Rechtbank DEN HAAG Meervoudige Kamer Rekestnummer: FA RK 15-5946 Zaaknummer: C/09/493548 Datum beschikking: 10 maart 2016 Gezagsuitoefening Beschikking op het op 28 juli 2015 ingekomen verzoek van: [de vader] , de vader, wonende te [plaats] , advocaat: mr. M.M. Strengers te Soest. Als belanghebbende worden aangemerkt: [de moeder] , de moeder, wonende te [plaats] , advocaat: mr.drs. E.J. Kim-Meijer te 's-Gravenhage. Procedure Bij beschikking van 21 oktober 2015 van deze rechtbank is drs. J.L. van Wesemael-Smit als bijzondere curator benoemd over de minderjarige: - [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] , en is bepaald dat de bijzondere curator schriftelijk verslag dient te doen aan de rechtbank en partijen. Iedere verdere beslissing ter zake van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (zorgregeling), het gezag en de proceskosten is aangehouden. De rechtbank heeft wederom kennis genomen van de stukken, waaronder thans ook: - het rapport van de bijzondere curator, bij de rechtbank binnengekomen op 15 december 2015; - het faxbericht d.d. 15 december 2015, bij de rechtbank binnengekomen op 16 december 2015, met bijlagen, van de zijde van de moeder; - het faxbericht d.d. 28 januari 2016, met bijlage, van de zijde van de vader. Beoordeling De rechtbank handhaaft al hetgeen bij genoemde beschikking is overwogen en beslist. Uit het rapport van de bijzondere curator volgt – verkort weergegeven – het volgende. Tussen de ouders bestaan spanningen rondom mogelijke gebeurtenissen in het verleden en de (on)mogelijkheden tot contact tussen de vader en de minderjarige. Er is nog steeds sprake van een zeer gecompliceerde situatie en de onderlinge verhouding tussen de ouders is nog immer (zeer) negatief. De situatie rond de mogelijkheid van onbelast contact in een veilige situatie voor de minderjarige is onveranderd sinds de uitspraak van de rechtbank in 2013. Bij de minderjarige is, naast een zekere mate van spanning en angst, sprake van verzet tegen contact met zijn vader. Naar de bevindingen van de bijzondere curator verzet de minderjarige zich tegen contact met de vader en kan het in de huidige situatie eigenlijk ook niet anders dan dat de minderjarige negatief staat tegenover elke vorm van contact met zijn vader. Ten behoeve van het opstarten van hulpverlening en het opstarten van enig contact tussen de vader en de minderjarige heeft de bijzondere curator een stappenplan opgesteld waarbij het starten van hulpverlening voor de minderjarige de eerste prioriteit heeft. Als eerste stap stelt de bijzondere curator traumaverwerking bijvoorbeeld via EMDR voor. De bijzondere curator voert aan dat het aan de behandelend therapeut is om te bepalen of verdere begeleiding en of behandeling nodig dan wel wenselijk is. De volgende stap betreft het ondersteunen van de minderjarige bij zijn identiteitsontwikkeling. De minderjarige dient onder begeleiding van een therapeut meer inzicht te krijgen in zijn eigen achtergrond, zijn geschiedenis en zijn vader. De bijzondere curator brengt daarbij naar voren dat het hebben van alleen negatieve herinneringen aan de vader op langere termijn tot problemen voor de ontwikkeling van de minderjarige kan leiden. Bij de derde stap dient onder begeleiding van een deskundige te worden bezien of en welk contact met de vader mogelijk is. In deze fase zou mogelijk de therapeut die betrokken is geweest bij de tweede stap betrokken kunnen worden. De bijzondere curator wijst erop dat met deze hulpverlening nog geen sprake is van de door de Raad voor de Kinderbescherming (in het gespreksverslag d.d. 6 maart 2013) genoemde driehoek van geruststelling. De vader kan de moeder niet geruststellen, vervolgens kan de moeder het kind niet geruststellen en dus kan het kind zich niet gerust voelen over het contact met de vader. Indien de overtuiging zo groot is dat het kind niet veilig is bij de andere ouder dan zal het kind ook niet gerustgesteld kunnen worden. De bijzondere curator acht het daarom raadzaam dat de ouders hieraan bijvoorbeeld middels mediation gaan werken en waar nodig eigen blokkades met therapeutische begeleiding weg te nemen, alvorens stap drie in de hulpverlening voor de minderjarige gaat starten. De bijzondere curator heeft de rechtbank geadviseerd de beslissing voor de duur van drie maanden aan te houden zodat de noodzakelijke hulpverlening aan de minderjarige kan worden opgestart, de ouders hulp kunnen zoeken voor hun eigen problematiek en zij middels mediation de mogelijkheden in kaart kunnen brengen voor veilig en gefaseerd contact tussen de minderjarige en de vader. Uit voormeld faxbericht d.d. 15 december 2015 volgt dat de moeder het op meerdere punten niet eens is met het verslag van de bijzondere curator. De moeder erkent dat therapie nodig is met het oog op de ontwikkeling van de minderjarige, maar zij stemt niet in met het voorstel tot mediation. Zij is van mening dat de minderjarige zijn gevoel van basisveiligheid zal verliezen als hij weet dat de ouders in mediation gaan. De moeder acht dit niet in het belang van de minderjarige. De moeder heeft tot slot naar voren gebracht dat zij haar medewerking zal verlenen aan een vorm van contact tussen de minderjarige en de vader indien de minderjarige aangeeft dat hij daarvoor open staat. Vooralsnog is dit niet het geval, aldus de moeder. Blijkens voornoemd faxbericht d.d. 28 januari 2016 sluit de vader zich aan bij het rapport en het advies van de bijzondere curator en verzoekt hij de zaak aan te houden in afwachting van het verloop van het weergegeven stappenplan. De rechtbank overweegt als volgt. Beëindiging gezamenlijk gezag De moeder heeft verzocht haar met het eenhoofdig gezag over de minderjarige te belasten en draagt daartoe aan dat partijen niet in staat zijn tezamen invulling te geven aan het gezag. Ook de vader heeft, zij het subsidiair, een dergelijk verzoek gedaan en voert daartoe aan dat bij de moeder geen ruimte bestaat voor enige andere visie dan die inhoudende dat de vader de minderjarige zou hebben misbruikt. Deze visie belemmert het contact tussen de vader en de minderjarige, hetgeen gevolgen heeft voor de ontwikkeling van de minderjarige, aldus de vader. De rechtbank stelt voorop dat de ouders na echtscheiding in beginsel gezamenlijk met het gezag belast blijven. Uit artikel 1:253n, eerste lid, BW blijkt dat op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of één van hen het gezamenlijk gezag dat na ontbinding van het huwelijk door echtscheiding in stand is gebleven kan worden beëindigd, onder meer indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd. Nu door beide partijen een wijziging van omstandigheden ten grondslag is gelegd aan hun verzoek, kunnen zij in de over en weer gedane verzoeken worden ontvangen. Ingevolge 1:253n, tweede lid, BW is het eerste en het derde lid van 1:251a BW van overeenkomstige toepassing, zodat de rechtbank dit verzoek (mede) dient te beoordelen overeenkomstig de criteria van artikel 1:251a, eerste lid, BW. Op grond van artikel 1:251a, eerste lid, BW kan het gezamenlijk gezag worden beëindigd, indien: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.