RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch Bestuursrecht zaaknummer: AWB 15/10540 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 juli 2015 in de zaak tussen [eiser] , geboren op [geboortedag] 1996, van Iraakse nationaliteit, eiser, (gemachtigde: mr. P.J.J.A. Hendriks), en de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, te Den Haag, verweerder, (gemachtigde mr. J.H.M. Post). Procesverloop Eiser heeft op 21 november 2013 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de zin van artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Verweerder heeft deze aanvraag bij besluit gedateerd op 11 september 2014, bekend gemaakt aan eiser op 10 september 2014, afgewezen. Tegen dit besluit heeft eiser op 22 september 2014 beroep ingesteld. Nadat verweerder bij brief van 21 oktober 2014 het besluit van 10 september 2014 heeft ingetrokken, heeft eiser op 27 oktober 2014 voormeld beroep ingetrokken. Bij beroepschrift van 28 mei 2015 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag. Partijen hebben op 15 en 16 juli 2015 toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zodat het onderzoek ter zitting achterwege is gebleven. Daarop heeft de rechtbank op 16 juli 2015 het onderzoek gesloten omdat zij zich voldoende voorgelicht acht. Overwegingen 1. De rechtbank ziet zich eerst voor de, ambtshalve te beantwoorden, vraag gesteld of eiser in het beroep kan worden ontvangen. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt. 2. Ingevolge artikel 42, eerste lid, Vw 2000 wordt binnen zes maanden een beschikking gegeven op de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Op grond van artikel 6:2 Awb wordt, voor zover hier van belang, voor de toepassing van wettelijke voorschriften over beroep met een besluit gelijkgesteld het niet tijdig nemen van een besluit. Ingevolge artikel 6:12, tweede lid, Awb kan, voor zover van belang, het beroepschrift worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is. 3. Bij brief van 4 november 2014 heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat op 16 oktober 2014 op grond van artikel 43 Vw 2000 is besloten om een besluitmoratorium in stellen voor asielaanvragen van personen afkomstig uit de provincies Bagdad, Anbar, Ninewa, Salahedin, Ta'mim, Diyala en Babil in Irak. Eiser is afkomstig uit Mosul in de provincie Ninewa. Op grond van artikel 43 Vw 2000 wordt de beslistermijn verlengd met maximaal één jaar, zodat de wettelijke termijn voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser volgens verweerder eindigt op 21 juli 2015. 4. Namens eiser is bij brief van 4 maart 2015 aangevoerd dat naar zijn mening een beslissing mogelijk is omdat hij heeft ervaren dat nieuw aangekomen Yezidi's uit de omgeving van Mosul, waaronder enkele van zijn familieleden in een wat verder verband, aanstonds een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000 krijgen. Nu het oorspronkelijke asielrelaas van eiser neerkomt op dat zijn familie rechtstreeks is belaagd door terroristische elementen, gezien tegen de achtergronden van de opmars van IS (Islamitische Staat, voorheen: ISIS (Islamitische Staat van Irak en Syrië)) en hun extremistische godsdienstige opvattingen, zou naar zijn mening aan hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000 verleend dienen te worden en niet gewacht dienen te worden tot het moment waarop het besluitmoratorium afloopt. Dit mede in verband met het feit dat nu reeds te voorzien valt dat te zijner tijd de situatie in Irak nog onverminderd slecht zal zijn en in het bijzonder Yezidi's nog op vervolging moeten rekenen in Mosul, aldus eiser. 5. Hierop heeft verweerder bij brief van 13 maart 2015 gereageerd en aan eiser medegedeeld dat als gevolg van de intrekking van het besluit van 10 september 2014 vanwege nieuw feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 83 Vw 2000 – de instelling van een besluitmoratorium valt hieronder – de termijn van zes maanden voor de behandeling van de asielaanvraag opnieuw aanvangt, zodat als gevolg van de intrekking van het besluit voor 21 april 2015 dient te worden beslist. Echter, op grond van artikel 43 Vw 2000 wordt deze termijn verlengd met maximaal één jaar. Volgens verweerder betekent dit dat de wettelijke termijn voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser op 21 april 2016 eindigt. Tot slot geeft verweerder aan dat de brief van 4 november 2014 hiermee komt te vervallen. 6. Eiser heeft verweerder bij faxbericht van 24 april 2015 te kennen gegeven dat hij reeds anderhalf jaar in Nederland is en als Yezidi werd belaagd door extremistische moslims die bezwaar hebben tegen hun levenswijze, welk beeld van vervolging past bij de brute wijze van vervolging waaraan IS zich thans in Irak schuldig maakt. Naar de mening van eiser kan – gelet op de gehoren en zijn familiebanden – in redelijkheid niet worden betwist dat hij Yezidi is, zodat er ongeacht het besluitmoratorium voldoende aanleiding bestaat om hem thans een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verstrekken. Volgens eiser zijn de ontwikkelingen rondom IS niet zozeer een nieuwe ontwikkeling maar veeleer een omstandigheid waar hij en zijn familie reeds slachtoffer van waren geworden. In verband hiermee verzoekt eiser dat verweerder binnen een periode van een maand alsnog beslist op zijn asielaanvraag. Immers, in het beleid is de mogelijkheid gecreëerd dat in duidelijke zaken ongeacht het besluitmoratorium wel een inwilligende beslissing kan worden genomen. Eiser stelt zich op het standpunt dat dat in zijn geval aan de orde is. Op 28 mei 2015 heeft eiser beroep ingesteld tegen het weigeren te beslissen binnen de beslistermijn. 7. Hoewel aan de inhoud van de ingebrekestelling geen specifieke wettelijke eisen worden gesteld, kan van een ingebrekestelling in de zin van de wet slechts sprake zijn, indien voldoende duidelijk is op welk te nemen besluit zij betrekking heeft (Kamerstukken II, 2005-2006, 30 435, nr. 3, p. 17). Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling), onder andere de uitspraken van 25 juli 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX2554) en 5 december 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BY5083) volgt dat dan ook van de ingebrekestelling mag worden verlangd dat deze specificeert op welke te nemen beschikking zij ziet en dat zonder die specificatie de ingebrekestelling niet rechtsgeldig is. 8. Met betrekking tot het ingevolge artikel 6:12, tweede lid, Awb ingestelde beroep constateert de rechtbank dat eiser verweerder bij faxbericht van 24 april 2015 schriftelijk heeft medegedeeld dat hij in gebreke is. Daarbij is voldoende duidelijk gespecificeerd op welk te nemen besluit de ingebrekestelling ziet, namelijk het besluit op de aanvraag van eiser om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd van 21 november 2013. Voorts constateert de rechtbank dat na de ingebrekestelling twee weken zijn verstreken alvorens namens eiser op 28 mei 2015 het beroepschrift is ingediend. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder door eiser rechtsgeldig in gebreke gesteld. 9. Wat partijen verdeeld houdt is of de beslistermijn is verstreken en verweerder in dit geval niet op tijd op de asielaanvraag van eiser heeft beslist. Eiser stelt zich in dit verband op het standpunt dat in zijn zaak de beslistermijn, verlengd met een half jaar in verband met het besluitmoratorium, op 21 april 2015 is verstreken. Na zijn asielaanvraag is op dat moment in totaal ook een termijn van anderhalf jaar verstreken zoal bedoeld in artikel 43 Vw 2000, aldus eiser. Daarnaast stelt eiser zich op het standpunt dat de verlenging van het besluitmoratorium aan een beslissing op zijn aanvraag niet in de weg kan staan. Immers, ten aanzien van Irak en zeker ten aanzien van Yezidi's, de bevolkingsgroep waartoe hij wordt gerekend, kan niet meer worden gesproken van een korte periode van onzekerheid. Dat Yezidi's in Irak vervolgd worden in het gebied dat door IS wordt beheerst is inmiddels een zekerheid, zodat in redelijkheid ook niet verwacht kan worden dat de situatie in het land van herkomst van korte duur zal blijven. Eiser kan zich niet verenigen met de mededeling van verweerder bij brief van 13 maart 2015 dat de beslistermijn opnieuw zou zijn begonnen op de datum van de intrekking van het beroep, omdat deze termijn niet berust op de wet. Ter onderbouwing dat Yezidi's in Irak worden vervolgd verwijst eiser naar het rapport van de United Nations High Commissioner for Refugees (hierna: de UNHCR): "UNHCR position on returns to Iraq" van oktober 2014. Ook wijst eiser op de brief van voormalig staatssecretaris van Veiligheid en Justitie Teeven op Kamervragen van de ChristenUnie en PvdA, waarin is bevestigd dat op de aanvragen van kwetsbare groepen beslist konden worden. Naar de mening van eiser is dat in zijn zaak ten onrechte achterwege gebleven. 10. Gebleken is dat verweerder het besluit van 10 september 2014 op voormelde aanvraag bij brief van 21 oktober 2014 heeft ingetrokken omdat op 16 oktober 2014 op grond van artikel 43 Vw 2000 is besloten tot het instellen van een besluitmoratorium voor asielzoekers uit Ninewa, zoals eiser. Uit bovengenoemde brief van de voormalige staatssecretaris van Veiligheid en Justitie Teeven (Tweede Kamer, vergaderjaar 2014-2015, nr. 673), gepubliceerd op 27 november 2014, blijkt dat het instellen van het besluitmoratorium de mogelijkheid geeft om beslissingen op asielzaken aan te houden, maar dat hieruit geen verplichtingen volgt. Verder geeft verweerder aan dat in zaken waarin, zonder nader onderzoek en ongeacht de recente ontwikkelingen vanwege de opkomst van IS, duidelijk is dat de betrokken asielzoeker het individuele risico loopt op vervolging of een onmenselijke behandeling in de zin van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), een asielvergunning kan worden verstrekt en dat daarom de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) is gevraagd om zaken van Yezidi's op hun merites te beoordelen. Daarbij geeft verweerder aan dat in zaken van vreemdelingen die geloofwaardig hebben gemaakt dat zij tot een kwetsbare minderheidsgroep behoren en hun individuele vrees voldoende hebben onderbouwd een positieve beslissing kan worden genomen. Volledigheidshalve merkt verweerder wel op dat de verhoogde asielinstroom kan betekenen dat deze zaken later worden behandeld dan normaal. 11. Gelet hierop heeft de rechtbank bij brief van 30 juni 2015 verweerder de vraag gesteld of eiser geloofwaardig heeft gemaakt dat hij tot de kwetsbare minderheidsgroep Yezidi's behoort en hij zijn individuele vrees voldoende heeft onderbouwd en zo ja, wanneer – met in achtneming van hetgeen verweerder aan de IND heeft gevraagd in een dergelijk geval – een positief besluit kan worden genomen. 12. Verweerder heeft zich desgevraagd bij faxbericht van 6 juli 2015 op het standpunt gesteld dat hij niet in gebreke is om een besluit te nemen en concludeert tot niet‑ontvankelijkverklaring van het beroep. 13. Niet in geschil is dat, anders dan het geval was in de door verweerder aangehaalde uitspraken van de Afdeling van 12 januari 2004 (JV 2004/81) en van 22 april 2004 (JV 2004/255), geen sprake is van een besluit dat is genomen voor de afkondiging van het besluitmoratorium en dat met toepassing van artikel 6:19 Awb bij de beoordeling van het beroep kan worden betrokken. Immers, naar aanleiding van het ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken over de veiligheidssituatie in Irak van 19 september 2014 wordt als gevolg van de aanzienlijk verslechterde veiligheidssituatie in delen van Irak, en de omstandigheid dat de situatie instabiel en onduidelijk is door verweerder bij WBV 2014/31 van 10 oktober 2014 een besluitmoratorium ingesteld, gepubliceerd op 16 oktober 2014, voor de duur van zes maanden, voor vreemdelingen afkomstig uit de provincie Bagdad, Anbar, Ninewa, Salahedin, Ta'mim, Diyala en Babil in Irak. Vervolgens heeft verweerder bij Besluit van 29 april 2015 (nr. 639857), gepubliceerd op 13 mei 2015, besloten tot verlenging van het besluitmoratorium voor Iraakse vreemdelingen afkomstig uit voormelde provincies, met terugwerkende kracht tot en met 17 april 2015, voor de duur van zes maanden. Volgens verweerder is enkel sprake van een beroep niet‑tijdig beslissen, hetgeen door eiser niet wordt bestreden nu bij brief van 10 juni 2015 expliciet is aangegeven dat het een beroepschrift weigeren te beslissen binnen de beslistermijn betreft. 14. Eiser voert aan dat de beslistermijn op zijn asielaanvraag op 21 april 2015 is verstreken. Deze beroepsgrond slaagt niet. Bij voormelde uitspraak van 22 april 2004 heeft de Afdeling in rechtsoverweging 2.1.1. overwogen, zoals ook door verweerder wordt aangehaald, dat in gevallen, waarin het besluit wordt vernietigd, niet omdat het niet aldus genomen had mogen worden, maar omdat wegens de op de voet van artikel 83 Vw 2000 in het geding betrokken nova de feitelijke grondslag er aan is komen te ontvallen, er van moet worden uitgegaan dat na vernietiging van het besluit opnieuw de beslistermijn aanvangt die op de aanvraag van toepassing is, daarin begrepen de verlenging daarvan door een ten tijde van de vernietiging geldend besluitmoratorium. Dit is ook het geval indien verweerder in gevallen van op de voet van artikel 83 Vw 2000 in rechte ingeroepen feiten of omstandigheden tot intrekking van het besluit op een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel te verlenen overgaat als gevolg van een ingesteld besluitmoratorium. In het geval van eiser is – na de inwerkingtreding van het besluitmoratorium voor vreemdelingen afkomstig uit de provincie Ninewa in Irak op 17 oktober 2015 ) – het besluit van 10 september 2014 bij brief van verweerder van 21 oktober 2014 ingetrokken, waarna de beslistermijn opnieuw is aangevangen op laatstgenoemde datum. Het tijdstip van belang is dus de datum van de intrekking. De uiterste termijn waarin verweerder in het geval van eiser dient te beslissen, verloopt met inachtneming van artikel 42, eerste lid, Vw 2000 juncto artikel 43 Vw 2000 daarom na zes maanden en één jaar op 21 april 2016. 15. De rechtbank stelt vast dat het beroepschrift in zoverre voortijdig is ingediend, nu ten tijde van het indienen van het beroepschrift de uiterste beslistermijn voor het nemen van een besluit nog niet was verstreken. Het beroep van eiser zou daarom niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard. Echter, in het beleid (WBV 2014/31, thans: paragraaf C7/13 van de Vreemdelingencirculaire 2000, Vc 2000, gelezen in samenhang met het op 27 november 2014 gepubliceerde antwoord van verweerder op voormelde Kamervragen) is de mogelijkheid gecreëerd dat in duidelijke zaken van Lesbiennes, Homo-, Biseksuelen en Transgenders (LHBT'
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.