Rechtbank DEN HAAG Strafrecht Meervoudige strafkamer Parketnummers: 09/842340-14, 09/007691-14 (t.b.g.) en 10/662994-11 (tul) Datum uitspraak: 15 april 2015 Tegenspraak (Promis vonnis) De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte: [verdachte], geboren op [geboortedag] 1984 te [geboorteplaats], thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting Midden Holland, huis van bewaring De Geniepoort te Alphen aan den Rijn. 1Het onderzoek ter terechtzitting Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen van 1 oktober 2014, 10 december 2014, 25 februari 2015 en 1 april 2015. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie, mr. L.E. van der Leeuw, en van hetgeen door de raadsman van verdachte, mr. A.H. Westendorp, advocaat te Den Haag, en door de verdachte naar voren is gebracht. [benadeelde 1] en [benadeelde 2], de broers van het slachtoffer, hebben zich in deze strafzaak als benadeelde partijen gevoegd. Zij werden ter terechtzitting bijgestaan respectievelijk vertegenwoordigd door mr. L.A.M.G. Wellen, advocaat te Den Haag. 2De tenlastelegging Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting - ten laste gelegd dat: 1. hij op of omstreeks 20 juni 2014 te 's Gravenhage opzettelijk, en al dan niet met voorbedachten rade, [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet, en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, - die [slachtoffer] (meermalen) met kracht in het gezicht en/of tegen het hoofd en/of het lichaam gestompt en/of geslagen en/of geschopt en/of - die [slachtoffer] met één of meerdere hard(
(2), de gang die haaks op de gang met de kamers van [slachtoffer] en verdachte ligt, bekeken. De rechtbank heeft op de beelden waargenomen dat [slachtoffer] verdachte omhelsde. Kort daarop gaven [slachtoffer] en verdachte elkaar een hand. Deze beelden waren, zoals reeds vermeld, van ongeveer 19:07 uur en [slachtoffer] komt daarna niet meer in beeld. Op de ter zitting bekeken beelden heeft de rechtbank verder waargenomen dat verdachte op het moment van de omhelzing door [slachtoffer] een T-shirt met een col en een lichte broek droeg. Deze kleren zijn niet aangetroffen bij de doorzoeking van de spullen van verdachte. De rechtbank merkt op dat wanneer verdachte degene was die [slachtoffer] om het leven heeft gebracht, op deze kleding een aanzienlijke hoeveelheid bloed moet hebben gezeten. Als verdachte echter uitsluitend na de dood van [slachtoffer] in diens kamer zou zijn geweest, zou op de kleding (vrijwel) geen bloed moeten zitten en zou dit een belangrijk ontlastend bewijsmiddel vormen. Om die reden is de verdwijning van deze kledingstukken een verdachte omstandigheid. Verdachte heeft verklaard dat hij na het aantreffen van het lichaam van [slachtoffer] zijn trainingspak over deze kleding heeft aangetrokken en dat hij daarbij zijn col zo ver naar beneden heeft getrokken dat deze niet te zien was. Om 20:49 uur is verdachte met het trainingspak in beeld. De rechtbank heeft waargenomen dat op dat moment onder het jack van het trainingspak, bij de borst, een stuk blote huid te zien is. Gelet op de uiterlijke kenmerken van het T-shirt, de vorm en de positionering van de col op het shirt is het naar het oordeel van de rechtbank onmogelijk dat verdachte op dat moment onder zijn trainingsjack het T-shirt met de col aan heeft gehad (nog daargelaten dat het niet voor de hand lag de col naar beneden te doen terwijl hij het zo koud had). De rechtbank acht de verklaring van verdachte op dit punt dan ook ongeloofwaardig. Op diezelfde beelden van 20:49 uur heeft de rechtbank waargenomen dat verdachte op dat moment zijn handen gesloten en dicht tegen zijn lichaam houdt en dat er een verdikking onder zijn jack, ter hoogte van zijn buik, te zien is. Verdachte heeft hierover gezegd dat hij toentertijd, door de medicijnen die hij gebruikte, dikker was. Gelet op de grootte van de verdikking en de omstandigheid dat verdachte kort daarop buiten de inrichting (om 20:54 uur) zonder deze verdikking te zien is, acht de rechtbank de verklaring van verdachte ook op dit punt ongeloofwaardig. Nu de politie bedoelde kleding, ondanks uitgebreid onderzoek, nimmer heeft aangetroffen en verdachte voor het verdwijnen van deze kleding geen (aannemelijke) verklaring heeft, is het naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk dat verdachte op dat moment het T-shirt met de col en zijn lichtgekleurde broek onder zijn jack verborgen hield en naar buiten heeft gesmokkeld. Andere ongerijmdheden De verklaring van verdachte is ook op andere punten niet in overeenstemming met de bewijsmiddelen in het dossier. Zo heeft verdachte ter terechtzitting verklaard dat hij op 20 juni 2014 pas laat in de avond cocaïne heeft gebruikt, terwijl uit het dossier blijkt dat hij op 22 juni 2014 in zijn eerste contact met de politie - toen hij nog niet als verdachte was aangemerkt - heeft verklaard dat hij de (hele) dag van het conflict (de rechtbank begrijpt: 20 juni 2014) onder invloed was van cocaïne. Verder heeft verdachte ter terechtzitting verklaard dat hij, nadat hij [slachtoffer] voor de eerste maal dood had gezien, zijn ‘buitenschoenen’ van het merk Adidas heeft aangetrokken, omdat hij zijn vader buiten zou treffen en hij altijd zijn sportschoenen draagt als hij naar buiten gaat. Eerder op de dag, toen verdachte met [slachtoffer] boodschappen ging doen en buiten liep, droeg hij echter zijn Hugo Boss-schoenen. Ook de verklaring van verdachte dat zijn vader de avond van 20 juni 2014 (alleen maar) langskwam om sigaretten te brengen, acht de rechtbank onaannemelijk. Als dat immers werkelijk het geval was, is volstrekt onduidelijk waarom verdachte tegen zijn vader heeft gezegd: “Als de recherche komt en die zegt (…) er zijn sporen gevonden (…). Dan weet je niks. Je kwam alleen sigaretten brengen”. Dit wijst erop dat zijn vader juist om een andere reden langskwam. Verder is er een in de PI afgeluisterd gesprek tussen verdachte en zijn vader, waarin vader tegen verdachte zei: “Een ding! Zeg het nooit, maar dan ook nooit, nooit tegen niemand, tegen niemand. Ook niet je beste vriend hier”. Opvallend is eveneens dat vader zei: “Nobody trust, nobody (…) geen bewaarder, geen mede celbewoner, helemaal niemand, niemand, niemand (…)”, waarop verdachte bevestigend antwoordde. Indien verdachte, zoals hij zelf zegt, onschuldig is aan de dood van [slachtoffer], valt niet in te zien waarom hij niemand mag vertrouwen en wat hij nooit zou mogen zeggen. Dit klemt temeer, nu uit de analyse van de historische telefoongegevens blijkt dat er (in het bijzonder) op de avond van 20 juni 2014, ook na de ontmoeting tussen verdachte en zijn vader, opvallend veel telefonisch contact is geweest tussen hen. Tot slot wijst de rechtbank op de verklaring van getuige [getuige 1], die als vrijwilliger bij Parnassia werkzaam is. Hij heeft gezegd dat verdachte tot twee maal toe de wens tegen hem heeft uitgesproken om iemand te vermoorden, de laatste keer een week of drie voor de dood van [slachtoffer]. Verdachte bevestigde in een gesprek met zijn vader in de PI dat hij dit inderdaad heeft gezegd. De rechtbank acht de verklaring van verdachte dan ook ongeloofwaardig. In de (nieuwe) kamer van verdachte is, zoals vermeld, door de politie een sok aangetroffen waarop bloed van [slachtoffer] en DNA van verdachte zat. Verdachte heeft hiervoor geen verklaring. Anders dan de raadsman heeft betoogd, acht de rechtbank niet aannemelijk geworden dat het bloed op de sok terecht moet zijn gekomen als gevolg van contaminatie. De sok is aangetroffen bij de kleding van verdachte. Als het bloed van het slachtoffer daar door contaminatie op zou zijn gekomen, betekent dit dat er op de betreffende avond (de kamer van het slachtoffer was daarna verzegeld) iemand (min of meer) druipend van het bloed van het slachtoffer naar de kamer van verdachte moet zijn gegaan. Daarvoor is geen enkele aanwijzing, zodat aan de bepleite bewijsuitsluiting voorbij zal worden gegaan. Dat geldt ook voor de washand die in de kamer van [slachtoffer] is aangetroffen en waarop DNA van verdachte en bloed van [slachtoffer] zat. Verdachte heeft voor deze belastende omstandigheid evenmin een verklaring kunnen of willen geven, terwijl niet valt in te zien op welke wijze hier sprake zou zijn geweest van contaminatie. Resumerend stelt de rechtbank het volgende vast. [slachtoffer] is op 20 juni 2014 tussen 19:07 en 22:30 uur op zijn kamer met geweld en door verstikking om het leven gebracht door iemand binnen de instelling waar hij verbleef. Er is niet gebleken dat iemand anders dan verdachte in deze periode de kamer van [slachtoffer] heeft bezocht. Verdachte is in voornoemd tijdsbestek twee keer bij het slachtoffer op zijn kamer geweest. Tussen die twee bezoeken heeft hij zich verkleed. De kleren die hij aanvankelijk droeg, zijn spoorloos verdwenen. Er is op de kamer van het slachtoffer een washandje aangetroffen met bloed van het slachtoffer en DNA van verdachte. Op de toenmalige kamer van verdachte is bloed van het slachtoffer aangetroffen en bij de spullen van verdachte zat een sok met zijn DNA en, opnieuw, bloed van het slachtoffer. Verdachte heeft de wens uitgesproken iemand om het leven te brengen. Verdachte heeft voor deze feiten en omstandigheden geen geloofwaardige verklaring gegeven, terwijl zij zich alle makkelijk laten verklaren wanneer hij degene was die [slachtoffer] om het leven heeft gebracht: dan heeft hij zich verkleed omdat de lichte broek, het shirt en de schoenen (welke laatste hij niet onder zijn jack mee kon nemen) onder het bloed zaten, is nog een keer gaan controleren of hij geen sporen in de kamer van zijn slachtoffer had achtergelaten en heeft de bebloede kleding de inrichting uit gesmokkeld. De hiervoor besproken bloedsporen zijn dan ook meteen verklaard. Als dader had hij ook een ijzersterk motief om te zwijgen tot hij wist wat er aan bewijs tegen hem was gevonden. 3.4.1.4 Eindconclusie Gelet op voornoemde ongeloofwaardigheid van de verklaring van verdachte en de redengevende inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen, die alle direct in de richting van verdachte wijzen, kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders dan dat het verdachte is geweest die [slachtoffer] op 20 juni 2014 om het leven heeft gebracht. De stelling van de raadsman dat het aannemelijker moet worden geacht dat iemand van buiten Parnassia de dood van [slachtoffer] op zijn geweten heeft, is geenszins aannemelijk gemaakt of geworden, zodat de rechtbank dit verweer verwerpt. Met de officier van justitie en de raadsman acht de rechtbank evenwel niet bewezen dat verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld. De enkele opmerking tegen [getuige 1] dat hij wel eens iemand zou willen doden, is onvoldoende om aan te nemen dat verdachte (tevoren) heeft besloten [slachtoffer] om het leven te brengen. De rechtbank zal verdachte derhalve vrijspreken van de hem onder feit 1 impliciet primair ten laste gelegde moord en hem veroordelen voor doodslag. 3.4.2 Ten aanzien van feit 2 Aangezien verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft bekend, hij nadien niet anders heeft verklaard en de raadsman van verdachte geen vrijspraak heeft bepleit, volstaat de rechtbank met een opsomming van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, te weten: het proces-verbaal van aangifte door [aangever] d.d. 24 september 2013 (ongenummerd); het proces-verbaal van aanhouding d.d. 24 september 2013 (ongenummerd); de bekennende verklaring van verdachte, zoals afgelegd bij de politie op 24 september 2013 (ongenummerd). 3.5 De bewezenverklaring De rechtbank verklaart bewezen - zulks met verbetering van eventueel in de tenlastelegging voorkomende type- en taalfouten, door welke verbetering verdachte niet in de verdediging is geschaad - dat verdachte:
- op 20 juni 2014 te 's Gravenhage opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet - die [slachtoffer] meermalen met kracht in het gezicht en/of tegen het hoofd en/of het lichaam gestompt en/of geslagen en/of geschopt en - met kracht samensnoerend en/of samendrukkend en/of botsend geweld op de hals van die [slachtoffer] uitgeoefend waardoor - de ademhaling van die [slachtoffer] is belemmerd en ten gevolge waarvan die [slachtoffer] is verstikt, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;
- op 24 september 2013 te Delft zich opzettelijk oneerbaar op een plaats, voor het openbaar verkeer bestemd, te weten het [adres] en het [adres] (een busplatform), met ontbloot geslachtsdeel heeft bevonden en zich heeft afgetrokken. 4De strafbaarheid van het bewezen verklaarde Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert de volgende strafbare feiten op: feit 1: doodslag; feit 2: schennis van de eerbaarheid op of aan een plaats, voor het openbaar verkeer bestemd. 5De strafbaarheid van de verdachte De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten. 6De oplegging van de straf en de maatregel 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal opleggen voor de duur van 13 jaren, met aftrek van de tijd door verdachte in verzekering, in voorlopige hechtenis en tijdens de klinische observatie doorgebracht. 6.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft verzocht om, mocht de rechtbank toekomen aan het opleggen van straf, een fors lagere straf op te leggen dan door de officier van justitie is gevorderd. De raadsman heeft erop gewezen dat in vergelijkbare zaken doorgaans een veel lagere straf wordt opgelegd dan thans door de officier van justitie is geëist, dat verdachte slechts beperkte geweldsdocumentatie heeft en dat ook overigens de persoon van verdachte aanleiding is om tot een lagere straf te komen. De raadsman heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat TBS, mocht de rechtbank oplegging van een dergelijke maatregel in overweging nemen, op basis van de voorliggende rapportages niet opgelegd kan worden, nu verdachte aan het opstellen van de rapportages niet heeft meegewerkt. 6.3 Het oordeel van de rechtbank De ernst van de feiten Verdachte heeft, om redenen die onbekend zijn gebleven,[slachtoffer], een medepatiënt van Parnassia, met grof geweld om het leven gebracht. Doodslag behoort tot de meest ernstige strafbare feiten die ons Wetboek van Strafrecht kent en waarop de wetgever hoge straffen heeft gesteld. Het meest wezenlijke recht van een mens, namelijk het recht te mogen leven, heeft verdachte op grove en onomkeerbare wijze geschonden. Het slachtoffer laat onder andere zijn ouders, twee broers en een zoon en dochter na, die allen ernstig lijden onder het verlies van hun zoon, broer en vader. Dit is ook wel gebleken uit de ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaringen van de ouders. De dood van [slachtoffer], die van plan was zijn leven weer een goede en positieve wending te geven, betekent voor de nabestaanden een onherstelbaar gemis. De rechtbank neemt het verdachte bijzonder kwalijk dat hij geen openheid van zaken heeft gegeven, terwijl het voor de familie van zijn slachtoffer, voor de verwerking van het verlies van hun dierbare, van het grootste belang is dat zij de ware toedracht van het gebeurde kennen. Ook heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan schennis van de eerbaarheid. Verdachte is naakt door de binnenstad van Delft gaan lopen en een voor het publiek toegankelijke plaats binnengegaan, waar hij zich ten overstaan van een meisje, dat hij eerst nog gevraagd had of ze alleen was, begon af te trekken. Dergelijk gedrag kan niet getolereerd worden. Wat strafmaat betreft valt dit feit natuurlijk in het niet bij de doodslag op [slachtoffer]. De persoon van verdachte De rechtbank heeft acht geslagen op een verdachte betreffend uittreksel uit het justitiële documentatieregister d.d. 14 januari
- Hieruit volgt dat verdachte eerder is veroordeeld voor, onder andere, geweldsdelicten, waaronder mishandeling. De rechtbank heeft verder acht geslagen op het over verdachte opgemaakte reclasseringsadvies van Bouman GGZ d.d. 2 juli
- Uit dit advies volgt dat verdachte in oktober 2013 door een psychiater van GGZ Palier is gediagnosticeerd met een antisociale en narcistische persoonlijkheidsstoornis, afhankelijkheid van diverse middelen en een psychotische stoornis niet anders omschreven (hierna: NAO) en dat verdachte diverse keren een psychose heeft gehad, waarbij middelengebruik veelal een rol speelde. Voorts blijkt uit het advies dat verdachte door psychiater Maoaddine van het CDP is gediagnosticeerd met een antisociale persoonlijkheidsstoornis met borderline kenmerken en narcistische trekken en dat bij verdachte psychoses ontstaan na drugsgebruik of teveel spanning. Ook blijkt hieruit dat verdachte al tien jaar geen werk heeft, arbeidsongeschikt is, hoge schulden heeft en al geruime tijd van de ene kliniek naar de andere gaat. Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op de over verdachte opgemaakte Pro Justitia rapportage van 5 augustus 2014, opgesteld door R.A.R. Bullens, psycholoog, en de over verdachte opgemaakte Pro Justitia rapportage van 14 augustus 2014, opgesteld door F. Verstraeten, psychiater. Uit beide rapporten blijkt dat verdachte heeft geweigerd aan de onderzoeken mee te werken en dat beiden deskundigen een opname in het Pieter Baan Centrum in overweging hebben gegeven. In dat verband heeft de rechtbank kennis genomen van de Pro Justitia rapportage van het NIFP, locatie Pieter Baan Centrum d.d. 10 februari
- Verdachte heeft ook aan dit onderzoek niet mee willen werken. Desondanks hebben de psycholoog en de psychiater enkele diagnostische overwegingen gegeven. Door de psycholoog is geconcludeerd dat bij verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling en/of ziekelijke stoornis van de geestvermogens. Door zijn weigerende houding is weliswaar niet duidelijk geworden wat er precies met hem aan de hand is, maar op grond van de bevindingen wordt door de psycholoog uitgegaan van de hypothese dat er sprake is van een persoonlijkheidsstoornis binnen het cluster B, ook wel bekend als de groep persoonlijkheidsstoornissen waarbij antisociaal, zelfingenomen en impulsief gedrag op de voorgrond staat. De psychiater heeft gerapporteerd dat verslavingsgevoeligheid in de persoonlijkheid van verdachte verankerd lijkt te zijn, dat hij een ‘thrill seeker’ is en gericht is op behoeftebevrediging op de korte termijn. De psychiater rapporteert verder dat de afweerstrategieën bij verdachte opvallen, die het beste lijken te passen bij een persoonlijkheidsstoornis met borderline, narcistische en antisociale trekken. De deskundigen concluderen gezamenlijk dat, gelet op het langdurig verblijf in psychiatrische klinieken en de bij herhaling bekrachtigde rechterlijke machtigingen, verondersteld kan worden dat bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. De rechtbank is van oordeel dat voornoemd advies en voornoemde rapporten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen en dat de bevindingen van de deskundigen worden gedragen door een deugdelijke en inzichtelijk gemotiveerde onderbouwing. De conclusies van de psycholoog en psychiater van het Pieter Baan Centrum zijn in lijn met die van de behandelaars, zoals vermeld in de reclasseringsrapportage. De rechtbank maakt deze conclusies tot de hare. De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de zaak van verdachte moet worden afgedaan met een (al of niet lange) gevangenisstraf, zoals door de officier van justitie en de raadsman is gesteld, of dat er aanleiding is om verdachte (eventueel daarnaast) een strafrechtelijke maatregel, zoals terbeschikkingstelling, al dan niet met dwangverpleging, op te leggen. Straf en/of maatregel? Krachtens de wet is voor een last tot terbeschikkingstelling een advies van twee gedragsdeskundigen, waaronder een psychiater, die betrokkene hebben onderzocht, vereist. Op grond van artikel 37a lid 3 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) juncto artikel 37 lid 3 kan echter ook aan een weigerende observandus een terbeschikkingstelling met dwangverpleging worden opgelegd. Uit het rapport van het Pieter Baan Centrum blijkt dat verdachte een weigerende observandus is in de zin van artikel 37 lid 3 Sr. Gelet daarop vervalt voor het opleggen van een terbeschikkingstelling de eis van een (volwaardig) multidisciplinair onderzoek als bedoeld in artikel 37 lid 2 Sr. Evenwel blijft nog steeds vereist dat wordt vastgesteld dat bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens ten tijde van het plegen van het feit. Zonder die vaststelling is oplegging van TBS niet mogelijk. Het is aan de rechter, die over de feiten oordeelt, om die vaststelling te doen. De rechter zal zich daarbij in zeer sterke mate moeten laten leiden door de bevindingen en conclusies van de gedragsdeskundigen, maar als de gedragsdeskundigen aan de grenzen komen van wat zij vanuit hun wetenschap nog kunnen verantwoorden, zal de rechter zijn eigen verantwoordelijkheid moeten nemen, voor zover de wet hem daartoe de ruimte geeft. Dit betekent dat in het uiterste geval de rechter, uiteraard slechts met grote behoedzaamheid, tot de vaststelling van een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling ten tijde van het delict kan komen, ook al kunnen de gedragsdeskundigen op basis van de voor hen geldende wetenschappelijke criteria en tuchtrechtelijke normen niet tot die conclusie komen. Voor zijn beslissing dient de rechter dan wel voldoende steun te vinden in hetgeen gedragsdeskundigen zo mogelijk wél hebben kunnen vaststellen en hetgeen de rechter verder aan feiten en omstandigheden is gebleken met betrekking tot de persoon van verdachte. In dit verband hecht de rechtbank in het bijzonder waarde aan het hiervoor genoemde reclasseringsrapport uit juli 2014, waaraan verdachte wel heeft meegewerkt en waaruit blijkt dat hij al in oktober 2013 door een psychiater is gediagnosticeerd met een antisociale en narcistische persoonlijkheidsstoornis, afhankelijkheid van diverse middelen en een psychotische stoornis NAO. Voorts blijkt uit het advies dat verdachte bij het CDP, waar hij ten tijde van het opstellen van het advies en ten tijde van het delict verbleef, door een psychiater is gediagnosticeerd met een antisociale persoonlijkheidsstoornis met borderline kenmerken en narcistische trekken. Voorts acht de rechtbank van bijzonder belang de hiervoor aangehaalde bevindingen en conclusies van de twee deskundigen van het Pieter Baan Centrum, die er - samengevat - op neerkomen dat, hoewel precieze duiding door het weigeren van medewerking uitblijft, verondersteld kan worden dat bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens. Bij verdachte is in juli 2013 een persoonlijkheidsstoornis vastgesteld. Ook ten tijde van het opstellen van het reclasseringsadvies (de rechtbank begrijpt: in juli 2014) werd de persoonlijkheidsstoornis vastgesteld. Blijkens het rapport van het Pieter Baan Centrum was deze persoonlijkheidsstoornis ook in februari 2015 nog aanwezig. Hiermee is het bestaan van deze persoonlijkheidsstoornis naar het oordeel van de rechtbank in voldoende mate aannemelijk. Dergelijke stoornissen zijn per definitie duurzaam. Dit brengt mee dat bij verdachte, ook ten tijde van het begaan van de hem laste gelegde feiten, sprake was van een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens, waarbij er aanwijzingen zijn dat deze bestaat uit een antisociale persoonlijkheidsstoornis met borderline kenmerken en narcistische trekken. Naar het oordeel van de rechtbank is deze stoornis zodanig dat het vanuit veiligheidsoogpunt onverantwoord is om verdachte onbehandeld terug te laten keren in de maatschappij. De rechtbank zal derhalve ten aanzien van feit 1 de terbeschikkingstelling van verdachte gelasten en daarbij bepalen dat verdachte van overheidswege wordt verpleegd, nu het door verdachte begane feit onder 1 een misdrijf betreft waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld en de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen de oplegging van deze maatregel eist. Nu de TBS zal worden opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen, is sprake van een ongemaximeerde TBS als bedoeld in artikel 38e Sr en kan de totale duur van de op te leggen maatregel om die reden een periode van vier jaar te boven gaan. De rechtbank ziet geen aanleiding om een advies te geven over het tijdstip waarop de TBS met dwangverpleging dient aan te vangen, zoals bedoeld in artikel 37b Sr. Hoewel de deskundigen in de diverse rapporten geen standpunt omtrent de toerekenbaarheid van verdachte in hebben kunnen nemen, acht de rechtbank het aannemelijk dat de bewezen verklaarde feiten verdachte, gelet op de bij hem bestaande stoornis, slechts in verminderde mate kunnen worden toegerekend. Die verminderde toerekeningsvatbaarheid betekent dat de strafbaarheid van verdachte niet geheel is uitgesloten. De rechtbank is derhalve van oordeel dat aan verdachte, naast voornoemde maatregel, ook een gevangenisstraf dient te worden opgelegd. De rechtbank zal evenwel, gelet op de vermoedelijk verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte en de op te leggen TBS-maatregel, een lagere gevangenisstraf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd. 7De vorderingen van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel 7.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen toegewezen kunnen worden, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. 7.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partijen, gelet op de door hem primair bepleite vrijspraak, niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in hun vorderingen. 7.3 Het oordeel van de rechtbank [benadeelde 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 5.255,50,-, bestaande uit materiële schade. [benadeelde 2] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 806,-, bestaande uit materiële schade. Uit de door de benadeelde partijen overgelegde stukken en de toelichting door hun raadsvrouw ter zitting volgt dat de door hen gevorderde schade inmiddels door het Schadefonds Geweldsmisdrijven aan hen is uitgekeerd. De raadsvrouw heeft betoogd dat de benadeelde partijen desondanks ontvankelijk zijn in hun vordering, omdat - gelet op het bepaalde in artikel 6 van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven (hierna Wsg) - aldus ontvangen schadevergoeding (achteraf) wordt verrekend door het Schadefonds. Terecht heeft de raadsvrouw van de benadeelde partijen gewezen op de mogelijkheid dat een later door het slachtoffer te ontvangen vergoeding (bijvoorbeeld door het toewijzen van de vordering benadeelde partij) alsnog in mindering kan worden gebracht op het bedrag van de uitkering. Artikel 6 lid 4 Wsg bepaalt evenwel ook dat de Staat voor het uitgekeerde bedrag in de rechten van het slachtoffer treedt die deze ten aanzien van door hem geleden schade tegenover derden heeft. Dit brengt mee dat de rechten die een slachtoffer heeft ten opzichte van een derde (zoals de verdachte) overgaan op de Staat wanneer en voor zover het Schadefonds een uitkering doet ten aanzien van door deze derde veroorzaakte schade. Daarmee heeft de benadeelde voor dat deel geen vordering meer en kan hij dus in een procedure als onderhavige niet worden ontvangen. Nu de door de benadeelde partijen gevorderde schade reeds volledig door het Schadefonds is uitgekeerd, hebben zij geen vordering meer en zullen zij niet ontvankelijk worden verklaard in de vorderingen tot schadevergoeding. Daarbij zullen zij worden veroordeeld in de kosten die verdachte ten behoeve van de vorderingen heeft moeten maken, die de rechtbank begroot op nihil. Vorenstaande brengt met zicht mee dat de rechtbank niet toekomt aan beoordeling van de gevraagde schadevergoedingsmaatregel. 8De vordering tot tenuitvoerlegging 8.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank de tenuitvoerlegging zal gelasten van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 30 januari 2012 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 6 weken. 8.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering tot tenuitvoerlegging dient te worden afgewezen, gelet op de door hem bepleite vrijspraak voor feit
- De raadsman heeft de rechtbank subsidiair in overweging gegeven om de proeftijd van voornoemde voorwaardelijke veroordeling te verlengen en meer subsidiair om de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf om te zetten in een werkstraf. 8.3 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank acht termen aanwezig om de vordering van de officier van justitie van 24 september 2014, strekkende tot tenuitvoerlegging van de aan verdachte voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 6 weken, waartoe verdachte werd veroordeeld bij onherroepelijk geworden vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam op 30 januari 2012, toe te wijzen, nu uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat verdachte de algemene voorwaarden niet heeft nageleefd, doordat hij zich voor het einde van de proeftijd, die bij voormeld vonnis van de politierechter was opgelegd, wederom heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit (namelijk feit 2) en hij, onder andere, voor dit feit zal worden veroordeeld. 9De toepasselijke wetsartikelen De rechtbank heeft gelet op de artikelen: - 14g, 37a, 37b, 38e, 57, 239 en 287 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde. 10De beslissing De rechtbank: verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan en dat het bewezen verklaarde uitmaakt: ten aanzien van feit 1: doodslag; ten aanzien van feit 2: schennis van de eerbaarheid op of aan een plaats, voor het openbaar verkeer bestemd; verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar; verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij; veroordeelt de verdachte ten aanzien van feit 1 en feit 2 tot: een gevangenisstraf voor de duur van 6 (ZES) JAREN; bepaalt: dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering, in voorlopige hechtenis en tijdens de klinische observatie doorgebracht bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht; gelast ten aanzien van feit 1: de terbeschikkingstelling van veroordeelde; beveelt ten aanzien van feit 1: dat veroordeelde van overheidswege zal worden verpleegd; gelast: de tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter van de rechtbank Rotterdam d.d. 30 januari 2012, gewezen onder parketnummer 10/662994-11, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 6 (ZES) WEKEN. verklaart de benadeelde partijen niet-ontvankelijk in hun vorderingen tot schadevergoeding; veroordeelt de benadeelde partijen in de kosten door de veroordeelde ter verdediging tegen de vordering gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil. Dit vonnis is gewezen door mr. J. Eisses voorzitter, mr. R.G.C. Veneman, rechter, mr. H.J. van Harten rechter, in tegenwoordigheid van mr. N.M.E. Oudshoorn en mw. F. el Ghamarti griffiers, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 15 april
- Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van de processen-verbaal uit het onderzoek TGO Kilo14, van de politie eenheid Den Haag, Team Grootschalig Opsporen, met bijlagen. Proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 juni 2014, blz. 39 (PV 0/OPV “Kilo14”). Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijke niet natuurlijke dood d.d. 7 oktober 2014, blz. 304 - 310 (Forensisch dossier TGO Kilo14). Proces-verbaal forensisch technisch onderzoek d.d. 19 januari 2015, blz. 398 en blz. 400 (Forensisch dossier TGO Kilo14). Proces-verbaal forensisch technisch onderzoek d.d. 11 september 2014, blz. 28 en blz. 31 (Forensisch dossier TGO Kilo14). Proces-verbaal forensisch technisch onderzoek d.d. 11 juli 2014, blz. 151 (Forensisch dossier TGO Kilo14). Rapport Nederlands Forensisch Instituut d.d. 2 oktober 2014, blz. 349 en blz. 350 (Forensisch dossier TGO Kilo14). Geschrift, te weten een plattegrond, blz. 823 (PV 3/OPV “Kilo14”). Proces-verbaal forensisch technisch onderzoek d.d. 14 juli 2014, blz. 183 (Forensisch dossier TGO Kilo14). Proces-verbaal aanvraag benoeming deskundige DNA-onderzoek d.d. 29 juli 2014, blz. 246 (Forensisch dossier TGO Kilo14). Proces-verbaal luminolonderzoek d.d. 12 augustus 2014, blz. 191 (Forensisch dossier TGO Kilo14). Rapport Nederlands Forensisch Instituut d.d. 3 juli 2014, blz. 167 en blz. 168 (PV 1/OPV “Kilo14”). Proces-verbaal forensisch technisch onderzoek d.d. 14 juli 2014, blz. 183 (Forensisch dossier TGO Kilo14). Rapport Nederlands Forensisch Instituut d.d. 2 oktober 2014, blz. 349 en blz. 350 (Forensisch dossier TGO Kilo14). Proces-verbaal forensisch technisch onderzoek d.d. 11 september 2014, blz. 32 (Forensisch dossier TGO Kilo14). Rapport Nederlands Forensisch Instituut d.d. 2 oktober 2014, blz. 349 en blz. 350 (Forensisch dossier TGO Kilo14). Proces-verbaal schoensporenonderzoek d.d. 28 januari 2015, blz. 389 (Forensisch dossier TGO Kilo14). Proces-verbaal verhoor getuige [betrokkene] d.d. 21 juni 2014, blz. 104 en blz. 105 (PV 0/OPV “Kilo14”). Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 2] d.d. 24 juni 2014, blz. 87 (PV 0/OPV “Kilo14”). Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 2] d.d. 14 augustus 2014, blz. 636 (PV 3/OPV “Kilo14”). Gang D.0.102 20/6/2014, blz. 834 (PV 3/OPV “Kilo14”). Gang D.0.102 20/6/2014, blz. 835 (PV 3/OPV “Kilo14”). Gang D.0.102 20/6/2014, blz. 837 (PV 3/OPV “Kilo14”). Proces-verbaal van verhoor getuige [betrokkene] d.d. 22 juni 2014, blz. 105 (PV 0/OPV “Kilo14”). Proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 juli 2014, blz. 361 (PV 3/OPV “Kilo14”). Gang D.0.102 20/6/2014, blz. 825 - 870 (PV 3/OPV “Kilo14”). Verklaring verdachte ter terechtzitting d.d. 1 april
- Verklaring verdachte ter terechtzitting d.d. 1 april
- Eigen waarneming rechtbank ter terechtzitting van 1 april
- Eigen waarneming rechtbank ter terechtzitting van 1 april
- Processen-verbaal van bevindingen, blz. 444 en blz. 446 (PV 3/OPV “Kilo14”). Gang D.0.102 20/6/2014, blz. 837 (PV 3/OPV “Kilo14”). Eigen waarneming rechtbank ter terechtzitting van 1 april
- Eigen waarneming rechtbank ter terechtzitting van 1 april
- Geschrift, te weten een still van beveiligingsbeelden, blz. 727 (PV 3/OPV “Kilo14”). Proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 juni 2014, blz. 55 (PV 0/OPV “Kilo14”). Proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 juli 2014, blz. 294 (PV 2/OPV “Kilo14”). Proces-verbaal van bevindingen OVC 6 augustus 2014, blz. 1029 (PV 3/OPV “Kilo14”). Proces-verbaal van bevindingen OVC 30 juli 2014, blz. 993 (PV 3/OPV “Kilo14”). Proces-verbaal van bevindingen OVC 30 juli 2014, blz. 999 (PV 3/OPV “Kilo14”). Proces-verbaal historische verkeersgegevens d.d. 17 juli 2014, blz. 321 - 330 (PV 2/OPV “Kilo14”). Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] d.d. 4 augustus 2014, blz. 612 (PV 3/OPV “Kilo14”). Proces-verbaal van bevindingen OVC 30 juli 2014, blz. 993 (PV 3/OPV “Kilo14”).