Rechtbank den haag Team Handel - voorzieningenrechter zaak- / rolnummer: C/09/480379/ KG ZA 15-2 Vonnis in kort geding van 6 januari 2015 in de zaak van [eiser], thans verblijvende in PI [p.i.], eiser, advocaat mr. S. Schuurman te Breukelen, gemeente Stichtse Vecht, tegen: DE STAAT DER NEDERLANDEN, (ministerie van Veiligheid en Justitie), zetelend te Den Haag, gedaagde, advocaat mr. C.M. Bitter te Den Haag. Partijen zullen hierna worden aangeduid als '[eiser]' en 'de Staat'. 1Het procesverloop [eiser] heeft de Staat op 5 januari 2015 doen dagvaarden om op 6 januari 2015 te verschijnen ter zitting van de voorzieningenrechter van deze rechtbank. De zaak is op die zitting ook behandeld. Kort na de sluiting van de mondelinge behandeling heeft de voorzieningenrechter (op diezelfde dag) mondeling uitspraak gedaan. Het onderstaande vormt daarvan de uitwerking. 2Het wettelijk kader Het onderhavige geschil heeft betrekking op de toepassing door de Staat van de Overleveringswet ('Olw'). De voor deze zaak relevante bepalingen van de Olw luiden als volgt: "Artikel 35 1. Zo spoedig mogelijk na de uitspraak waarbij de overlevering geheel of gedeeltelijk is toegestaan, maar niet later dan tien dagen na de datum van deze uitspraak, wordt de opgeëiste persoon feitelijk overgeleverd. De officier van justitie bepaalt, na overleg met de uitvaardigende justitiële autoriteit, de tijd en plaats. (…) Artikel 36 1. De beslissing omtrent de tijd en de plaats van de feitelijke overlevering wordt aangehouden, indien en zolang tegen de opgeëiste persoon een strafrechtelijke vervolging in Nederland gaande is, of een door een Nederlandse rechter tegen hem gewezen strafvonnis nog geheel of ten dele voor tenuitvoerlegging vatbaar is. 2. In gevallen als voorzien in het eerste lid kan Onze Minister, na advies van het openbaar ministerie, bepalen dat en onder welke voorwaarden de opgeëiste persoon ten behoeve van diens berechting reeds aanstonds voorlopig ter beschikking van de uitvaardigende justitiële autoriteit kan worden gesteld. 3. In geval van toepassing van het tweede lid bericht de officier van justitie dat de opgeëiste persoon voorlopig ter beschikking zal worden gesteld van de uitvaardigende justitiële autoriteit, met wie hij ook de daaraan verbonden voorwaarden schriftelijk overeenkomt. 4. Ondergaat de opgeëiste persoon, te wiens aanzien het derde lid wordt toegepast, een vrijheidsstraf, dan komt de tijd gedurende welke hij in het buitenland ter beschikking van de uitvaardigende justitiële autoriteit is, in mindering op zijn straftijd. Artikel 37 1. Indien zulks voor de toepassing van artikel 35, eerste of tweede lid, noodzakelijk is, wordt de opgeëiste persoon op bevel van de officier van justitie aangehouden voor ten hoogste drie dagen. Indien de feitelijke overlevering niet binnen de termijn van drie dagen heeft kunnen plaatsvinden, kan het bevel tot aanhouding door de officier van justitie eenmaal voor ten hoogste drie dagen worden verlengd. (…)" 3De feiten Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 6 januari 2015 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan. 3.1. Op 27 april 2012 heeft het Staatsanwaltschaft Bochum (Duitsland) een Europees aanhoudingsbevel ('EAB') uitgevaardigd, waarbij wordt verzocht om aanhouding en overlevering van [eiser] ten behoeve van diens strafvervolging in Duitsland ter zake van oplichting ('matchfixing'). Aan het EAB lag ten grondslag een bevel tot voorlopige hechtenis van het Amtsgericht Bochum van 28 maart 2012. 3.2. [eiser] is (ook) verdachte in een Nederlandse strafzaak betreffende een schilderijenroof. In verband daarmee verbleef hij vanaf 14 september 2012 in voorlopige hechtenis. In die zaak is [eiser] inmiddels veroordeeld door de rechtbank tot een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf. [eiser] is in hoger beroep gegaan tegen dat strafvonnis. Het gerechtshof heeft in de appelzaak nog geen einduitspraak gedaan. 3.3. Bij uitspraak van 4 december 2012 heeft de rechtbank Amsterdam de overlevering van [eiser] aan het Staatsanwaltschaft Bochum toegestaan. Op de voet van het bepaalde in artikel 36 lid 1 Olw is de beslissing omtrent de tijd en plaats van de feitelijke overlevering aangehouden in verband met de in Nederland lopende strafrechtelijke vervolging van [eiser]. 3.4. Op 4 december 2014 - nadat [eiser] ongeveer twee derde van de hem in eerste aanleg opgelegde gevangenisstraf had uitgezeten - heeft het gerechtshof de feitelijke uitvoering van de voorlopige hechtenis van [eiser] beëindigd, volgens [eiser] na opheffing en volgens de Staat na schorsing. Sindsdien verblijft [eiser] in overleveringsdetentie. 3.5. Na overleg met de behandelend Advocaat-Generaal bij het ressortsparket Den Haag en de Duitse autoriteiten, heeft de officier van justitie op 17 december 2014 aan de minister van Veiligheid en Justitie (hierna 'de Minister') geadviseerd om onder voorwaarden toestemming te geven voor de voorlopige terbeschikkingstelling van [eiser] aan de Duitse autoriteiten ex artikel 36 lid 2 Olw. Vervolgens heeft de Minister op 29 december 2014 die toestemming (onder voorwaarden) verleend. 3.6. Nadat de Duitse autoriteiten hadden ingestemd met de aan de voorlopige terbeschikkingstelling te stellen voorwaarden, is afgesproken dat de feitelijke overdracht van [eiser] aan de Duitse autoriteiten zal plaatsvinden op 6 januari 2015 om 11.30 uur. 3.7. Op 30 december 2014 is een verzoek van [eiser] tot schorsing van de overleveringsdetentie afgewezen door de rechtbank Amsterdam. Het hoger beroep tegen die beslissing dient op 7 januari 2015. 4Het geschil 4.1 Na vermindering van eis vordert [eiser] de Staat te verbieden hem feitelijk over te leveren aan Duitsland, dan wel zijn overlevering te schorsen tot 1 februari 2015, met veroordeling van de Staat in de proceskosten. 4.2. Samengevat voert [eiser] daartoe - zo begrijpt de voorzieningenrechter - het volgende aan. De Staat handelt onrechtmatig door [eiser] voorlopig ter beschikking van de Duitse autoriteiten te stellen op de voet van artikel 36 lid 2 Olw. Daarvoor is allereerst van belang dat een dergelijke voorlopige terbeschikkingstelling slechts mogelijk is wanneer dat noodzakelijk is voor de voortgang van de vervolging van [eiser] in Duitsland. Die situatie doet zich niet voor. Daarnaast heeft de Minister aan de voorlopige terbeschikkingstelling ten onrechte niet verbonden de voorwaarde dat de duur van de detentie van [eiser] in Duitsland in mindering moet worden gebracht op de (eventueel) aan hem op te leggen vrijheidsstraf door de Duitse rechter. Het belang van [eiser] bij zijn primaire vordering is dat hij van zijn vrijheid kan genieten. Bij de subsidiaire vordering heeft hij belang, in die zin dat hij nog niet ter beschikking van de Duitse autoriteiten wordt gesteld voordat het gerechtshof heeft beslist op het verzoek tot schorsing van de overleveringsdetentie en dat hij zijn 90-jarige moeder nog kan zien voordat hij in Duitsland wordt gedetineerd. 4.3. De Staat heeft de vorderingen van [eiser] gemotiveerd bestreden. Voor zover nodig zal zijn verweer hierna worden besproken. 5De beoordeling van het geschil Inleiding 5.1. [eiser] grondt zijn vorderingen op onrechtmatig handelen van de Staat. Daarmee is in zoverre de bevoegdheid van de civiele rechter - in dit spoedeisende geval de voorzieningenrechter in kort geding - gegeven. Voor de goede orde wordt daarbij nog opgemerkt dat [eiser] weliswaar een verbod c.q. schorsing van zijn overlevering vordert, maar dat hij daarmee - blijkens zijn stellingen - kennelijk beoogt een verbod c.q. schorsing van de voorlopige terbeschikkingstelling. Uit het verweer van de Staat blijkt dat hij de vordering ook aldus heeft begrepen. 5.2. Kern van het onderhavige geschil betreft de vraag of (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.