vonnis RECHTBANK DEN HAAG Team handel zaaknummer / rolnummer: C/09/502621 / HA ZA 15-1434 Vonnis van 7 december 2016 in de zaak van [eiseres] , wonende te [woonplaats 1] , eiseres, advocaat mr. E.W. Bosch te Honselersdijk, tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats 2] , gedaagde, advocaat mr. H.J. van Gijssel te Amsterdam. Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden. 1De procedure 1.
(2015)+ € 12.000 (2016 en 2017) + € 3.000 (1 jan. 2018-1 juli 2018) = € 16.000plus - € 3000 minus €1.650 = € 1.350 (bijbaan juli 2018-1 januari 2019) = € 25.050resultaat:€ 39.821 minus € 25.050 = € 14.771 4.12. Het ter zake van het gederfd levensonderhoud meer of anders gevorderde zal worden afgewezen. Dat geldt ook voor de posten huishoudelijke hulp en woningonderhoud (voor zover deze laatste post al voor vergoeding op grond van artikel 6:108 lid 1 sub d BW in aanmerking komt), reeds omdat bij de daarop gebaseerde vorderingen eveneens ten onrechte is uitgegaan van de handhaving van de feitelijke situatie waarin [eiseres] en haar vader zich ten tijde van het overlijden bevonden. 4.13. De wettelijke rente over het bedrag aan gederfd levensonderhoud is gevorderd met ingang van 16 oktober 2015, de datum waarop de onrechtmatige daad is gepleegd. De schade ter zake van gederfd levensonderhoud is echter op achtereenvolgende tijdstippen in de periode na overlijden geleden en zal voor een deel nog in de toekomst worden geleden, namelijk tot 1 juli 2017. Om pragmatische redenen (uitsplitsing naar verschillende rentedata is complex en het totaalbedrag is gering) acht de rechtbank het redelijk de wettelijke rente over het gehele toe te wijzen bedrag te doen ingaan per datum dagvaarding. 4.14. De vordering die betrekking heeft op kosten van lijkbezorging wordt door [eiseres] terecht gegrond op artikel 6:108 lid 2 BW. 4.15. Deze kosten van lijkbezorging, door [eiseres] uitvaartkosten genoemd, zijn betaald door een oom van [eiseres] . Deze oom en [eiseres] zijn een overeenkomst van lastgeving aangegaan (dagvaarding, productie 21), waarbij de oom de last aan [eiseres] heeft gegeven om de door hem gemaakte uitvaartkosten te verhalen op de aansprakelijke partij, in dit geval [gedaagde] . Nu vaststaat dat er sprake is van lastgeving is de rechtbank van oordeel dat [eiseres] uit hoofde van die overeenkomst gerechtigd is in deze procedure vergoeding van de uitvaartkosten te vorderen. 4.16. De uitvaartkosten bedragen volgens [eiseres] € 13.307,41. [gedaagde] heeft in het licht van de door [eiseres] overgelegde facturen en bonnen (dagvaarding, productie 22) niet voldoende gemotiveerd betwist dat dit bedrag daadwerkelijk aan uitvaartkosten is uitgegeven, zodat de rechtbank daarvan uitgaat. [gedaagde] heeft wel aangevoerd dat deze kosten slechts ten dele voor vergoeding in aanmerking komen. De kosten van lijkbezorging op grond van artikel 6:108 lid 2 BW komen immers slechts in aanmerking voor vergoeding “voor zover zij in overeenstemming zijn met de omstandigheden van de overledene” en dat van dat laatste sprake is, is door [eiseres] niet onderbouwd, aldus [gedaagde] . Het feit dat een uitvaartverzekering is afgesloten met een verzekerde som van € 8.774, wijst volgens [gedaagde] op het tegendeel. De rechtbank passeert de verweren van [gedaagde] op dit punt. De omstandigheden van de overledene worden niet bepaald door de hoogte van de in het kader van de uitvaartverzekering verzekerde som. Die verzekerde som kan daarbij een gezichtspunt zijn, maar niet meer dan dat, enkel al vanwege het feit dat een dergelijke verzekering vaak vele jaren voorafgaand aan het overlijden is afgesloten en de omstandigheden van de overledene nadien kunnen wijzigen en ook vaak gewijzigd zullen zijn. In dit specifieke geval geldt dat de wijze waarop de uitvaart van de vader van [eiseres] is vormgegeven, overeenstemt met de gebruiken zoals die ook volgens [gedaagdes] eigen verklaring ter terechtzitting gelden in de kring waarin de vader van [eiseres] verkeerde. De uitgaven zijn, gegeven de gekozen vorm voor de uitvaart, niet buitensporig. De rechtbank is daarom van oordeel dat het bedrag van € 13.307 niet buitensporig is. Desondanks komt slechts een deel van dat bedrag voor toewijzing in aanmerking nu de reeds uitgekeerde verzekeringspenningen van € 8.803 (zie productie 22 bij dagvaarding) in mindering dienen te worden gebracht. De stelling van [eiseres] dat geen verrekening met de verzekeringspenningen mag plaatsvinden nu het een uitkering uit een sommenverzekering betreft, althans dat de verzekeringspenningen niet als “voordeel” mogen worden beschouwd in de zin van artikel 6:100 BW, slaagt niet. Artikel 6:108 lid 2 BW ziet immers enkel op vergoeding voor gemaakte kosten en de oom van [eiseres] heeft slechts kosten gemaakt voor zover hij uitgaven heeft gedaan die uitgingen boven het bedrag van € 8.803. De rechtbank acht daarom een bedrag van € 4.504 toewijsbaar. De wettelijke rente daarover acht de rechtbank toewijsbaar als gevorderd, met ingang van 20 oktober 2015, de datum na de dag waarop de uitvaart heeft plaatsgevonden. Immateriële schade 4.17. [eiseres] vordert een bedrag van € 25.000 aan immateriële schade, gegrond op artikel 6:106 lid 1 sub b BW juncto 6:162 BW, de zogeheten “shockschade”. [eiseres] heeft daartoe aangevoerd dat zij de steekpartij weliswaar niet zelf heeft waargenomen, maar wel thuis was toen die steekpartij, buiten voor het huis, plaatsvond, dat zij het noodnummer112 heeft gebeld toen zij haar vader zag liggen en dat zij, nadat zij door de politie naar buiten werd begeleid, langs het lichaam van haar vader is gelopen, waarbij zij hem zag liggen “met bloed uit zijn mond” en “met allemaal doeken om hem heen.” Ook heeft zij gesteld als gevolg van deze confrontatie te lijden aan een psychiatrische stoornis, te weten een posttraumatische stress-stoornis en daarvoor in behandeling te zijn, hetgeen zij heeft onderbouwd met een verklaring van haar huisarts en haar therapeut, die spreekt over “een traumabehandeling met EMDR en CGT” (dagvaarding, producties 25 en 30). 4.18. [gedaagde] heeft betwist dat er in dit geval van shockschade sprake is. 4.19. De rechtbank stelt voorop dat shockschade volgens de wetsgeschiedenis en de jurisprudentie beperkt wordt uitgelegd. Voor het verdriet van de nabestaande als gevolg van het verlies van een dierbare, zogeheten affectieschade, kan (nog) geen immateriële schadevergoeding worden toegekend. Voor het leed dat veroorzaakt is door het geestelijk letsel als gevolg van de confrontatie met het ongeval of, in dit geval, de steekpartij, althans de ernstige gevolgen daarvan, komt de nabestaande onder omstandigheden wel immateriële schadevergoeding toe. In dat laatste geval is de nabestaande immers zelf in haar persoon aangetast, zoals door de wet vereist (vgl. Hoge Raad 22 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5356 (het taxibus-arrest). Voor bedoelde aantasting in de persoon is volgens de Hoge Raad voldoende dat een rechtstreeks verband bestaat tussen het gevaarzettend handelen enerzijds en het geestelijk letsel dat een derde door de confrontatie met de gevolgen van dit handelen oploopt anderzijds. Voorts heeft de Hoge Raad geoordeeld dat deze confrontatie ook kan plaatsvinden (kort) nadat de gebeurtenis die tot de dood of verwonding van een ander heeft geleid, heeft plaatsgevonden. De aard van de te vergoeden immateriële schade brengt volgens de Hoge Raad mee dat deze schade in het algemeen slechts voor vergoeding in aanmerking komt indien (
- i)de betrokkene rechtstreeks wordt geconfronteerd met de omstandigheden waaronder het ongeval heeft plaatsgevonden en, (
- ii)deze confrontatie bij de betrokkene een hevige schok teweeggebracht heeft, hetgeen zich met name kan voordoen indien sprake is van een nauwe (affectieve) band met degene die door het ongeval is gedood of gewond geraakt. 4.20. Anders dan [gedaagde] heeft aangevoerd, is de rechtbank van oordeel dat in het onderhavige geval de conclusie gerechtvaardigd is dat er sprake is van aantasting in de persoon als bedoeld in artikel 6:106 lid 1 sub b BW. [eiseres] is kort na de steekpartij (twee maal) geconfronteerd met het lichaam van haar overleden vader, in de toestand waarin deze zich op straat als gevolg van de steekpartij bevond, als door haar aangevoerd. Zij heeft genoegzaam aangetoond dat zij als gevolg daarvan hevig is geschokt, waaruit geestelijk letsel is voortgevloeid, te weten een posttraumatische stress-stoornis, hetgeen een erkend psychiatrisch ziektebeeld is en waarvoor zij ook traumabehandelingen ondergaat. Verder heeft [eiseres] ter terechtzitting verklaard dat zij naast de behandelingen ook gesprekken heeft met haar therapeut, omdat die behandelingen haar zwaar vallen, en dat zij verder om de anderhalve week slachtofferhulp krijgt. Het geestelijk letsel van [eiseres] acht de rechtbank van zodanig ernstige aard dat moet worden aangenomen dat zij daardoor in haar persoon is aangetast. Dat leidt tot toewijzing van een bedrag aan immateriële schade, oftewel smartengeld. Toekenning van smartengeld doet recht aan het feit dat het opgelopen letsel erkenning verdient. Inherent aan elk bedrag is echter dat de mate waarin die erkenning wordt ervaren, per persoon kan verschillen. Daarom kan de subjectieve wens van [eiseres] ten aanzien van de hoogte van het bedrag niet beslissend zijn, maar gaat het erom naar billijkheid een bedrag vast te stellen, rekening houdend met alle omstandigheden van het geval en zo mogelijk met bedragen die in vergelijkbare gevallen worden toegewezen. De rechtbank acht na vergelijking met andere gevallen en er van uitgaande dat [eiseres] , die nog jong is, geen blijvend letsel zal overhouden en in staat zal zijn op termijn haar leven weer op te pakken, niet het door [eiseres] gevorderde bedrag van € 25.000, maar een bedrag van € 10.000 aan immateriële schadevergoeding passend, waarbij dit bedrag als “geïndexeerd per heden” moet worden beschouwd. De gevorderde wettelijke rente wordt daarom toegewezen per datum vonnis. Kosten studievertraging 4.21. [eiseres] vordert, in het verlengde van de immateriële shockschade, een bedrag van € 19.575 aan materiele schadevergoeding wegens volgens haar als gevolg van de shock opgelopen studievertraging. Met [eiseres] is de rechtbank van oordeel dat ook materiele schade die het direct gevolg is van het opgelopen geestelijk letsel toewijsbaar is. Immers, nu vastgesteld is dat is voldaan aan de in de wet en jurisprudentie vastgelegde vereisten voor shockschade, staat daarmee tevens vast dat ook jegens [eiseres] onrechtmatig is gehandeld en dat de schadelijke gevolgen van de onrechtmatig veroorzaakte shock voor rekening van de aansprakelijke partij komen, in casu [gedaagde] . Dan resteert de vraag of het ter zake door [eiseres] gevorderde bedrag toewijsbaar is. Dat is naar het oordeel van de rechtbank het geval. Daartoe is van belang dat [eiseres] een verklaring van haar studentendecaan [A 2] heeft overgelegd waarin hij zonder voorbehoud verklaart dat van een studievertraging van ten minste een jaar sprake is. Onder die omstandigheden volstaat een blote betwisting door [gedaagde] niet. De rechtbank zal dan ook uitgaan van een jaar causale studievertraging en voor de begroting daarvan aanhaken bij de richtlijnen van de Letselschaderaad, die voor een HBO-opleiding neerkomen op een jaarschade van € 19.575. Dit bedrag is toewijsbaar, vermeerderd met wettelijke rente per vonnisdatum. Buitengerechtelijke kosten 4.22. Tot slot vordert [eiseres] vergoeding van kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid, als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 aanhef en onder b BW, te weten € 3.078,24 voor het berekenen van de omvang van de overlijdensschade, welke berekening is opgemaakt door haar advocaat en overgelegd als productie 5 bij dagvaarding. Toegelicht is dat ervoor gekozen is de berekening niet uit te besteden aan een extern ter zake kundig bureau, maar dat de advocaat van [eiseres] zelf, met behulp van een daartoe geschikt computerprogramma, tot berekening van de overlijdensschade is overgegaan. Daaraan zou tien uur zijn besteed, tegen een uurtarief van € 240, hetgeen inclusief 6% kantoorkosten en BTW optelt tot € 3.078,24. 4.23. De rechtbank acht deze vordering, anders dan [gedaagde] heeft betoogd, toewijsbaar, want redelijk. Er bestaat immers causaal verband tussen de onrechtmatige daad en de noodzaak om de als gevolg daarvan door [eiseres] geleden schade in kaart te brengen, middels een berekening. Dat die berekening door de rechtbank slechts ten dele, met name ten aanzien van de inkomsten van [eiseres] , is gevolgd, doet daaraan niet af. Evenmin staat aan toewijzing in de weg, zoals door [gedaagde] betoogd, dat die berekening “partijdig” is; dat laatste geldt immers in zekere zin per definitie voor een in opdracht van een partij gemaakte berekening, ook als deze in diens opdracht door een extern deskundige wordt vervaardigd, die immers de door de partij aangedragen gegevens als uitgangspunt zal bezigen. Bovendien acht de rechtbank de gemaakte kosten naar hun omvang redelijk. Het bedrag van € 3.078,24 komt dus ten laste van [gedaagde] . De gevorderde wettelijke rente hierover met ingang van de datum van dagvaarding, is eveneens toewijsbaar. Conclusie4.24. De rechtbank zal [gedaagde] veroordelen om aan [eiseres] de volgende bedragen te betalen: € 14.771, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van 22 december 2015;€ 4.504, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van 20 oktober 2015;€ 10.000, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van 7 december 2016; € 19.575, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van 7 december 2016;€ 3.078,24, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van 22 december 2015. De gevorderde verklaring voor recht zal, nu alle vorderingen reeds zijn begroot in dit vonnis, bij gebrek aan belang worden afgewezen. Proceskosten 4.25. Voorts zal [gedaagde] , als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. Aan de zijde van [eiseres] worden deze kosten begroot op € 96,16 aan kosten deurwaarder, te betalen aan de griffier van deze rechtbank na ontvangst van een nota, € 78 aan griffierecht en € 1.158 (2 punten x tarief III) aan salaris advocaat. De proceskostenveroordeling levert ook voor de nakosten een executoriale titel op (vgl. HR, 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116), zodat de nakosten niet apart in het dictum zullen worden opgenomen. 5De beslissing De rechtbank - veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiseres] van de navolgende bedragen:€ 14.771, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van 22 december 2015;€ 4.504, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van 20 oktober 2015;€ 10.000, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van 7 december 2016; € 19.575, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van 7 december 2016;€ 3.078,24, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van 22 december 2015; - veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van [eiseres] begroot op € 96,16 aan kosten deurwaarder, te betalen aan de griffier van deze rechtbank na ontvangst van een nota, € 78 aan griffierecht en € 1.158 (2 punten x tarief III) aan salaris advocaat; - verklaart dit vonnis in zoverre uitvoerbaar bij voorraad; - wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. S.J. Hoekstra - van Vliet, mr. W.A.G.J. Ferenschild en mr. B.J. Sol en in het openbaar uitgesproken op 7 december 2016.