is de rechtbank voldoende gebleken dat het voor de vrouw op dit moment redelijkerwijs niet mogelijk is een door beide partijen akkoord bevonden ouderschapsplan over te leggen, zal de rechtbank de vrouw ontvangen in haar verzoek tot echtscheiding met nevenvoorzieningen. Aan de wettelijke formaliteiten is voldaan. Echtscheiding De gestelde duurzame ontwrichting van het huwelijk is niet bestreden en staat dus in rechte vast, zodat het daarop steunende niet weersproken verzoek tot echtscheiding als op de wet gegrond voor toewijzing vatbaar is. Hoofdverblijfplaats minderjarigen In verband met gelijkwaardig ouderschap wenst de man dat het hoofdverblijf van [de minderjarige 2] bij hem wordt bepaald. De man heeft voorts gesteld dat het fiscaal gezien het meest gunstig is wanneer er een kind bij hem is ingeschreven terwijl het andere kind bij de vrouw is ingeschreven. De vrouw kan zich met het voorgaande niet verenigen. Zij stelt dat zij degene is die de minderjarigen dagelijks feitelijk verzorgt en opvoedt en dat het ongewenst is om puur fiscale redenen een dergelijke “papieren” scheiding van de minderjarigen te realiseren. Nu partijen het over een verdeling van de inschrijving van de minderjarigen over hen beiden wegens fiscaal voordeel niet met elkaar eens kunnen worden, dient de rechtbank te beslissen over het hoofdverblijf. De rechtbank acht het in het belang van de minderjarigen dat de feitelijke situatie, waarbij de beide minderjarigen bij de vrouw verblijven, geformaliseerd wordt. De rechtbank bepaalt daarom de hoofdverblijfplaats van beide minderjarigen bij de vrouw. Ouderschapsplan De rechtbank zal het verzoek van de vrouw tot opname van het ouderschapsplan in de beschikking afwijzen, nu partijen het over de inhoud daarvan niet eens zijn geworden en de wet geen basis biedt voor opname van eenzijdige voorstellen in de beschikking. De zorgregeling De man wenst, zoals de rechtbank ter zitting heeft begrepen, een regeling waarbij hij de minderjarigen bij zich heeft: de ene week van donderdag uit school tot maandagochtend naar school. de andere week van donderdag uit school tot vrijdagochtend naar school een woensdagmiddag per drie weken, gedurende de helft van de feest- en vakantiedagen. Hij stelt dat de door hem gewenste regeling in onderling overleg tussen partijen is overeengekomen en dat aan deze regeling al lang voordat op 30 januari 2014 de voorlopige voorzieningen werden vastgesteld, feitelijk uitvoering gegeven werd. De huidige regeling acht de man te beperkt, te meer daar hij tijdens de samenleving van partijen veelvuldig voor de minderjarigen heeft gezorgd. De vrouw heeft in het door haar overgelegde concept-ouderschapsplan een zorgregeling opgenomen waarbij de minderjarigen de ene week van donderdag na schooltijd tot vrijdagochtend naar school en de andere week van vrijdag na schooltijd tot maandagochtend naar school bij de man zijn. De vrouw betwist de stelling van de man ten aanzien van de verzorging van de minderjarigen. Zij stelt dat er, toen partijen nog bij elkaar woonden. sprake was van een voor de kinderen zeer onstabiele thuissituatie, waarin de kinderen getuige waren van voortdurend dreigend gedrag van de man naar de vrouw gepaard gaande met overmatig alcoholgebruik door de man. Volgens de vrouw hebben de kinderen thans een rustige en stabiele thuissituatie, waarin zij kunnen herstellen van alle gebeurtenissen in het recente verleden. Bij de zitting voorlopige voorzieningen heeft zij verklaard dat het op dat moment nog te vroeg was om de zorgregeling uit te breiden naar de door de man gewenste regeling omdat de kinderen eerst moesten wennen aan de situatie dat hun ouders uit elkaar zijn. Tussen partijen staat vast dat de huidige reling naar wens verloopt, dat het met de minderjarigen goed gaat en dat zij rust hebben. De rechtbank is daarom van oordeel dat bij de vaststelling van de zorgregeling, in verband met duidelijkheid, regelmaat en structuur, zo veel mogelijk aansloten moet worden bij de huidige situatie, aangezien de minderjarigen er blijk van geven inmiddels aan die situatie te zijn gewend en zij daarin goed gedijen. Dat betekent echter niet dat de regeling niet iets zou kunnen worden uitgebreid ten opzichte van de bij voorlopige voorzieningen vastgestelde regeling. De rechtbank acht het voorstel van de man daarin aansluiten bij de belangen van de kinderen. In zijn voorstel zijn de kinderen altijd op donderdag uit school bij de man. Dat is duidelijk voor hen en sluit ook aan bij hun belang bij een gelijkwaardige opvoeding door beide ouders. Het verzoek van de man om de minderjarigen daarnaast een woensdagmiddag per drie weken bij zich te hebben acht de rechtbank te verstorend voor de thans ontstane rust en regelmaat voor de kinderen. De rechtbank zal dus een regeling vaststelling waarbij de minderjarigen de ene week van donderdag uit school tot maandag naar school en de andere week van donderdag uit school tot vrijdag naar school, alsmede gedurende de helft van de feest- en vakantiedagen bij de man zijn. De kinderalimentatie Kinderbijslag en kindgebonden budget De man heeft ter terechtzitting toegezegd dat hij zal meewerken aan een inschrijving van de minderjarigen op het adres van de vrouw, zodat de vrouw zelf kinderbijslag en kindgebonden budget kan aanvragen. Nu de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij de vrouw wordt bepaald, gaat de rechtbank ervan uit dat dit zo zal gebeuren. Voordat de rechtbank overgaat tot vaststelling van de behoefte van de minderjarigen, de draagkracht van partijen en de verdeling van de kosten van de minderjarigen overweegt zij het volgende. Kindgebonden budget en alleenstaande-ouderkop Bij de vaststelling van kinderalimentatie volgen de gerechten in beginsel de richtlijnen die zijn opgesteld door de landelijke expertgroep alimentatienormen. Sinds 1 januari 2013 bepalen deze normen dat het kindgebonden budget dat ouders ontvangen in mindering strekt op het gevonden tabelbedrag eigen aandeel kosten van kinderen. Met de invoering van de Wet hervorming kindregelingen per 1 januari 2015 hebben alleenstaande ouders die in aanmerking komen voor een kindgebonden budget recht op een verhoging van dit kindgebonden budget met maximaal € 3.050,00 (voor 2015). Deze verhoging wordt de alleenstaande-ouderkop genoemd. De expertgroep alimentatienormen beveelt nog steeds aan om het totale kindgebonden budget (dus inclusief de alleenstaande-ouderkop) in mindering te doen strekken op het gevonden tabelbedrag eigen aandeel kosten van kinderen. Deze aanbeveling kan er in bepaalde gevallen toe leiden dat er geen behoefte meer resteert waarin de ouders moeten voorzien. In een dergelijk geval is er dus geen aanleiding voor het opleggen van een onderhoudsbijdrage ten laste van de andere niet-verzorgende ouder (vgl. Rapport alimentatienormen januari 2015, blz. 8). Eén van de doelen van de Wet hervorming kindregelingen is het tegengaan van de armoedeval voor alleenstaande ouders die vanuit de bijstand gaan werken en het aantrekkelijker maken voor alleenstaande ouders om meer te gaan werken. In de wetsgeschiedenis is ten aanzien van de voorgestelde invoering van de alleenstaande-ouderkop het volgende opgemerkt: “Werkende alleenstaande ouders hebben in de huidige (tot 1 januari 2015) situatie recht op de aanvullende alleenstaande-ouderkorting. Doordat de alleenstaande-ouderkop hoger is dan het fiscale voordeel dat zij nu genieten, gaan werkende alleenstaande ouders rond het minimum er tot circa € 2.580 per jaar op vooruit. Dit komt mede doordat zij als gevolg van deze hervorming ook de voorgestelde intensivering op de arbeidskorting kunnen verzilveren. Het aanvaarden van werk vanuit een uitkering wordt daardoor veel aantrekkelijker.” (Kamerstukken 33716, nr. 3, blz. 8). Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat het in de bedoeling van de wetgever ligt dat de alleenstaande-ouderkop ten goede komt aan de alleenstaande verzorgende ouder. De hiervoor vermelde aanbeveling van de expertgroep heeft in het onderhavige geval echter tot gevolg dat de vrouw als alimentatiegerechtigde ouder er minder dan de wetgever bedoeld heeft op vooruit gaat, omdat zij minder kinderalimentatie ontvangt. De man zou daarentegen minder hoeven te betalen, terwijl hij wel over draagkracht beschikt om meer bij te dragen aan de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen. De rechtbank zal bovenvermelde aanbeveling voor zover die ziet op de alleenstaande-ouderkop daarom niet opvolgen, en zal – anders dan de aanbeveling – bij het berekenen van de kinderalimentatie het bedrag van de alleenstaande-ouderkop buiten beschouwing laten. Uitgaande van een toetsingsinkomen van de vrouw van € 24.000 (inclusief partneralimentatie) berekent de rechtbank het kindgebonden budget waar de vrouw in 2015 aanspraak op kan maken op € 380,00 per maand, € 4.560,00 per jaar. Hiervan trekt de rechtbank de alleenstaande-ouderkop (€ 2.744,00) af, zodat een bedrag van € 1.816,00 (€ 151,33 per maand) aan kindgebonden budget resteert, waar de rechtbank rekening mee houdt bij de berekening van het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen. Behoefte Tussen partijen staat vast dat het eigen aandeel van partijen in de kosten van de minderjarigen in totaal € 1.028,00 per maand bedraagt. Na aftrek van het hiervoor berekende kindgebonden budget bedraagt het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de minderjarigen tezamen € 876,67 (afgerond € 877,00) per maand. Netto besteedbaar inkomen (NBI) en draagkracht Partijen zijn het erover eens dat het NBI van de man € 3.849,00 per maand en zijn daaraan gerelateerde draagkracht € 1.284,00 per maand bedraagt. Uit de door de vrouw overgelegde salarisspecificatie blijkt een bruto inkomen van € 1.222,44 per maand. Daarnaast heeft de vrouw onweersproken gesteld dat zij als overblijfmoeder € 33,00 per maand verdient. Voor de vrouw geldt op grond van de draagkrachttabel een minimale draagkracht van € 50,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.