← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2015:8853

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummers: AWB 15/6196, 15/6199, 15/6201 (voorlopige voorzieningen) uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 april 2015 in de zaak tussen [verzoekster 1] , geboren op [geboortedatum 1] , verzoekster 1, [verzoekster 2] , geboren op [geboortedatum 2] , verzoekster 2, [verzoekster 3] , geboren op [geboortedatum 3] , verzoekster 3, allen van Chinese nationaliteit, hierna gezamenlijk: verzoeksters, (gemachtigde: mr. W. de Kleine, advocaat te Emmen), en de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder. Procesverloop Bij afzonderlijke besluiten van 20 maart 2015 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de aanvragen van verzoeksters tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen. Verzoeksters hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Zij verzoeken verweerder te verbieden hen uit te zetten tot vier weken nadat de rechtbank op de beroepen heeft beslist. Omdat onverwijlde spoed dat vereist, is een zitting achterwege gebleven. Overwegingen Indien tegen een besluit beroep bij de rechtbank is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Bij faxberichten van 15 april 2015 hebben verzoeksters meegedeeld dat het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (Coa) voornemens is om hen op 18 april 2015 uit te zetten uit de opvang. Verzoeksters dreigen uit de opvang te worden verwijderd voordat hun verzoeken ter zitting zullen worden behandeld. De behandeling van de zaken is geagendeerd op 23 april

  1. Verweerder heeft telefonisch meegedeeld niet bereid te zijn aan verzoeksters opvang te verlenen tot de zitting van 23 april
  2. De voorzieningenrechter stelt vast dat één van de rechtsgevolgen van de bekendmaking van de bestreden besluiten van 20 maart 2015 is dat het recht op opvang van verzoeksters eindigt op 17 april 2015, ingevolge artikel 7 eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (Rva), in samenhang met de artikelen 45 en 62 Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Voorts stelt de voorzieningenrechter vast dat de mondelinge behandeling van verzoeksters verzoeken tot het treffen van een voorlopige voorziening pas zal plaatsvinden op 23 april 2015, dus niet voor het verstrijken van voornoemde vertrektermijn van vier weken, uitsluitend als gevolg van de volle zittingsagenda van de rechtbank. Een beslissing op het verzoek zal dus ook pas na de datum van de geplande zitting van 23 april 2015 volgen.
  3. Behoudens een te treffen ordemaatregel, zou de opvang van verzoeksters dus eindigen voordat op de verzoeken tot het treffen van een voorlopige voorziening is beslist. Verzoeksters hebben er daarom belang bij dat bij rechterlijke beslissing wordt bepaald dat zij - voorshands - in Nederland de beslissing op hun beroep mogen afwachten, opdat hun opvang – gelet op art. 8, aanhef en onder h Vw – niet op grond van de genoemde bepaling van het Rva eindigt zolang nog niet op hun verzoeken is beslist. Onder de gegeven omstandigheden, die niet voor rekening en risico van verzoeksters behoren te komen, dient naar het oordeel van de voorzieningenrechter het belang van verzoeksters bij continuering van hun opvang te prevaleren boven het belang van verweerder.
  4. Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter aanleiding om met toepassing van artikel 8:83, vierde lid, van de Awb een ordemaatregel te treffen, inhoudende dat uitzetting van verzoeksters wordt verboden tot op de verzoeken om een voorlopige voorziening is beslist. Op basis van die voorziening zal de opvang van verzoeksters dan kunnen worden voortgezet.
  5. De voorzieningenrechter zal iedere verdere beslissing aanhouden. Beslissing De voorzieningenrechter: - verbiedt verweerder verzoeksters uit Nederland te verwijderen tot uitspraak is gedaan op de verzoeken om een voorlopige voorziening met zaaknummers AWB 15/6196, 15/6199, 15/
  6. - houdt iedere verdere beslissing aan. Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.S. de Groot, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E.P. van der Zalm, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 april
  7. griffier voorzieningenrechter Afschrift verzonden aan partijen op: Coll: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.