vonnis RECHTBANK DEN HAAG Team handel zaaknummer / rolnummer: C/09/506099 / HA ZA 16-234 Vonnis van 9 november 2016 in de zaak van de eisers 1. [eiser sub 1], 2. [eiseres sub 2], beiden wonende te [woonplaats 1] en 3. de stichting STICHTING HOLLANDPROMOTE.COM, gevestigd te Eindhoven, advocaat mr. J.M.R. Vlaar te Budel, tegen de gedaagden 1. de rechtspersoon naar publiek recht DE STAAT DER NEDERLANDEN, zetelende te Den Haag, advocaat mr. G.J.H. Houtzagers te Den Haag, 2. [gedaagde sub 2], wonende te [woonplaats 2] , advocaat mr. J. Ekelmans te Den Haag. Eisers zullen hierna gezamenlijk worden aangeduid als [eiser sub 1] c.s. en afzonderlijk als respectievelijk [eiser sub 1] , [eiseres sub 2] en de stichting. Gedaagden zullen worden aangeduid als de Staat en [gedaagde sub 2] . 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaardingen van 12 en 15 februari 2016 met producties 1 tot en met 17; - de conclusie van antwoord van de Staat; - de conclusie van antwoord van [gedaagde sub 2] met producties 1 tot en met 11; - het tussenvonnis van 1 juni 2016 waarbij een comparitie van partijen ten overstaan van een meervoudige kamer is bevolen; - het buiten aanwezigheid van partijen opgemaakte proces-verbaal van de op 28 september 2016 gehouden comparitie van partijen en de daarin genoemde, door [eiser sub 1] c.s. nagezonden producties 18 tot en met 28. 1.2. Ten slotte is de datum voor het wijzen van vonnis bepaald op heden. 2De feiten 2.1. [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] zijn echtelieden. [eiser sub 1] is bestuurder van de stichting. [gedaagde sub 2] heeft samen met mw. mr. [A] (hierna: [A] ) en mw. mr. [B] (hierna: [B] ) de maatschap [de maatschap] gevormd. Deze maatschap exploiteerde een advocatenkantoor te Rotterdam. 2.2. [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] zijn verwikkeld geraakt in een geschil met partij [X] c.s. over een door laatstgenoemde gestelde aankoop door [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] van de woning van [X] c.s. aan de [adres] te [plaats] . De koopovereenkomst is niet geëffectueerd en [X] c.s. hebben [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] aansprakelijk gesteld voor het niet-tijdig voldoen aan de contractuele verplichting om de in de koopakte omschreven waarborgsom van € 52.000 te storten. [X] c.s. zijn in dat geschil bijgestaan door [B] . Nadat de rechtbank Rotterdam op 8 februari 2006 vonnis had gewezen, heeft het gerechtshof ’s-Gravenhage op 17 november 2009 eindarrest gewezen, waarin [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] zijn veroordeeld tot betaling van een contractuele boete ter hoogte van € 52.000, te vermeerderen met rente. De door [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] verzochte herziening van genoemd eindarrest is op 28 december 2010 door het gerechtshof ’s-Gravenhage afgewezen. 2.3. [eiser sub 1] heeft in de loop der jaren een groot aantal tuchtklachten ingediend tegen [B] met de strekking dat laatstgenoemde strafbare feiten heeft gepleegd en heeft daarvan ook aangifte gedaan. Deze klachten zijn ongegrond dan wel niet-ontvankelijk verklaard door de Raad van Discipline te ’s-Gravenhage. 2.4. Naar aanleiding van publicaties op onder meer de website van de stichting verband houdende met de onder 2.3 bedoelde tuchtklachten en strafrechtelijke aangiften van [eiser sub 1] tegen [B] - aan welke aangiften overigens geen gevolg is gegeven - zijn [eiser sub 1] en de stichting door [B] , [gedaagde sub 2] en [A] bij dagvaarding van 7 oktober 2011 (hierna: de dagvaarding van 7 oktober 2011) opgeroepen voor de zitting van de voorzieningenrechter in de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 27 oktober 2011. [gedaagde sub 2] is daarbij als advocaat van de eisende partijen opgetreden. 2.5. Tijdens genoemde zitting is namens [eiser sub 1] en de stichting een verzoek tot wraking van de voorzieningenrechter mr. A.H.L. Roosmale Nepveu ingediend, kort gezegd samenhangende met zijn weigering de zitting te verdagen. Genoemde voorzieningenrechter heeft bij vonnis van 27 oktober 2011 (hierna: het vonnis van 27 oktober 2011) ordemaatregelen getroffen in afwachting van de verdere afdoening van het wrakingsverzoek en het kort geding. Op verzoek van [B] , [gedaagde sub 2] en [A] heeft genoemde voorzieningenrechter op 31 oktober 2011 een herstelvonnis gewezen (hierna: het herstelvonnis van 31 oktober 2011). Bij beschikking van 29 november 2011 heeft de wrakingskamer van de rechtbank ’s-Hertogenbosch het verzoek tot wraking van mr. A.H.L. Roosmale Nepveu toegewezen. 2.6. Nadat op 17 januari 2012 een voortgezette behandeling ter zitting had plaatsgevonden ten overstaan van mr. E. Loesberg, heeft deze voorzieningenrechter in de rechtbank ’s-Hertogenbosch bij vonnis van 31 januari 2012 (hierna: het vonnis van 31 januari 2012) [eiser sub 1] en de stichting kort gezegd onder meer verboden onjuiste en grievende uitlatingen en geschriften over [B] en [de maatschap] te verspreiden en processtukken te publiceren die deel uitmaken van tussen partijen lopende (klacht)procedures, alsmede [eiser sub 1] en de stichting geboden dergelijke, reeds gepubliceerde uitlatingen en geschriften te (laten) verwijderen, op straffe van verbeurte van ongemaximeerde dwangsommen. Voorts is in het vonnis van 31 januari 2012 overwogen dat de bij vonnis van 27 oktober 2011 getroffen ordemaatregelen met en door eerstgenoemd vonnis vervallen. 2.7. [eiser sub 1] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 31 januari 2012. Nadat op 1 oktober 2012 de zitting in het hoger beroep had plaatsgevonden, heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch bij arrest van 28 mei 2013 (hierna: het arrest van 28 mei 2013) het vonnis van “31 januari 2013” deels bekrachtigd en deels vernietigd. Anders dan in het vonnis van 31 januari 2012, zijn de in het arrest van 28 mei 2013 opgelegde dwangsommen gemaximeerd. Een grosse van bedoeld arrest is op 31 mei 2013 aan [eiser sub 1] en de stichting betekend. Tegen het arrest van 28 mei 2013 is geen beroep in cassatie ingesteld. 2.8. [B] , [gedaagde sub 2] en [A] hebben executoriaal (derden)beslag laten leggen op de pensioenuitkering en onroerend goed van [eiser sub 1] , alsmede op bankrekeningen van [eiser sub 1] en de stichting. 3Het geschil 3.1. [eiser sub 1] c.s. vordert dat de rechtbank bij voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis I. voor recht zal verklaren dat de navolgende beslissingen en verrichtingen lijden aan absolute, subjectieve en/of substantiële nietigheid ten gevolge waarvan processuele nietigheid is ingetreden: a. de rechterlijke beslissingen van 27 en 31 oktober 2011, van 31 januari 2012 en 28 mei 2013; b. de in opdracht van [gedaagde sub 2] uitgebrachte deurwaardersexploten verband houdende met genoemde rechterlijke beslissingen; II. [gedaagde sub 2] zal bevelen alle incassowerkzaamheden met betrekking tot de rechterlijke uitspraken waarvan de processuele nietigheid is ingetreden te staken op straffe van het verbeuren van een dwangsom en haar zal veroordelen tot terugbetaling met rente van de reeds op grond van deze rechterlijke uitspraken geïncasseerde gelden; III. voor recht zal verklaren dat de Staat en [gedaagde sub 2] onrechtmatig hebben gehandeld jegens [eiser sub 1] c.s., met veroordeling van de Staat en [gedaagde sub 2] tot schadevergoeding nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, kosten rechtens. 3.2. [eiser sub 1] c.s. legt aan de vorderingen ten grondslag dat sprake is van een groot aantal schendingen van processuele vormvoorschriften van openbare orde die nietigheid tot gevolg hebben van de rechterlijke beslissingen en executiehandelingen. De rechtbank leidt uit de door [eiser sub 1] c.s. ingenomen stellingen af dat hij doelt op de navolgende schendingen: 1) ten aanzien van de dagvaarding van 7 oktober 2011: Deze dagvaarding is uitgebracht door het wettelijk nimmer bestaand hebbende gerechtsdeurwaarderskantoor LAVG, vestiging Eindhoven, dat dus een valse hoedanigheid heeft aangenomen. Aan de vereisten van artikel 17 van de Gerechtsdeurwaarderswet is niet voldaan. Dit kantoor blijkt nimmer gecertificeerd te zijn geweest, noch is het als gerechtsdeurwaarderskantoor geregistreerd geweest bij de Kamer van Koophandel, noch bij de rechtbank Oost-Brabant. Hierdoor is niet voldaan kunnen worden aan het bepaalde in de artikelen 403, derde lid, en 439, derde lid, Rv. [gedaagde sub 2] is verantwoordelijk voor deze omissie en de rechtbank eveneens, nu laatstgenoemde is tekortgeschoten in haar toezicht op de bij haar geregistreerde deurwaarders. Voorts heeft [gedaagde sub 2] in deze dagvaarding drie verschillende hoedanigheden aangenomen: als eiseres “ [gedaagde sub 2] ”, als procesadvocaat “mw. mr. [… 1] ” en als behandelend advocaat “mr. [… 2] ”, terwijl haar geslachtsnaam vóór en na het huwelijk “ [gedaagde sub 2] ” luidt. Voorts heeft zij bij de ondertekening van processtukken niet dezelfde handtekening gebruikt die zij gebruikt bij de ondertekening van andersoortige formele stukken. Deze defecten in de dagvaarding maken niet alleen de gehele dagvaarding ongeldig, maar leiden ook tot de nietigheid van alle rechtsgevolgen van de dagvaarding, tot het arrest van 28 mei 2013 aan toe. 2) ten aanzien van de zittingen van 27 oktober 2011 en 17 januari 2012: Ondanks het verzoek daartoe is van deze zittingen geen proces-verbaal opgemaakt, terwijl de voorzitter van de civiele sector van de rechtbank ’s-Hertogenbosch inzage in het procesdossier heeft geweigerd. 3) ten aanzien van het vonnis van 27 oktober 2011: Dit vonnis is gewezen terwijl de vonnis-wijzende rechter tijdens de zitting van die datum reeds was gewraakt, hetgeen in strijd is met het bepaalde in artikel 37, vijfde lid, Rv en artikel 225, derde lid, Rv. 4) ten aanzien van het herstelvonnis van 31 oktober 2011: Dit vonnis is tot stand gekomen zonder wederhoor, hetgeen in strijd is met het bepaalde in artikel 31 en 32 Rv. 5) ten aanzien van het vonnis van 31 januari 2012: Van dit vonnis zijn twee verschillende versies uitgegeven; één bij wijze van grosse en één over de fax verstuurde versie, slechts voorzien van twee stempelhandtekeningen. Deze versies zijn niet ondertekend door de voorzitter en de griffier, hetgeen strijd oplevert met het bepaalde in artikel 160, tweede lid, Rv en artikel 230, derde lid, Rv en bovendien niet voorzien van de vermeldingen “in naam der Koningin” en “in aanwezigheid van de griffier” waardoor niet kan worden nagegaan of de griffier heeft deelgenomen aan de beraadslagingen. Dit levert strijd op met het bepaalde in artikel 120 GW en artikelen 5 en 7 RO. Deze versies zijn niet betekend aan [eiser sub 1] en de stichting, maar wel in strijd met artikelen 430, derde lid, en 439, derde lid, Rv geëxecuteerd met behulp van exploten van het non-existente deurwaarderskantoor LAVG Eindhoven. 6) ten aanzien van de zitting van 1 oktober 2012: Eerst anderhalf jaar later, op 10 april 2014, is een proces-verbaal verstrekt dat ten onrechte is opgemaakt als grosse. De (anonieme) handtekeningen onder het verstrekte exemplaar zijn niet dezelfde als die onder de minuut van dit proces-verbaal. 7) ten aanzien van het arrest van 28 mei 2013: Er zijn door medewerkers van het hof tegenstrijdige mededelingen gedaan over wie de minuut van dit arrest hebben ondertekend, terwijl de minuut door de voorzitter en de griffier dient te worden ondertekend en niet door de rolraadsheer. De minuut is eerst op 16 april 2015 van de griffie verkregen. De grosse van dit arrest is slechts ondertekend door de enkele vermelding “w.g. griffier w.g. rolraadsheer”. Het arrest ontbeert voorts de mededeling “in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier”, waardoor niet valt na te gaan of de verplichting dat de griffier deelneemt aan de beraadslagingen is nageleefd. In dit arrest wordt ten slotte een niet-bestaand vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Hertogenbosch vernietigd, te weten een vonnis van 31 januari 2013, hetgeen het gehele arrest nietig maakt. Bovendien wordt onder nummer 4.6 van dit arrest een niet-bestaand arrest van dat hof vermeld, namelijk een arrest van 7 mei 2013. Het gaat niet aan dat een willekeurige griffie-medewerker een gerechtelijk product kan beïnvloeden. 8) ten aanzien van een veertigtal executie-exploten: Deze exploten zijn voor het merendeel betekend door het wettelijk nimmer bestaand hebbende gerechtsdeurwaarderskantoor LAVG, vestiging Eindhoven. 3.3. De Staat en [gedaagde sub 2] voeren verweer. 3.4. Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover van belang, nader worden ingegaan. 4De beoordeling 4.1. De vorderingen van [eiser sub 1] c.s. strekken in de kern genomen ertoe de aanvaardbaarheid van de procesgang die heeft geleid tot de beslissingen in kort geding (van welke beslissingen de inhoud overigens niet ter discussie wordt gesteld) aan de rechtbank voor te leggen, alsook de aanvaardbaarheid van de wijze van executie van deze beslissingen. De rechtbank wordt gevorderd een groot aantal zogenaamde processuele nietigheden te constateren. De vorderingen zijn gegrond op de inhoud van het proefschrift van dr. mr. F.M.J. Jansen getiteld “Nietigheid in het burgerlijk procesrecht” uit 1955. [eiser sub 1] c.s. ontleent aan dit proefschrift dat processuele nietigheden schendingen van dwingende vormvoorschriften van openbare orde zijn, met als sanctie nietigheid van de proceshandeling. Processuele nietigheden treden van rechtswege in. De nietigheid volgt rechtstreeks uit de wet en is dus onafhankelijk van het initiatief of het optreden van de procespartijen en wordt evenmin geconstitueerd door een rechterlijk vonnis. De rechter constateert slechts de nietigheid, aldus [eiser sub 1] c.s., die voorts betoogt dat de processuele nietigheid het gesloten stelsel van rechtsmiddelen doorbreekt. 4.2. De rechtbank is met de Staat en [gedaagde sub 2] van oordeel dat de in het zojuist genoemde proefschrift uiteengezette leer van de processuele nietigheden geen geldend recht vormt, zeker niet als toepassing van deze leer tot gevolg zou hebben dat in kracht van gewijsde gegane gerechtelijke beslissingen en daarop geënte executiehandelingen achteraf nietig zouden blijken te zijn, terwijl niet van enig (onevenredig) nadeel sprake is. De rechtbank dient deze zaak naar geldend recht te beoordelen. Onderdeel daarvan is het gesloten stelsel van rechtsmiddelen. Volgens vaste rechtspraak staat dit stelsel er in beginsel aan in de weg dat de juistheid van een onherroepelijke rechterlijke beslissing of de aanvaardbaarheid van de procesgang die tot die beslissing heeft geleid, door middel van een actie (uit onrechtmatige daad) bij de civiele rechter ter discussie wordt gesteld. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen kan dan ook, behoudens in zeer bijzondere gevallen die in deze zaak niet aan de orde zullen blijken te zijn, niet worden doorbroken door de omstandigheid dat sprake zou zijn van onregelmatigheden in de procesgang. Over de zorgvuldigheid waarmee een rechterlijke beslissing is voorbereid, kan enkel door gebruik te maken van een door de wet ter beschikking gesteld rechtsmiddel worden geklaagd. Slechts indien bij de rechtsgang of voorbereiding van een rechterlijke beslissing zo fundamentele rechtsbeginselen zijn veronachtzaamd dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet meer kan worden gesproken, en tegen die beslissing geen rechtsmiddel meer openstaat en heeft opengestaan kan de Staat worden aangesproken. 4.3. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen betekent voor het onderhavige geschil dat gestelde onregelmatigheden in de eerste aanleg voorgelegd dienden te worden aan de appelinstantie en gestelde onregelmatigheden in de appelinstantie aan de Hoge Raad in het kader van een cassatieberoep. Voorts is nog van belang is dat verzocht kan worden kennelijke (schrijf)fouten in vonnissen en arresten te verbeteren als bedoeld in artikel 31 Rv. Ook kan op grond van artikel 382 Rv herroeping van rechterlijke beslissingen worden gevorderd, hetgeen slechts mogelijk in het geval (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.