beschikking RECHTBANK DEN HAAG Team handel zaaknummer / rekestnummer: C/09/514112 / HA RK 16-335 Beschikking van 22 november 2016 in de zaak van [verzoeker] , wonende te [woonplaats] , verzoeker, advocaat mr. R.M.A. Lensen te Terneuzen, tegen het publiekrechtelijk lichaam GEMEENTE 'S-GRAVENHAGE, gevestigd te Den Haag, verweerster, advocaat mr. J.C.W. de Sauvage Nolting te Den Haag. Partijen worden hierna [verzoeker] en de Gemeente genoemd. 1De procedure1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het verzoekschrift, ter griffie ingekomen op 1 juli 2016, met de producties 1 tot en met 10; het op 14 september 2016 bij de griffie ingekomen verweerschrift, met de producties 1 tot en met 12;- de brief, tevens per fax, van 16 september 2016 van de zijde van [verzoeker] , met de producties 11 tot en met 16;- het proces-verbaal van de op 20 september 2016 gehouden mondelinge behandeling; de brief van 7 oktober 2016 van de zijde van [verzoeker] , waarbij is toegezonden een USB-stick met de tijdens de zitting van 20 september 2016 getoonde beeldopnamen. 1.2. Het proces-verbaal van de mondelinge behandeling is buiten aanwezigheid van partijen opgemaakt. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld correcties van feitelijke aard per brief aan de rechtbank kenbaar te maken. [verzoeker] heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt. De brief van mr. Lensen van 6 oktober 2016, tevens per fax, is aan het proces-verbaal gehecht. Dit vonnis wordt gewezen met inachtneming van de in voornoemde brief opgenomen opmerkingen van [verzoeker] . 1.3. Ten slotte is een (nadere) datum voor beschikking bepaald. 2De feiten 2.1. [verzoeker] is op 19 februari 2016 ten val gekomen (hierna: het ongeval) toen hij gebruik maakte van een voetgangersbrug (hierna: de brug) aan de Scheveningse boulevard. [verzoeker] heeft foto’s van de brug en screenshots van een ter zitting getoonde video in het geding gebracht. De Gemeente heeft tevens foto’s van de brug in het geding gebracht. 2.2. Hieronder zijn afgebeeld screenshot nummer 2 van productie 15 die namens [verzoeker] bij brief van 16 september 2016 in het geding is gebracht en uitsneden van foto’s met nummers 2, 9 en 4 bij verweerschrift. 2.3. 2.4. De brug betreft een loopbrug van ruim drie meter breed. De brug is geschikt voor voetgangers en rolstoelgebruikers. De brug verbindt de (hoger gelegen) Strandweg, met parkeergelegenheid, met de (lager gelegen) boulevard. Het loopgedeelte van de brug start – vanaf de parkeerplaats boven gezien – haaks op de boulevard en komt, na een knik halverwege met uitzichtpunt, parallel uit op de boulevard beneden. Het loopgedeelte van de brug na de knik loopt parallel aan de boulevard schuin af naar beneden en vloeit over in het wegdek van de boulevard. De brug bestaat uit een stalen constructie, waarbij het loopgedeelte van de brug is voorzien van een asfaltlaag. Aan beide zijden van het loopgedeelte is een stalen, niet beweegbare afscheiding tot een hoogte van 65 cm aangebracht. Deze afscheidingen aan beide zijden eindigen een aantal meters voordat het loopgedeelte overvloeit in het wegdek van de boulevard. Na het einde van de afscheidingen zijn aan beide zijden van het loopgedeelte van de brug stalen geleideranden aangebracht, doorlopend tot aan de boulevard. Deze geleideranden zijn niet van een asfaltlaag voorzien. De geleideranden zijn circa 20 cm breed en steken, gemeten vanaf het asfalt, 1,6 cm hoog boven het loopgedeelte uit. 2.5. In de nacht voorafgaand aan het ongeval was er lichte vorst. 2.6. Op 19 februari 2016 omstreeks 09:20 uur besloot [verzoeker] een wandeling langs het strand te maken. [verzoeker] heeft zijn auto geparkeerd op de Strandweg en is vervolgens via de brug naar beneden gelopen. [verzoeker] is na het einde van de niet beweegbare afscheidingen en voordat het loopgedeelte overvloeit in het wegdek van de boulevard rechts op de geleiderand gestapt om de afstap naar de boulevard te maken. Op de geleiderand lag een ijslaag. [verzoeker] is bij het afstappen uitgegleden en gevallen. 2.7. Na zijn val is [verzoeker] per ambulance naar de afdeling Spoedeisende Hulp van het Bronovo Ziekenhuis overgebracht. Vastgesteld is dat het spaakbeen en de enkel van zijn rechterbeen waren gebroken en vier enkelbanden waren afgescheurd (maisonneuve letsel). [verzoeker] kreeg gips van zijn teen tot aan zijn lies. Na tien dagen is [verzoeker] geopereerd, waarbij een stalen pin in het rechterbeen is geplaatst. Deze pin is tijdens een tweede operatie verwijderd. Nadien is de revalidatie van start gegaan, bestaande uit drie keer per week fysiotherapie en iedere dag beweging (zwemmen, lopen, fietsen etc.) onder begeleiding van een personal trainer. Tot op heden kampt [verzoeker] nog met klachten en beperkingen. Van een medische eindtoestand is (nog) geen sprake. 2.8. De brug behoort tot de openbare weg en valt onder het beheer van de Gemeente. 2.9. Bij of op de brug waren geen waarschuwingsborden of anderszins waarschuwingen in verband met risico’s op vallen en/of uitglijden. 2.10. Bij brief van 23 februari 2016 heeft [verzoeker] de Gemeente aansprakelijk gesteld voor de gevolgen van het ongeval. In reactie daarop heeft de Gemeente laten weten iedere aansprakelijkheid af te wijzen. 3 3. Het geschil 3.1. [verzoeker] verzoekt bij wijze van deelgeschil ex artikel 1019w-1019cc van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv):I. te verklaren voor recht dat de Gemeente jegens [verzoeker] aansprakelijk is voor de vergoeding van de door [verzoeker] geleden schade voortvloeiend uit het ongeval op grond van artikel 6:174 en/of artikel 6:162 BW;II. de kosten van deze deelgeschilprocedure aan de zijde van [verzoeker] te begroten op € 4.179,95, te vermeerderen met de nog te maken kosten voor het voorbereiden en het bijwonen van de mondelinge behandeling van dit verzoek en het bestuderen en bespreken van het verweerschrift, berekend naar het uurtarief van € 282,-, te verhogen met een opslag voor kantoorkosten van 5% en het geheel te vermeerderen met BTW en met het griffierecht, en te bepalen dat de Gemeente deze kosten binnen veertien dagen na de datum van de eindbeschikking dient te voldoen, bij gebreke waarvan over de kosten de wettelijke rente door de Gemeente is verschuldigd, gerekend tot de dag der algehele voldoening. 3.2. [verzoeker] legt aan zijn verzoek ten grondslag – verkort en zakelijk weergegeven – dat de brug gebrekkig is en gevaar voor personen heeft opgeleverd en dat de Gemeente als wegbeheerder daarvoor (risico)aansprakelijk is op de voet van artikel 6:174 BW. [verzoeker] stelt dat de Gemeente tevens aansprakelijk is uit hoofde van artikel 6:162 BW omdat de Gemeente er onvoldoende voor heeft gezorgd dat de brug in een goede staat verkeerde. Volgens [verzoeker] had het risico op vallen en/of uitglijden gemakkelijk verholpen kunnen worden door het aanbrengen van een deugdelijke antislipvoorziening op de geleideranden en/of door het plaatsen van een adequate waarschuwing tegen mogelijk gevaar dat met het betreden van de geleideranden gepaard gaat, waarbij het achterwege laten van een dergelijke voldoende specifieke waarschuwing een zelfstandige grond oplevert voor aansprakelijkheid van de Gemeente op grond van artikel 6:162 BW. 3.3. De Gemeente voert gemotiveerd verweer. De Gemeente betwist dat de brug gebrekkig is en/of een gevaarzettende situatie in het leven roept. Voor zover hier wel sprake van zou zijn, stelt de Gemeente dat het ongeval (deels) te wijten is aan de eigen schuld van [verzoeker] . 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordelingBehandeling in een deelgeschilprocedure4.1. Het onderhavige verzoek is gegrond op artikel 1019w Rv. Dat artikel biedt de persoon die een ander aansprakelijk houdt voor zijn letselschade de mogelijkheid, ook voordat de zaak ten principale aanhangig is, de rechter te verzoeken te beslissen over een geschil omtrent of in verband met een deel van hetgeen ter zake tussen hen rechtens geldt en waarvan de beëindiging kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst over de vordering in de hoofdzaak. 4.2. Met partijen is de rechtbank van oordeel dat de beoordeling van het geschil tussen partijen betreffende de gestelde aansprakelijkheid van de Gemeente voor het letsel van [verzoeker] zich leent voor een behandeling in een deelgeschilprocedure. De rechtbank zal het verzoek derhalve inhoudelijk beoordelen. Inhoudelijke beoordeling4.3. Vaststaat dat [verzoeker] ten val is gekomen toen hij gebruik maakte van de brug, die onderdeel uitmaakt van de openbare weg en de weguitrusting ter plaatse. Aan de orde is of de Gemeente in haar hoedanigheid als wegbeheerder aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval. [verzoeker] baseert de gestelde aansprakelijkheid van de Gemeente op de artikelen 6:174 BW en 6:162 BW. In verband hiermee overweegt de rechtbank als volgt. 4.4. Op de wegbeheerder rust de plicht ervoor te zorgen dat de toestand van de weg de veiligheid van personen en zaken niet in gevaar brengt (vgl. onder meer het nog onder het oude recht gewezen HR 20 maart 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0549, NJ 1993/547 Bussluis)) . Deze verplichting is in artikel 6:174 leden 1 en 2 BW verwoord als een risicoaansprakelijkheid. Deze aansprakelijkheid dient te worden beoordeeld aan de hand van de maatstaven die zijn ontwikkeld in HR 17 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN6236, NJ 2012/155 (Wilnis), r.o. 4.4.3 (vgl. HR 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:831, NJ 2014/368 (Reaal/Deventer)). Bij het antwoord op de vraag of de weg voldoet aan de eisen die daaraan in de gegeven omstandigheden mogen worden gesteld, en dus niet gebrekkig is, komt het derhalve aan op de – naar objectieve maatstaven te beantwoorden – vraag of deze, gelet op het te verwachten gebruik of de bestemming daarvan, met het oog op voorkoming van gevaar voor personen en zaken deugdelijk is, waarbij ook van belang is hoe groot de kans op verwezenlijking van het gevaar is en welke onderhouds- en veiligheidsmaatregelen mogelijk en redelijkerwijs te vergen zijn (het arrest Wilnis, r.o. 4.4.4). Deze maatstaven komen overeen met de ‘kelderluikcriteria’ (HR 5 november 1965, ECLI:NL:HR:1965:AB7079, NJ 1966/136 (Kelderluik) en HR 28 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:47, NJ 2013/366 (Martina/Curaçao)). De aansprakelijkheid van de wegbeheerder op grond van art. 6:174 BW betreft (de toestand van) de openbare weg, waaronder ingevolge artikel 6:174 lid 6 BW mede zijn te verstaan het weglichaam en de weguitrusting. Die aansprakelijkheid is beperkt tot gebreken die samenhangen met de verkeersfunctie van de openbare weg. 4.5. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (vgl.HR 3 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE2202, NJ 2002/465 (ZOAB) kan de aanwezigheid van ijzel of sneeuw op het wegdek waardoor gladheid wordt veroorzaakt niet als gebrek in de zin van artikel 6:174 BW worden aangemerkt. 4.6. De wegbeheerder kan daarnaast, mede uit hoofde van zijn algemene zorgplicht ten aanzien van de veiligheid van weggebruikers, aansprakelijk zijn op grond van artikel 6:162 BW. Ook dan moet worden getoetst of is voldaan aan de genoemde ‘kelderluikcriteria’. Die toetsing is onder meer aan de orde in het geval de gestelde aansprakelijkheid berust op de aanwezigheid van - niet van de weg, het weglichaam of weguitrusting deel uitmakende - voorwerpen op de weg. Ter zake zal de wegbeheerder dan het verwijt moeten kunnen worden gemaakt dat hij in de nakoming van deze plicht is tekortgeschoten. De rechtbank verwijst naar HR 7 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2283 en de conclusie van A-G Hartlief vóór dit arrest over de verhouding tussen de artikelen 6:174 BW en 6:162 BW. In de lagere rechtspraak is aangenomen dat de maatstaven die gelden voor het bepalen van de aansprakelijkheid van de wegbeheerder op grond van de artikelen 6:174 BW en 6:162 BW niet of nauwelijks verschillen. 4.7. Gelet op het vorenstaande en de stellingen van [verzoeker] , is een beoordeling van de gestelde aansprakelijkheid van de Gemeente aan de hand van artikel 6:162 BW in dezen niet aan de orde. Al hetgeen [verzoeker] naar voren heeft gebracht, is terug te voeren op de gestelde gebrekkige toestand van de brug als openbare weg, het weglichaam en de weguitrusting. [verzoeker] verwijt de Gemeente geen nalaten ten aanzien van de aanwezigheid van ijzel op de geleideranden van de brug op 19 februari 2016. Hij verwijt de Gemeente (slechts) nalaten waarschuwingsborden te plaatsen in verband met mogelijke gladheid van de geleideranden van de brug als gevolg van weersomstandigheden, hetgeen een verwijt ten aanzien van een gebrek in verband met de weguitrusting betreft. Aard van de brug4.8. De [verzoeker] stelt allereerst dat de brug gebrekkig/gevaarzettend is, omdat deze als bouwwerk niet voldoet aan de artikelen 2.17 en 2.45 van het Bouwbesluit. 4.9. Artikel 2.17 luidt, voor zover relevant: ‘3. Een hellingbaan als bedoeld in artikel 2.27 heeft, voor zover een zijkant van de vloer meer dan 1 m hoger ligt dan een aansluitende vloer, het aansluitende terrein of het aansluitende water, aan die zijkant een niet beweegbare afscheiding.’ De rechtbank verwerpt de stelling van [verzoeker] dat de brug op grond van dit artikel aan weerszijden tot het einde toe doorlopende niet beweegbare afscheidingen moet hebben. Met de Gemeente is de rechtbank van oordeel dat dit artikel aldus moet worden gelezen dat een brug/hellingbaan vanaf het moment dat (‘voor zover’) deze een meter hoger ligt dan de aansluitende vloer, een niet beweegbare afscheiding moet hebben. Gelet op de hiervoor onder 2.4. opgenomen omschrijving van de bruginrichting voldoet de brug aan deze veiligheidsnorm. [verzoeker] kan zich derhalve niet met succes op een schendig van dit artikel van het Bouwbesluit beroepen. Dit geldt evenzeer voor artikel 2.45 van het Bouwbesluit. Hiertoe is het volgende doorslaggevend. 4.10. De Nota van toelichting behorende bij het Bouwbesluit vermeldt ten aanzien van artikel 2.45 van het Bouwbesluit: ‘Een voorgeschreven hellingbaan moet aan de zijkant een aaneengesloten geleiderand hebben, met een vanaf de vloer van de hellingbaan gemeten hoogte van ten minste 0,04 m. Dit is om te voorkomen dat een wiel van bijvoorbeeld een rolstoel of rollator naast de hellingbaan terecht komt, waardoor de rolstoel of de rollator kan kantelen’. De in dit artikel van het Bouwbesluit neergelegde norm strekt ertoe, zoals de Gemeente heeft aangevoerd, te voorkomen dat iemand met een rolstoel of een rollator van de hellingbaan afvalt en niet tot bescherming van [verzoeker] als voetganger tegen de door hem geleden schade. Derhalve is niet voldaan aan het relativiteitsvereiste en kan een beroep op dit artikel niet tot aansprakelijkheid van de Gemeente voor vergoeding van de door [verzoeker] geleden en nog te lijden schade leiden. Bij deze stand van zaken kan beantwoording van de vraag of de brug, althans de geleideranden voldoe(t)/(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.