Rechtbank DEN HAAG Strafrecht Meervoudige strafkamer Parketnummer: 09/842204-15 Datum uitspraak: 23 december 2015 Tegenspraak (Promisvonnis) De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte: [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1996 te [geboorteplaats] , thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting "Utrecht" te Nieuwersluis. 1Het onderzoek ter terechtzitting Het onderzoek is gehouden ten terechtzittingen van 31 juli 2015 (inhoudelijk), 28 oktober 2015 (pro forma) en 9 december 2015 (inhoudelijk). De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. F.A. Kuipers en van hetgeen door de raadsman van de verdachte mr. Y. Özdemir, advocaat te Den Haag, en door de verdachte naar voren is gebracht. 2De tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: zij op of omstreeks 17 februari 2015 te ’s-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met motorbenzine, althans met een brandbare stof ten gevolge waarvan restaurant [restaurant] en/of [restaurant] en/of het pand aan de [adres] , geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor dat restaurant en/of de inboedel van dat restaurant en/of het pand [adres] en/of bovengelegen en/of belendende panden ( [adres] en/of [huisnummer] ), in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de bewoners van die belendende panden ( [adres] en/of [huisnummer] ), te duchten was. 3Bewijsoverwegingen 3.1 Inleiding De verdachte wordt kortgezegd verweten dat zij op 17 februari 2015 te Den Haag samen met de medeverdachte [medeverdachte] brand heeft gesticht in hun restaurant, waarbij levensgevaar voor de omwonenden en gevaar voor het restaurant en de belendende panden te duchten was. De medeverdachte heeft het feit bekend. De verdachte ontkent enige betrokkenheid bij de brandstichting. 3.2 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen. 3.3 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van het tenlastegelegde feit dient te worden vrijgesproken. 3.4 De beoordeling van de tenlastelegging De brand Op 17 februari 2015, kort voor middernacht, is heeft brand gewoed in het [restaurant] / [restaurant] aan de [adres] te Den Haag. Als gevolg daarvan is de inboedel van het restaurant gedeeltelijk verbrand en is er schade ontstaan aan het pand. Uit forensisch onderzoek is gebleken dat sprake is geweest van brandstichting met gebruikmaking van motorbenzine. Op last van de brandweer hebben twee gezinnen met jonge kinderen, woonachtig in de naastgelegen panden aan de [adres] en [huisnummer] , hun woning enige tijd moeten verlaten. Als de brand niet tijdig was ontdekt en geblust, had er gemeen gevaar voor de omliggende woningen en de bewoners daarvan kunnen ontstaan, aldus de forensisch onderzoeker. De verklaring van de medeverdachte De medeverdachte [medeverdachte] (hierna ook: [medeverdachte] ) heeft bekend de brand te hebben gesticht en verklaard dat de verdachte hierbij aanwezig was. Hij heeft verklaard dat hij heeft voorgesteld brand te stichten om zo het verzekeringsgeld op te strijken. Nadat [medeverdachte] en de verdachte hier samen over hadden gesproken, heeft de verdachte uiteindelijk met dit plan ingestemd. Een andere persoon heeft motorbenzine gehaald en de verdachte en [medeverdachte] hebben in de tussentijd twee vogels weggebracht naar een kennis, te weten [betrokkene] (hierna: [betrokkene] ). Ook hebben ze nog persoonlijke eigendommen uit het restaurant gehaald. Toen ze weer terug waren bij het restaurant, heeft [medeverdachte] de benzine in het restaurant over de vloer gesprenkeld en vervolgens aangestoken. Daarna hebben de verdachte en hij gezamenlijk de achterdeur dicht gedrukt en zijn zij weggegaan. Behoudens een korte periode waarin hij, [medeverdachte] geld heeft gepind zijn hij en verdachte de gehele avond samen geweest, aldus [medeverdachte] . De verklaring van [betrokkene] heeft verklaard dat de verdachte en de medeverdachte samen naar zijn woning zijn gekomen en de vogels bij hem hebben gebracht. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaring van [betrokkene] niet gebruikt kan worden als bewijsmiddel, nu hij oud en dementerend is en pas twee maanden na de brand is gehoord. De rechtbank acht de verklaring van [betrokkene] evenwel bruikbaar nu er geen feiten en omstandigheden aannemelijk zijn geworden die aanleiding geven aan zijn verklaring te twijfelen. Telefoongegevens De woning van [betrokkene] ligt in het straalgebied van twee zendmasten die de telefoons van de verdachte en [medeverdachte] die avond hebben aangestraald tussen ongeveer 22:12 uur en 22:31 uur. De telefoon van de verdachte heeft deze masten ook al eerder die avond, om 21:13 uur aangestraald. De verklaring van de verdachte De verdachte ontkent enige betrokkenheid bij de brandstichting. Zij heeft verklaard dat zij eerder op de avond, na een ruzie met de medeverdachte, het restaurant heeft verlaten. Zij is toen naar haar moeder gegaan en is daar slechts heel kort gebleven. Volgens de verdachte heeft haar telefoon op dat moment de zendmasten in de omgeving van de woning van [betrokkene] aangestraald, nu dit op de route ligt van het restaurant naar de woning van haar moeder. Uiteindelijk is zij naar de moeder van [medeverdachte] gegaan. Over wat zij die avond tussen tien en twaalf uur heeft gedaan, heeft zij, daarnaar ter terechtzitting gevraagd, geen verklaring willen afleggen. De telefoon van de verdachte heeft diezelfde avond rond 23.30 uur een zendmast in [plaats] aangestraald. Desgevraagd heeft verdachte daarvoor geen verklaring kunnen geven. Conclusie Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van de verdachte, dat zij ten tijde van de brandstichting niet samen met [medeverdachte] was, geen geloof verdient en derhalve niet aannemelijk is geworden. Ten eerste is van belang dat de verdachte de rechtbank geen inzicht heeft gegeven in waar zij die avond dan wel is geweest tussen tien en twaalf uur, de uren direct voorafgaand aan de brandstichting. Voorts heeft zij geen verklaring gegeven voor het gegeven dat haar telefoon die avond de zendmasten in de omgeving van de woning van [betrokkene] tussen 22.12 en 22.31 uur heeft aangestraald, terwijl de telefoon van [medeverdachte] tegelijkertijd die masten aanstraalde. Dat gegeven vormt een bevestiging van de verklaring van [medeverdachte] , dat zij die avond samen naar de woning van [betrokkene] zijn gegaan om de vogels weg te brengen en daar korte tijd zijn verbleven, waarna de brand is gesticht. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding te twijfelen aan de verklaring van [medeverdachte] over de rol van verdachte bij de brandstichting. De rechtbank is van oordeel dat is komen vast te staan de verdachte zo bewust en nauw met de medeverdachte heeft samengewerkt dat zij kan worden aangemerkt als medepleger van de brandstichting in hun restaurant. Er was sprake van een gezamenlijk vooropgezet plan, persoonlijke eigendommen zijn weggehaald, de vogels zijn gezamenlijk in veiligheid gebracht, ze waren beiden in het restaurant aanwezig toen de brand werd gesticht en hebben gezamenlijk de deur dichtgedrukt waarna ze samen weg zijn gegaan. De rechtbank is dan ook op grond van de bewijsmiddelen, waarnaar in de voetnoten is verwezen, en hetgeen daarover in dit vonnis nader is overwogen van oordeel dat hetgeen de verdachte ten laste is gelegd, wettig en overtuigend kan worden bewezen. 3.5 De bewezenverklaring De rechtbank verklaart ten aanzien van de verdachte bewezen dat: zij op 17 februari 2015 te ’s-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met motorbenzine, ten gevolge waarvan [restaurant] of [restaurant] en het pand aan de [adres] gedeeltelijk is verbrand, en daarvan gemeen gevaar voor dat restaurant en de inboedel van dat restaurant en het pand [adres] en bovengelegen en belendende panden ( [adres] en/of [huisnummer] ) en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de bewoners van die belendende panden ( [adres] en/of [huisnummer] ) te duchten was. Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad. 4De strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op: medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander en gemeen gevaar voor goederen te duchten is. 5De strafbaarheid van de verdachte De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die haar strafbaarheid uitsluiten. 6De strafoplegging 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het haar tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vierentwintig maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en als bijzondere voorwaarden reclasseringstoezicht en een ambulante behandeling, indien de reclassering dit nodig acht. 6.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft bepleit, in geval van bewezenverklaring, de straf ten opzichte van de eis van de officier van justitie te matigen. 6.3 Het oordeel van de rechtbank Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking. De verdachte heeft samen met haar vriend brand gesticht in hun restaurant om geld van de verzekering te ontvangen. De verdachte heeft daarmee onaanvaardbare risico’s genomen ten aanzien van de levens van omwonenden. Voorts is door de brand grote materiële schade ontstaan. Dit alles heeft de nodige schrik en ongemak veroorzaakt. De rechtbank rekent het de verdachte zwaar aan dat zij, zonder rekening te houden met de belangen van anderen, tot haar daad is gekomen. De rechtbank houdt bij de strafoplegging van de verdachte rekening met een uittreksel Justitiële Documentatie van 2 juli 2015, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder wegens een soortgelijk feit met justitie in aanraking is geweest. De rechtbank heeft voorts kennis genomen van het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland van 17 juli
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.