vonnis RECHTBANK DEN HAAG Team handel zaaknummer / rolnummer: C/09/467414 / HA ZA 14-678 Vonnis van 1 april 2015 in de zaak van [eiser] , wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente], eiser, advocaat mr. E.F. Muller te Deventer, tegen DE STAAT DER NEDERLANDEN (MINISTERIE VAN JUSTITIE), zetelend te Den Haag, gedaagde, advocaat mr. A.Th.M. ten Broeke te Den Haag. Partijen zullen hierna [eiser] en de Staat genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 3 juni 2014, met producties 1-12; - de conclusie van antwoord, met producties 1 en 2; het tussenvonnis van 15 oktober 2014, waarbij een comparitie van partijen is gelast; de brief van mr. Muller van 27 januari 2014, met producties 13-16; het proces-verbaal van comparitie van 11 februari 2015. 1.2. Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. Op 8 januari 2012 heeft een brand gewoed in het pand van de bakkerij van [eiser] aan het [adres] te [woonplaats], waardoor deze bakkerij geheel is verwoest. 2.2. Op 21 maart 2012 is [eiser] door de politie aangehouden op verdenking van betrokkenheid bij brandstichting. Dezelfde dag heeft de (hulp)officier van justitie de inverzekeringstelling van [eiser] bevolen. 2.3. Op 23 maart 2012 heeft de rechter-commissaris van de rechtbank Dordrecht, op vordering van de officier van justitie, de bewaring van [eiser] bevolen. Op dezelfde dag heeft de officier van justitie een bevel beperkingen afgegeven voor een periode van maximaal twee weken. 2.4. Bij beschikkingen van 4 april 2012 heeft de rechtbank Dordrecht een verzoek van [eiser] tot schorsing van de voorlopige hechtenis afgewezen en, op vordering van de officier van justitie, de gevangenhouding van [eiser] bevolen voor een termijn van dertig dagen. Bij beschikkingen van 2 mei 2012 heeft de rechtbank Dordrecht wederom een verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis afgewezen en op vordering van de officier van justitie de termijn van gevangenhouding met zestig dagen verlengd. 2.5. [eiser] heeft hoger beroep tegen de onder 2.4 bedoelde beschikkingen van 2 mei 2012 ingesteld. Bij beschikking van 7 juni 2012 heeft de raadkamer van het hof Den Haag de beschikking voor wat betreft de gevangenhouding bekrachtigd en de beschikking voor wat betreft de afwijzing van het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis vernietigd en dit verzoek onder voorwaarden toegewezen met ingang van 8 juni 2012. 2.6. Ter terechtzitting van de rechtbank Rotterdam van 21 maart 2013 is de strafzaak tegen [eiser] behandeld. De officier van justitie heeft hierbij gevorderd dat [eiser] wordt vrijgesproken van, kort gezegd, betrokkenheid bij brandstichting (het onder feit 1 primair en feit 1 (meer) subsidiair tenlastegelegde) en dat [eiser] wordt veroordeeld voor, kort gezegd, hennepteelt (het onder feit 2 tenlastegelegde). 2.7. Bij - onherroepelijk - vonnis van 21 maart 2013 heeft de rechtbank Rotterdam [eiser] vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde feit en hem veroordeeld wegens hennepteelt. In dit vonnis is onder meer het volgende overwogen: “4.1 De vrijspraak Naar het oordeel van de rechtbank is niet bewezen wat aan verdachte onder feit 1 primair en feit 1 (meer) subsidiair ten laste is gelegd, omdat het wettig en overtuigend bewijs ontbreekt dat verdachte onmiddellijk dan wel middellijk (mede)verantwoordelijk is geweest voor het ontstaan van de brand die heeft gewoed in het pand aan de [adres] te [woonplaats]. Verdachte zal daarom worden vrijgesproken van feit 1.” 3Het geschil 3.1. [eiser] vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, I voor recht verklaart dat de Staat jegens [eiser] op de in de dagvaarding uiteengezette gronden onrechtmatig heeft gehandeld door het instellen van de strafvervolging jegens [eiser] en het toepassen van dwangmiddelen en dat dit onrechtmatig handelen dient te worden toegerekend aan de Staat; II de Staat veroordeelt tot vergoeding van de schade welke [eiser] als gevolg van het onder I bedoelde onrechtmatig handelen heeft geleden, lijdt en zal lijden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet; III de Staat veroordeelt in de proceskosten. 3.2. Aan deze vorderingen legt [eiser], samengevat, het volgende ten grondslag. Aan het strafrechtelijk optreden van justitie jegens [eiser] heeft geen redelijk vermoeden van schuld aan brandstichting ten grondslag gelegen. Dit brengt mee dat de vervolging en het toepassen van dwangmiddelen jegens [eiser] onrechtmatig is. In ieder geval is de onrechtmatigheid ingetreden op 2 mei 2012, toen de verlenging van de gevangenhouding werd gevorderd, zonder dat het nadere onderzoek naar het daderschap van [eiser] met betrekking tot de brandstichting, welk onderzoek heeft plaatsgevonden na het bevel gevangenhouding, iets belastends tegen hem had opgeleverd. Deze onrechtmatige daad kan de Staat worden toegerekend. Daarnaast blijkt uit het onder 2.7 bedoelde vonnis en uit de overige stukken betreffende de strafzaak en de resultaten van het strafvorderlijk onderzoek van de onschuld van [eiser] en van het ongefundeerd zijn van de verdenking waarop het optreden van politie en justitie berustte. Ook hierom heeft de Staat toerekenbaar onrechtmatig gehandeld jegens [eiser]. Hij heeft dientengevolge schade geleden, nader op te maken bij staat. 3.3. De Staat voert gemotiveerd verweer. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling 4.1. Zoals partijen onderkennen, is de Staat naar vaste rechtspraak uitsluitend aansprakelijk voor de schade ten gevolge van het toepassen van strafvorderlijke dwangmiddelen wanneer: a.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.