Rechtbank DEN HAAG Meervoudige kamer Rekestnummers: FA RK 15-2695 (voorlopige voorziening) en FA RK 15-4032 (wijziging voorlopige voorziening) Zaaknummers: C/09/486459 (voorlopige voorziening) en C/09/489454 (wijziging voorlopige voorziening) Datum beschikking: 29 juli 2015 Voorlopige voorzieningen Beschikking op het op 8 april 2015 ingekomen verzoek strekkende tot vaststelling van voorlopige voorzieningen van: [man 1] de man, wonende te [woonplaats], advocaat: mr. M.A. Neermawatie Nandoe te Rijswijk, in welke zaak als belanghebbende wordt aangemerkt: [vrouw 1] de vrouw, verblijvende te [woonplaats], advocaat: mr. M.A. de Boer te Utrecht, en op het op 28 mei 2015 ingekomen verzoek strekkende tot wijziging van voorlopige voorzieningen van: [vrouw 1], de vrouw, verblijvende te [woonplaats], advocaat: mr. M.A. de Boer te Utrecht, in welke zaak als belanghebbende wordt aangemerkt: [man 2], de man, wonende te [woonplaats] advocaat: mr. M.A. Neermawatie Nandoe te Rijswijk. Procedure Voorlopige voorziening (kenmerk C/09/486459 FA RK 15-2695) Bij beschikking van deze rechtbank van 1 mei 2015 (uitgewerkt bij beschikking van 12 mei 2015) heeft de rechtbank voorlopige voorzieningen bepaald ten aanzien van het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning, de toevertrouwing van de minderjarige en de voorlopige zorgregeling. Tevens heeft de rechtbank een onderzoek gelast door de Raad voor de Kinderbescherming(hierna: de raad) met het verzoek advies en rapport uit te brengen in de echtscheidingszaak en de verhuizingszaak en is iedere verdere beslissing ter zake de alimentatie aangehouden. De rechtbank heeft nadien geen nieuwe stukken ontvangen. Verzoek om wijziging van de voorlopige voorziening ( kenmerk C/09/489454 FA RK 15-4032) De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken waaronder: - het verzoekschrift; - het verweerschrift. De vrouw verzoekt voormelde beschikkingen te wijzigen in die zin dat de rechtbank thans: - het minderjarige kind van partijen (voorlopig) aan de vrouw in [woonplaats] toevertrouwt, een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. De vrouw doet haar verzoek steunen op de stelling dat de omstandigheden na de dagtekening van de beschikking zijn gewijzigd. De man voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Tevens verzoekt de man zelfstandig om voormelde beschikking te wijzigen in die zin dat de rechtbank thans primair: - bepaalt dat het minderjarige kind van partijen haar verblijfplaats bij de man zal hebben, althans aan hem (voorlopig) wordt toevertrouwd; - een voorlopige regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken ten aanzien van het minderjarige kind van partijen vaststelt; en subsidiair: - gelast dat de vrouw weer met de minderjarige aan de [straat] te [woonplaats] gaat wonen en ook niet mag verhuizen buiten de regio [stad], op straffe van een te verbeuren dwangsom van € 500,-- per gebeurtenis; - een voorlopige regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken ten aanzien van het minderjarige kind van partijen vaststelt, een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens. De vrouw voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Op 1 juli 2015 zijn de onderhavige zaken ter terechtzitting van deze rechtbank gelijktijdig met de zaak (kenmerk C/09/487452 FA RK 15-3143) waarin vervangende toestemming voor een verhuizing naar [stad] is verzocht, behandeld. Op de verhuizingszaak zal heden bij afzonderlijke beschikking worden beslist. Ter terechtzitting zijn verschenen: beide partijen met hun advocaten. Tevens was aanwezig mevrouw [naam], namens de Raad voor de Kinderbescherming. Na de terechtzitting heeft de rechtbank ontvangen: - de brief d.d. 3 juli 2015 van de zijde van de man. Feiten Bij beschikking van deze rechtbank d.d. 1 mei 2015 (uitgewerkt bij beschikking d.d. 12 mei 2012) is – voor zover hier aan de orde –: - bepaald dat de vrouw gerechtigd is tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning te [stad], [straat], met het bevel dat de man die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden; - bepaald dat het minderjarige kind van partijen (voorlopig) aan de vrouw zal worden toevertrouwd; - bepaald dat de man voorlopig gerechtigd is om de minderjarige bij zich te hebben iedere zaterdag van 10:00 uur tot 17:00 uur, waarbij de man de minderjarige ophaalt en terugbrengt bij de vrouw; - de Raad voor de Kinderbescherming gelast om met spoed een onderzoek te verrichten en daarover zowel in de verhuizingszaak (kenmerk C/09/487452 FA RK 15-3143) als de echtscheidingszaak te rapporteren en advies uit te brengen ten aanzien van de vraag welke regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en welke hoofdverblijfplaats – zowel in het kader van de verhuizingszaak als de hoofdzaak in het belang van de minderjarige is te achten; - iedere verdere beslissing ten aanzien van de alimentatie en de proceskosten aangehouden. Verzoek om wijziging van de voorlopige voorziening ( kenmerk C/09/489454 FA RK 15-4032) De toevertrouwing van de minderjarige De rechtbank stelt voorop dat de minderjarige bij wege van voorlopige voorziening is toevertrouwd aan de vrouw die op dat moment nog in de echtelijke woning woonde. Blijkens de beschikking d.d. 12 mei 2015 werd het in het belang van de minderjarige geacht dat zij in de voor haar bekende woonomgeving aan de [straat] te [stad] kon blijven wonen. Inmiddels is de situatie zodanig gewijzigd dat de vrouw naar het oordeel van de rechtbank genoodzaakt is geweest om met de minderjarige naar [stad] te gaan om bij haar moeder te verblijven. De rechtbank verwijst hierbij naar hetgeen zij in de beschikking van heden in de verhuizingszaak (met kenmerk C/09/487452 FA RK 15-3143) heeft beslist. Uit de in voornoemde beschikking verleende vervangende toestemming voor de verhuizing volgt dat de rechtbank toevertrouwing aan de vrouw nog steeds in het belang van de minderjarige acht. De toevertrouwing van de minderjarige aan de vrouw zal dan ook worden gecontinueerd. Verzoek van de vrouw Naar het oordeel van de rechtbank valt, daargelaten of de vrouw nog belang heeft bij haar verzoek, het verzoek niet onder één van de in artikel 822 lid 1, onderdelen a tot en met e, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) genoemde voorzieningen. Immers de rechtbank kan in het kader van artikel 822 Rv lid 1, sub c bepalen aan wie van de ouders het minderjarige kind zal worden toevertrouwd. Onder deze bepaling valt naar het oordeel van de rechtbank niet een beslissing over de woon- of verblijfplaats van deze ouder. Het verzoek zal om die reden worden afgewezen. Verzoeken van de man Uit de verleende vervangende toestemming voor de verhuizing volgt reeds dat het primaire verzoek van de man ter zake het verblijf dan wel de toevertrouwing van de minderjarige aan hem, dient te worden afgewezen. Uit de verleende vervangende toestemming voor de verhuizing volgt eveneens dat het subsidiaire verzoek van de man om te bepalen dat de vrouw met de minderjarige naar [stad] moet terugverhuizen, dient te worden afgewezen. Om die reden laat de rechtbank in het midden of het verzoek valt onder de limitatieve opsomming van de in artikel 822 lid 1, onderdelen a tot en met e, Rv genoemde voorzieningen. De voorlopige zorgregeling Nu het primaire verzoek om toevertrouwing van de minderjarige aan de man zal worden afgewezen, komt de rechtbank toe aan de verzoeken strekkende tot - zo begrijpt de rechtbank althans - wijziging van de voorlopige zorgregeling in het geval de toevertrouwing van de minderjarige aan de vrouw wordt gehandhaafd. De man heeft in dit verband verzocht om te bepalen dat: - de minderjarige van vrijdagmiddag 10 juli 2015 tot en met maandagochtend (waarna de man haar naar de opvang brengt) en van maandagmiddag 3 augustus 2015 tot en met maandagochtend 24 augustus 2015 (waarna de man haar naar school brengt) bij de man zal verblijven; - de minderjarige vanaf aanvang school d.d. 24 augustus 2015 in de oneven weken van maandag tot en met donderdag bij de man zal verblijven die haar dan op vrijdagochtend naar school brengt en daarna op de volgende vrijdagmiddag van school ophaalt. De minderjarige blijft dan van die vrijdagmiddag tot en met zondag bij de man die haar dan maandagochtend weer naar school brengt. De vrouw heeft gemotiveerd verweer gevoerd. De rechtbank stelt vast dat, hoewel de vrouw is verhuisd en de overdracht van de minderjarige van de ene naar de andere ouder nog niet naar tevredenheid van partijen verloopt, partijen er wel in zijn geslaagd om uitvoering te geven aan de door de rechtbank vastgestelde voorlopige regeling. Deze regeling houdt in dat de minderjarige iedere zaterdag van 10:00 uur tot 17:00 uur bij de man verblijft, waarbij de man de minderjarige haalt en brengt. De rechtbank komt, wat er ook zij van de formele aspecten van het verzoek, tot de conclusie dat alle betrokken belangen in aanmerking genomen, de getroffen voorziening niet kan worden toegewezen. Voor een dermate uitgebreide zorgregeling als de man thans verzoekt, acht de rechtbank op dit moment, reeds gelet op de slechte verstandhouding tussen partijen en het gebrek aan goede communicatie, onvoldoende basis aanwezig. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat het raadsonderzoek naar de vraag welke verblijfplaats en zorgregeling het meest in het belang van de minderjarige is te achten, nog niet is afgerond. Daar komt bij dat de raad ook de nieuwe situatie bij haar onderzoek zal dienen te betrekken. De rechtbank zal de raad verzoeken om het onderzoek te wijzigen, en bij haar onderzoek uit te gaan van de (nieuwe) situatie dat de man in [stad] woont en de vrouw in [stad]. De raad dient hierover te rapporteren in de hoofdzaak (kenmerk C/09/4877458 FA RK 15-3293). De rechtbank acht het voorts in het belang van de minderjarige dat de huidige zorgregeling voorlopig wordt gecontinueerd, met dien verstande dat de rechtbank het verzoek van de man ter terechtzitting om de duur van het contact op de zaterdagen te verruimen in verband met de extra reistijd die is gemoeid met het halen en brengen van de minderjarige naar [stad], zal inwilligen. De verzoeken van de man ten aanzien van de voorlopige zorgregeling zullen voor het overige worden afgewezen. Voorlopige voorziening (kenmerk C/09/486459 en FA RK 15-2695) Nu de man ter terechtzitting zijn verzoek om een voorlopige partneralimentatie vast te stellen heeft ingetrokken, dient de rechtbank in deze procedure nog te beslissen op het geschil tussen partijen over de (voorlopige) kinderalimentatie en de proceskosten. Anders dan de man ter terechtzitting heeft verzocht, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een nieuwe aanhouding van de beslissing. De rechtbank overweegt daartoe dat het gaat om het treffen van een ordemaatregel. Dit laat onverlet dat in de bodemprocedure de rechtbank – indien een verzoek daartoe wordt ingediend – zich een definitief oordeel zal dienen te vormen over de kinderalimentatie en daarbij eventuele wijzigingen naderhand met betrekking tot het hoofdverblijf en/of zorgregeling kan betrekken. Aangezien de minderjarige voorlopig wordt toevertrouwd aan de vrouw behoeft het verzoek van de man om een bijdrage van de vrouw in de kosten van de minderjarige geen behandeling. Het verzoek van de vrouw om een bijdrage in de kosten van de minderjarige van de man dient nog wel behandeld te worden. Behoefte van de minderjarige De rechtbank gaat in de voorlopige voorzieningenprocedure bij de berekening van de behoefte van de minderjarige uit van het door de man ter terechtzitting gestelde, en door de vrouw niet weersproken, netto gezinsinkomen van € 4.300,-- per maand. Dit gegeven, gevoegd bij het ten aanzien van de minderjarige toepasselijke aantal kinderbijslagpunten
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.