RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Rotterdam Team Bestuursrecht 2 zaaknummer: AWB 16/15446, [nummer] uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 augustus 2016 in de zaak tussen [eiser] gemachtigde: mr. F. el Makhtari, en de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder, gemachtigde: drs. P.E.G. Heijdanus Meershoek. Procesverloop Verweerder heeft op 18 juni 2016 een terugkeerbesluit tegen eiser uitgevaardigd. Het terugkeerbesluit omvat tevens een inreisverbod voor de duur van twee jaar. Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 augustus 2016. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. De rechtbank heeft het onderzoek geschorst om verweerder de gelegenheid te bieden nadere informatie te verstrekken. Verweerder heeft op 24 augustus 2016 nadere informatie verstrekt. Eiser heeft daarop op 24 augustus 2016 gereageerd. Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek gesloten, waarbij wordt opgemerkt dat partijen reeds ter zitting toestemming hadden gegeven voor het afzien van een nadere zitting. Overwegingen 1. Het terugkeerbesluit houdt in dat eiser de Europese Unie onmiddellijk moet verlaten. Het inreisverbod houdt in dat eiser de Europese Unie twee jaar niet mag inreizen, te rekenen vanaf de datum waarop hij de Europese Unie heeft verlaten. 2. Eiser betoogt dat verweerder hem een vertrektermijn van vier weken had moeten geven omdat er geen risico is dat hij zich aan het toezicht zal onttrekken. Voor zover dat risico wel aanwezig is, had verweerder dienen te volstaan met het verkorten van de vertrektermijn. Verweerder heeft verzuimd in het besluit te motiveren waarom hij ervoor heeft gekozen eiser een vertrektermijn te onthouden. Het onthouden van een vertrektermijn is in dit geval niet proportioneel, aldus eiser. 2.1. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van Richtlijn 2008/115/EG (Terugkeerrichtlijn), wordt in een terugkeerbesluit een passende termijn voor vrijwillig vertrek van zeven tot dertig dagen vastgesteld, onverminderd de in de leden 2 en 4 bedoelde uitzonderingen. In het vierde lid is bepaald dat, indien er een risico op onderduiken bestaat, de lidstaten kunnen afzien van het toekennen van een termijn voor vrijwillig vertrek, of een termijn kunnen toekennen die korter is dan zeven dagen. Ingevolge artikel 62, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) dient, nadat tegen de vreemdeling een terugkeerbesluit is uitgevaardigd, hij Nederland uit eigen beweging binnen vier weken te verlaten. Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, kan verweerder de voor een vreemdeling geldende termijn, bedoeld in het eerste lid, verkorten, dan wel, in afwijking van het eerste lid, bepalen dat een vreemdeling Nederland onmiddellijk moet verlaten, indien een risico bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken. Ter uitvoering van artikel 62, tweede lid, van de Vw 2000 voert verweerder het beleid dat is neergelegd in A3/3 van de Vreemdelingencirculaire 2000. Dit beleid, voor zover van belang, luidt als volgt: “Proportionaliteit De IND ziet af van het onthouden van een vertrektermijn als de persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling zodanig zijn dat het onthouden van een vertrektermijn niet proportioneel is. De IND betrekt bij de proportionaliteitstoets alle relevante feiten en omstandigheden, waaronder in ieder geval de aanwezigheid van in Nederland verblijvende familieleden.” 2.2. Verweerder heeft aan het onthouden van een vertrektermijn ten grondslag gelegd dat eiser: a.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.