Rechtbank DEN HAAG Team kanton Den Haag RJP rolnummer: 4677457/15-37494 datum: 7 januari 2016 Vonnis ex artikel 254 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) in de zaak van: de Ondernemingsraad van HTM Personenvervoer N.V., gevestigd te Den Haag, eiser, gemachtigde: mr. E.A. van Win, tegen de naamloze vennootschap HTM Personenvervoer N.V., gevestigd te Den Haag, gedaagde, gemachtigde: mr. M.J.M.T. Keulaerds. Procedure De kantonrechter heeft kennisgenomen van: de dagvaarding van 16 december 2015 met producties; de brief d.d. 21 december 2015 van de kant van gedaagde, met producties; de brief d.d. 23 december 2015 van de kant van eiser, met producties. De mondelinge behandeling van deze zaak is gehouden op 24 december 2015. Van het verhandelde heeft de griffier aantekeningen gemaakt. Beide partijen hebben zich bediend van pleitnotities, welke overgelegd zijn. Enkele relevante wet- en regelgeving 1.1 Artikel 27 lid 4 Wet op de ondernemingsraden (WOR) luidt: “Heeft de ondernemer voor het voorgenomen besluit geen instemming van de ondernemingsraad verkregen, dan kan hij de kantonrechter toestemming vragen om het besluit te nemen. De kantonrechter geeft slechts toestemming indien de beslissing van de ondernemingsraad om geen instemming te geven onredelijk is, of het voorgenomen besluit van de ondernemer gevergd wordt door zwaarwegende bedrijfsorganisatorische, bedrijfseconomische of bedrijfssociale redenen”. 1.2 Artikel 27 lid 5 WOR bepaalt, voor zover relevant, dat een besluit als bedoeld onder 2.10, genomen zonder instemming van eiser of de toestemming van de kantonrechter, nietig is, indien eiser tegenover gedaagde schriftelijk een beroep op de nietigheid heeft gedaan. 1.3 Artikel 27 lid 6 WOR bepaalt dat eiser de kantonrechter kan verzoeken gedaagde te verplichten zich te onthouden van handelingen die strekken tot uitvoering of toepassing van een nietig besluit als bedoeld in het vijfde lid. Gedaagde kan de kantonrechter verzoeken te verklaren dat eiser ten onrechte een beroep heeft gedaan op nietigheid als bedoeld in het vijfde lid. 1.4 In artikel 70 lid 2 onder b van de CAO HTM is onder meer bepaald dat bij gebreke van tijdige overeenstemming met de Onderdeelscommissie (OC) van eiser een wijziging van een dienstrooster of werktijdenregeling, verband houdende met de invoering van onder meer een nieuwe dienstregeling, in overleg tussen de CAO-partijen wordt aangepast. Feiten 2.1 Gedaagde verzorgt het openbaar vervoer per tram en bus in de regio Den Haag. Eiseres is haar ondernemingsraad, waarvan de OC uitvoering zich bezighoudt met de medezeggenschap binnen de afdeling uitvoering. 2.2 De wijze van uitvoering van de dienstregeling door personeel en voertuigen wordt vastgelegd in “dienstenpakketten”. Daarbij staat niet ter discussie welke tramlijnen op welke tijdstippen rijden. De dienstenpakketten voor het railvervoer worden aan de OC van eiser ter instemming voorgelegd. 2.3 Gedaagde heeft aan de OC het Dienstenpakket Rail 2016 ter instemming voorgelegd. 2.4 Na in de daaraan voorafgegane maanden gepleegd overleg tussen partijen, laat op 5 november 2015 de manager planning van gedaagde aan de OC weten dat de dienstenpakketten 2016 door de OC niet akkoord zijn bevonden. Hij geeft aan niettemin de aangeboden pakketten verder te zullen voorbereiden. Hij vervolgt “Ik ga ervanuit dat u, uw besluit om de aangeboden pakketten niet goed te keuren, wilt heroverwegen. Indien dit niet het geval is rest ons slechts artikel 70”. 2.5 Ook na 5 november 2015 wordt het overleg voortgezet. Eiser laat weten dat de procedure van artikel 70 van de CAO HTM nog niet aan de orde is. Bij e-mail van 16 november 2015 roept eiser de nietigheid van het in de mail van 5 november 2015 vervatte besluit in. Gedaagde laat op 17 november 2015 weten nog steeds open te staan voor overleg. 2.6 Bij e-mail van 25 november 2015 laat eiser aan gedaagde weten verder overleg niet zinvol te achten. 2.7 Gedaagde heeft op 26 november 2015 de CAO-partijen voor overleg uitgenodigd. Op 29 november 2015 laat CNV mede namens de vakorganisaties weten af te zien van overleg. 2.8 Partijen plegen opnieuw overleg. Gedaagde doet het voorstel om een procedure te starten op grond van artikel 96 Rv. Eiser wijst dat voorstel af. Ook daarna heeft overleg niet tot overeenstemming geleid. 2.9 Bij brief d.d. 8 december 2015 laat eiser aan gedaagde weten nog slechts twee opties te zien: voortzetten van het bestaande dienstenpakket met tijdelijke oplossingen of gedaagde dient de gang naar de kantonrechter te maken om vervangende instemming te krijgen als bedoeld in artikel 27 lid 4 van de WOR. 2.10 Gedaagde laat op 8 december 2015 aan eiser weten dat het besluit is genomen om het Dienstenpakket Rail 2016 per 13 december 2015 in te voeren. 2.11 Eiser laat op 8 december 2015 aan gedaagde weten de nietigheid in te roepen van het besluit het Dienstenpakket Rail 2016 in te voeren. 2.12 Gedaagde heeft op 13 december 2015 het Dienstenpakket Rail 2016 ingevoerd. Vordering en verweer 3.1 Eiser vordert, kort gezegd, gedaagde te verbieden om na 13 december 2015 het Dienstenpakket Rail 2016 uit te voeren en toe te passen op de medewerkers van HTM, zolang de ondernemingsraad of de CAO-partijen hiermee niet hebben ingestemd dan wel de kantonrechter hiervoor vervangende toestemming heeft verleend. Voorts vordert hij gedaagde te verplichten ervoor zorg te dragen dat vanaf 13 december 2015 de CAO-afspraken en de nadere afspraken met betrekking tot het aflossen en slippen in het kader van de veiligheid van de medewerkers onverkort wordt nageleefd, inhoudende dat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.