RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht Zaaknummers: AWB 16/24651 (beroep) en AWB 16/24652 (verzoek) V-nummer: [nummer] proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 10 november 2016 in de zaak tussen [naam], eiser en verzoeker, hierna: eiser, gemachtigde: mr. drs. R.E.J.M. van den Toorn, en de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder, gemachtigde: mr. J.A.C.M. Prins. Procesverloop Bij besluit van 27 oktober 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Eiser heeft tevens een voorlopige voorziening verzocht ter voorkoming van uitzetting hangende het beroep. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 november
- Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig C. Atrushi, tolk in de taal Syrisch-Arabisch. Ter zitting is het onderzoek gesloten. Overwegingen
- De rechtbank doet na afloop van het onderzoek ter zitting onmiddellijk mondeling uitspraak. De rechtbank overweegt het volgende.
- Niet in geschil is dat eiser in het bezit is van de Syrische nationaliteit en beschikt over een verblijfsvergunning in Polen. In geschil is of verweerder gehouden was de asielaanvraag van eiser toch inhoudelijk te behandelen, gelet op het feit dat eisers Irakese echtgenote en zijn in Nederland geboren minderjarige zoon rechtmatig in Nederland verblijven.
- Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de asielaanvraag van eiser terecht niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet
- Eiser geniet immers internationale bescherming in een andere lidstaat van de Europese Unie. Niet is gebleken dat eiser in Polen niet overeenkomstig de beginselen genoemd in artikel 3.106a, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) zal worden behandeld.
- Voorts heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat hij gelet op artikel 3.6a, tweede lid, van het Vb niet gehouden was ambtshalve te toetsen of eisers uitzetting in strijd zou zijn met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Indien eiser gezinshereniging met zijn (gestelde) echtgenote en zoon wenst, staat het hem vrij een daartoe strekkende aanvraag in te dienen.
- Het beroep is ongegrond. Er bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank, in de zaak met nr. AWB 16/24651: - verklaart het beroep ongegrond. De voorzieningenrechter, in de zaak met nr. AWB 16/24652: - wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter en voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 november
- Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak, voor zover deze betrekking heeft op het beroep, kan binnen een week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Afschrift verzonden aan partijen op: