← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2015:847

Rechtbank DEN HAAG Strafrecht Meervoudige strafkamer Parketnummer: 09/127501-13 Datum uitspraak: 28 januari 2015 Tegenspraak (Promis vonnis) De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de door de politierechter naar de meervoudige strafkamer verwezen zaak van de officier van justitie tegen de verdachte: [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1978 te [geboorteplaats], BRP-adres: [adres 1]. 1Het onderzoek ter terechtzitting Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 14 januari 2015. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.J. Mos en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. J.M. van der Linden, advocaat te Waddinxveen, en door de verdachte naar voren is gebracht. 2De tenlastelegging Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting - ten laste gelegd dat: primair: hij op of omstreeks 31 december 2012 te Leimuiden, gemeente Kaag en Braassem, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door een vuurwerkbom af te steken, terwijl daarvan gemeen gevaar voor de (voor)deur van de woning aan de [adres 2] en/of de ruit van de (voor)deur van de woning aan de [adres 2] en/of in die woning aanwezige goederen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de perso(o)n(

  1. en)aanwezig in de woning aan de [adres 2], in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was; subsidiair: [medeverdachte] op of omstreeks 31 december 2012 te Leimuiden, gemeente Kaag en Braassem opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door een vuurwerkbom af te steken, terwijl daarvan gemeen gevaar voor de (voor)deur van de woning aan de [adres 2] en/of de ruit van de (voor)deur van de woning aan de [adres 2] en/of in die woning aanwezige goederen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de perso(o)n(
  2. en)aanwezig in de woning aan de [adres 2], in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was, tot het plegen van welk misdrijf, hij verdachte op of omstreeks 31 december 2012 te Leimuiden, gemeente Kaag en Braasem opzettelijk middelen (te weten een spuitbus aanstekergas en/of tape en/of papier) heeft verschaft; meer subsidiair: hij op of omstreeks 31 december 2012 te Leimuiden, gemeente Kaag en Braassem met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, [adres 2], in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen (de ruit van de voordeur van) perceel [adres 2], welk geweld bestond uit het afsteken van een vuurwerkbom in de nabijheid van dat perceel; nog meer subsidiair: hij op of omstreeks 31 december 2012 te Leimuiden, gemeente Kaag en Braassem tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk de voordeur van de woning gelegen aan de [adres 2] en/of de ruit van de (voor)deur van de woning gelegen aan de [adres 2], in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt, door een vuurwerkbom in de nabijheid van die woning af te steken; (Artikel 350 wetboek van strafrecht) meest subsidiair: [medeverdachte] op of omstreeks 31 december 2012 te Leimuiden, gemeente Kaag en Braassem opzettelijk en wederrechtelijk de (voor)deur van de woning gelegen aan de [adres 2] en/of de ruit van de (voor)deur van de woning gelegen aan de [adres 2], in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde], in elk geval aan een ander of anderen dan aan die [medeverdachte] en/of verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt, door een vuurwerkbom in de nabijheid van die woning af te steken tot het plegen van welk misdrijf, hij verdachte op of omstreeks 31 december 2012 te Leimuiden, gemeente Kaag en Braasem opzettelijk middelen (te weten een spuitbus aanstekergas en/of tape en/of papier) heeft verschaft. 3. Bewijsoverwegingen 3.1 Inleiding Op Oudjaarsavond, 31 december 2012, werd het raam in de voordeur van de woning aan de [adres 2] te Leimuiden vernield. Een zelfgemaakte constructie met daarin vuurwerk is op de rijbaan voor de woning tot ontploffing gebracht. Hierdoor ontstond een gat in de ruit van de voordeur en lagen er glasscherven buiten voor de voordeur, binnen in de hal achter de voordeur, op de trap en ook op de overloop van de eerste verdieping. 3.2 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank het primair ten laste gelegde, met uitzondering van het te duchten levensgevaar, bewezen zal verklaren. 3.3 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte integraal dient te worden vrijgesproken, omdat verdachte geen opzet had op de verweten gedraging, die is uitgevoerd door de medeverdachte en daarbij op een plek die niet met verdachte was afgesproken. Daarbij merkt de raadsman op dat niet duidelijk is of er sprake was van een vuurwerkbom, zoals is tenlastegelegd, nu er geen deskundige op dat gebied is ingeschakeld. Er heeft dus ook geen deskundige gekeken naar het gevaar dat had kunnen ontstaan door de bom, dus er valt louter te speculeren over de effecten daarvan. 3.4 De beoordeling van de tenlastelegging Maken van de telefoonboekbom Verdachte heeft ter terechtzitting bekend dat hij op 31 december 2012 samen met [medeverdachte] een zogenaamde “telefoonboekbom” in elkaar heeft gezet. Deze bestond uit, blijkens hun uitleg, een eigengemaakte constructie met onder meer vuurwerk daarin, hetgeen de rechtbank zonder verder onderzoek en anders dan de raadsman schaart onder het begrip vuurwerkbom, zoals in de tenlastelegging genoemd. Het was de tweede bom die zij die dag samen in elkaar hadden gezet, de eerste bom hadden zij al afgestoken. Verdachte stopte in deze tweede “bom” ook nog een spuitbus met vloeibaar gas (bestemd voor het vullen van aanstekers) - volgens hem bijna leeg - omdat hij dacht dat dat een leuk effect en hardere knal zou geven. De “bom” is vervolgens op de rijbaan, ongeveer 10 meter van de woning aan de [adres 2], afgestoken door [medeverdachte]. Opzet op afsteken Het plan was om deze tot ontploffing te brengen in de buurt. Het verweer dat verdachte niet zou hebben geweten óf zij de bom wel daadwerkelijk zouden gaan afsteken, acht de rechtbank niet aannemelijk. Verdachte en medeverdachte waren met vrienden al de hele dag vuurwerk aan het afsteken en hadden hun eerste vuurwerkbom reeds afgestoken. Verdachte heeft bovendien verklaard dat hij tegelijk met de medeverdachte naar buiten liep om de vuurwerkbom af te steken. Dat het verdachte op dat moment niet duidelijk was wanneer de bom precies zou worden aangestoken, doet niet af aan de omstandigheid dat het wel de bedoeling van verdachte was om de bom op enig moment die avond af te steken. Opzet op afsteken op die locatie Terwijl [medeverdachte] de vuurwerkbom op de rijbaan plaatste, werd er door anderen gevraagd of die plek wel een goed idee was. Ook verdachte stond toen buiten, zodat hem naar het oordeel van de rechtbank niet ontgaan kan zijn dat [medeverdachte] de bom, die ze net samen gemaakt hadden, op de bewuste plek wilde afsteken en evenmin dat anderen [medeverdachte] (al dan niet direct) wezen op het gevaar van de plaats waar deze de bom wilde afsteken. Hieruit volgt dat het plaatsen van de vuurwerkbom op de rijbaan niet een zodanige impulsieve actie is geweest als zowel verdachte als zijn medeverdachte hebben willen doen voorkomen en dat ook verdachte betrokken was bij het moment van afsteken, zodat de conclusie luidt dat zij nauw en bewust hebben samengewerkt bij het tot ontploffing brengen van de vuurwerkbom. Gevaarzetting Het afsteken van een dergelijke vuurwerkbom in een woonwijk, en in dit geval op 10 meter afstand van de voordeur van een huis, brengt, uit de aard der zaak, al snel gevaar voor goederen met zich. Het mag immers als feit van algemene bekendheid worden beschouwd dat een dergelijke combinatie - op zich al onvoorspelbaar want niet getest - mogelijk explosiever is en een grotere ontploffing te weeg kan brengen dan een enkel stuk vuurwerk. Nu de vuurwerkbom ook nog vlakbij een woning tot ontploffing werd gebracht, waar mensen op de begane grond aanwezig waren - bovendien blijkt uit het dossier dat een persoon kort voor het incident in de hal vlak achter de voordeur is geweest - was er naar algemene ervaringsregels een voorzienbare kans dat er schade zou ontstaan aan het huis en dat rondvliegende delen van de woning (zoals glas van de ruit van de voordeur) zwaar lichamelijk letsel zouden kunnen opleveren aan de mensen in de woning. Uit het feit dat er glassplinters zijn teruggevonden op de overloop op de eerste verdieping van de woning, blijkt dat de vuurwerkbom een behoorlijke kracht had. Voor het aannemen van een voorzienbare kans op levensgevaar bevat het dossier onvoldoende concrete aanknopingspunten. 3.5 De bewezenverklaring De rechtbank verklaart het primair ten laste gelegde bewezen, te weten dat: hij op 31 december 2012 te Leimuiden, gemeente Kaag en Braassem tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door een vuurwerkbom af te steken, terwijl daarvan gemeen gevaar voor de voordeur en de ruit van de voordeur van de woning aan de [adres 2] en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de perso(o)n(
  3. en)aanwezig in de woning aan de [adres 2], te duchten was. 4De strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op: medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is. 5De strafbaarheid van de verdachte De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten. 6De strafoplegging 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft een werkstraf voor de duur van 240 uur subsidiair 120 dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden met een proeftijd van twee jaar geëist. 6.2 Het standpunt van de verdediging Indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, wijst de raadsman op een tweetal uitspraken waarin voor veel ernstigere feiten lagere straffen zijn opgelegd dan nu door de officier van justitie geëist. Verdachte is erg geschrokken van het voorval en is er erg mee bezig. De raadsman verzoekt een lagere werkstraf op te leggen en acht, mede gelet op het tijdsverloop, een voorwaardelijke straf niet noodzakelijk. 6.3 Het oordeel van de rechtbank Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking. Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan het teweeg brengen van een ontploffing waardoor een ruit van een voordeur is beschadigd en er gevaar voor zwaar lichamelijk letsel ontstond voor de aanwezigen in de woning. Dit is een ernstig feit. Niet alleen is aangeefster blijkens de door haar ingediende vordering ernstig geschrokken, zij heeft nog langere tijd last gehad van angstgevoelens. Ook haar 86-jarige moeder die in die woning aanwezig was, is zeer geschrokken. Daarnaast veroorzaakt dit soort feiten angst en onrust in de samenleving en zorgt het ervoor dat Oud & Nieuw voor veel mensen geen plezierige belevenis is. De rechtbank weegt in het voordeel van verdachte mee dat verdachte het door hem gepleegde strafbare feit (uiteindelijk) heeft toegegeven en ook verder zijn volledige medewerking aan het onderzoek heeft verleend. Verdachte heeft ook aangeboden de totale schade te betalen en heeft naar zijn zeggen geprobeerd excuses te maken aan de bewoners van de woning. Ter zitting is gebleken dat verdachte zijn handelen erg kwalijk vindt, hier spijt van heeft en de last nog met zich meedraagt. Hij heeft verklaard in het geheel geen vuurwerk meer af te steken en geen plezier meer te beleven aan Oud & Nieuw. De rechtbank heeft kennis genomen van het strafblad van verdachte van 16 december 2014, waaruit blijkt dat verdachte sindsdien niet schuldig heeft gemaakt aan nieuwe strafbare feiten. De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat die straf, rekening houdende met het tijdsverloop, de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt. De rechtbank zal geen voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen omdat er inmiddels ruim twee jaar is verstreken, in welke periode verdachte niet opnieuw met justitie in aanraking is geweest. Derhalve is niet gebleken dat verdachte een stok achter de deur nodig heeft om zich ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. 7De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel 7.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van 719,43 euro, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. 7.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft verzocht om afwijzing van de vordering van de benadeelde partij, gelet op zijn pleidooi tot vrijspraak. Indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, verzoekt de raadsman een gematigd bedrag toe te wijzen. 7.3 Het oordeel van de rechtbank [benadeelde] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot 719,43 euro. De vordering met betrekking tot de reiskosten is voldoende onderbouwd door de benadeelde partij en de rechtbank zal deze vordering derhalve toewijzen tot een bedrag van 19,43 euro. Ter zake van de gevorderde immateriële schade zal de rechtbank naar billijkheid een bedrag van 300 euro toewijzen. De rechtbank zal derhalve de vordering hoofdelijk toewijzen tot een bedrag van 319,43 euro, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 31 december 2012 tot aan de dag der algehele voldoening. Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken. De schadevergoedingsmaatregel Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot 319,43 euro ten behoeve van het slachtoffer genaamd [benadeelde]. 8De toepasselijke wetsartikelen De op te leggen straf is gegrond op de artikelen: - 36f, 47 en 157 van het Wetboek van Strafrecht; Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde. 9De beslissing De rechtbank: verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het primair tenlastegelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt: medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is; verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar; verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij; veroordeelt de verdachte tot: een werkstraf voor de duur van 80 (TACHTIG) uur; beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 40 (VEERTIG) DAGEN; wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] gedeeltelijk hoofdelijk toe en veroordeelt verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [benadeelde] een bedrag van 319,43 euro, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 31 december 2012 tot aan de dag der algehele voldoening; met bepaling dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door zijn mededader aan de benadeelde partij, dan wel bij gehele of gedeeltelijke voldoening van de, aan de mededader opgelegde, verplichting tot betaling aan de Staat, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag; veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken; wijst de vordering voor het overige af; legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot 319,43 euro te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 31 december 12 tot aan de dag der algehele voldoening ten behoeve van het slachtoffer genaamd [benadeelde]; bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 6 dagen; bepaalt dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen. Dit vonnis is gewezen door mr. J.B. Wijnholt, voorzitter, mr. H.N. Pabbruwe, rechter, mr. R.G.C. Veneman, rechter, in tegenwoordigheid van mr. A.D. van Zeeland, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 28 januari 2015. Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1631 2012193145, van de regiopolitie Hollands Midden, met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 52). Proces-verbaal van aangifte, p. 9; Proces-verbaal van aangifte, p. 12. Proces-verbaal van de terechtzitting d.d. 14 januari 2015, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte. Proces-verbaal van de terechtzitting d.d. 14 januari 2015, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte. Proces-verbaal van de terechtzitting d.d. 14 januari 2015, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte; proces-verbaal van bevindingen, p. 33; verklaring van medeverdachte [medeverdachte], p. 28. Proces-verbaal van de terechtzitting d.d. 14 januari 2015, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte. Proces-verbaal van getuige [getuige], p. 19. Proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 28 maart 2013, p. 23 en ook verklaring verdachte ter terechtzitting. Proces-verbaal van relaas, p. 4; proces-verbaal van bevindingen, p. 32, 33.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.