← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2015:8036

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht Zaaknummer: AWB 15/5224 V-nummer: [nummer] proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 2 juli 2015 in de zaak tussen [naam 1], eiser, gemachtigde: mr. M.M. Polman, en de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder, gemachtigde: mr. N. Hamzaoui. Procesverloop Bij besluit van 16 januari 2015 (hierna: het bestreden besluit) is de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd afgewezen en is de aan eiser verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingetrokken per 1 januari 2011, omdat eiser een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid. Voorts is bepaald dat eiser Nederland onmiddellijk dient te verlaten en is een inreisverbod opgelegd voor drie jaar. Ten slotte is in het bestreden besluit vermeld dat eiser naar analogie met artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) gedurende een half jaar na uitreiking van het bestreden besluit niet wordt uitgezet. Eiser heeft op 12 maart 2015 beroep tegen het bestreden besluit ingesteld. Van verweerder is op 30 juni 2015 een verweerschrift met bijlage ontvangen. Op 1 juli 2015 heeft de rechtbank partijen telefonisch verzocht zich uiterlijk ter zitting uit te laten over de ontvankelijkheid van het beroep. Daarop is op 1 juli 2015 een reactie van verweerder ontvangen. De behandeling van het beroep ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juli

  1. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens waren ter zitting aanwezig A. Yahye, tolk in de Somalische taal, en [naam 2] als begeleider van eiser. Ter zitting is het onderzoek gesloten. Overwegingen
  2. De rechtbank doet na afloop van het onderzoek ter zitting onmiddellijk mondeling uitspraak. Die uitspraak luidt als volgt.
  3. Niet in geschil is dat het bestreden besluit op 9 februari 2015 op de juiste wijze bekend is gemaakt door toezending aan de gemachtigde van eiser en op die datum door haar is ontvangen. Dat betekent dat binnen vier weken na deze datum, derhalve vóór 9 maart 2015, beroep dient te worden ingesteld.
  4. Vaststaat dat op 12 maart 2015 - en derhalve te laat - beroep is ingesteld. Niet is gebleken dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Het beroep zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.
  5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. P.M. van Dijk-de Keuning, rechter, in aanwezigheid van mr. A.E. Paulus, griffier, op 2 juli
  6. Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending van dit proces-verbaal hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.