vonnis RECHTBANK DEN HAAG Team handel zaaknummer / rolnummer: C/09/505102 / HA ZA 16-159 Vonnis van 14 december 2016 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [eiseres] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres, advocaat mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam, tegen de publiekrechtelijke rechtspersoon DE GEMEENTE KATWIJK, zetelende te Katwijk, gedaagde, advocaat mr. F.L. Oudshoorn te Katwijk. Partijen zullen hierna [eiseres] en de gemeente genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 29 januari 2016, met producties; de conclusie van antwoord, met producties; het tussenvonnis van 13 april 2016, waarbij een comparitie van partijen is gelast; de akte overlegging producties van [eiseres] van 25 augustus 2016, met producties; het e-mailbericht van de rechtbank aan partijen van 17 augustus 2016 met betrekking tot de ontvankelijkheid van de vordering van [eiseres] ; het proces-verbaal van comparitie van 25 augustus 2015 en de daarin genoemde stukken. 1.2. Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald. 1.3. Het proces-verbaal van de comparitie is buiten aanwezigheid van partijen opgemaakt. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om opmerkingen te maken over het proces-verbaal voor zover het feitelijke onjuistheden betreft. [eiseres] heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt. De brief van mr. Bonnet van 20 september 2016 is aan het proces-verbaal gehecht. In dit vonnis wordt voor zover nodig op de inhoud van de opmerkingen van mr. Bonnet ingegaan. 2. De feiten 2.1. [eiseres] exploiteert een tuincentrum aan de [adres] te [vestigingsplaats] , gemeente Katwijk. Het bedrijf bestaat uit een overdekt winkelgedeelte van 3.500 m2 en een buitenterrein van 700 m2, waar een uitgebreid assortiment voor huis, tuin en dier wordt aangeboden. Het tuincentrum is zes dagen per week geopend van 8.30 tot 18.00 uur (van maandag tot en met donderdag), tot 20.30 uur (op vrijdag koopavond) en tot 17.00 uur (op zaterdag). Het tuincentrum is gelegen aan de noordelijke buitenrand van [vestigingsplaats] op de Noordwijkerweg. De meest belangrijke toegangsweg tot het tuincentrum is de Brouwerstraat, die uitmondt in de Noordwijkerweg. 2.2. Op 28 mei 2009 heeft de gemeenteraad van de gemeente besloten tot het treffen van een aantal maatregelen ter verbetering van de hoofdinfrastructuur in [vestigingsplaats] in verband met een aantal bestemmingsplannen en bouwplannen. Een van de maatregelen is de herinrichting van de Brouwerstraat tot 30 km-weg. In overleg met bewoners en andere belanghebbenden is hiervoor een ontwerp opgesteld. Op 22 mei 2012 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente (hierna: het college) het definitieve ontwerp opgesteld en op 23 mei 2012 heeft het college hiertoe verkeersbesluiten genomen. 2.3. Bij brief van 28 januari 2013 heeft het college aan V.O.F. [eiseres] (hierna: de vof), de vennootschap die het in 2.1 bedoelde tuincentrum destijds exploiteerde, meegedeeld dat de werkzaamheden voor de herinrichting van de Brouwerstraat op 11 februari 2013 zouden starten en dat de Brouwerstraat tijdens de werkzaamheden volledig zou zijn afgesloten. 2.4. Het herinrichtingsplan is uitgevoerd in de periode 12 februari tot en met 19 juli 2013. Gedurende deze periode is de Brouwerstraat op doordeweekse dagen van 07:00 uur tot 17:00 uur in beide richtingen afgesloten geweest voor doorgaand verkeer. [eiseres] heeft een deel van zijn bedrijf overgeplaatst naar een gehuurde locatie in [plaats] . 2.5. Een aantal vennootschappen, waaronder de vof, heeft op 19 februari 2013 bij de voorzieningenrechter bestuursrecht van deze rechtbank om het treffen van een voorlopige voorziening verzocht. Bij uitspraak van 12 maart 2013 heeft de voorzieningenrechter het verzoek afgewezen, waarbij onder meer is overwogen dat de gemeente wettelijk niet gehouden was tot het nemen een verkeersbesluit ten behoeve van de herinrichtingswerkzaamheden aan de Brouwerstraat. 2.6. Bij brief van 19 augustus 2014 heeft [eiseres] de gemeente verzocht om in verband met de volledige afsluiting van de Brouwerstraat op grond van het égalité-beginsel een bedrag van € 161.900 aan nadeelcompensatie toe te kennen. Laatstgenoemd bedrag bestaat uit de volgende componenten: “(…) - gederfde brutowinst € 146.000 - af: besparing door exploitatie locatie [plaats] € 21.000 -/- - kosten verplaatsen deelonderneming naar [plaats] pm - margederving incourante voorraad € 27.000 - extra reclamekosten € 2.400 - kosten adviseurs € 7.500 totaal € 161.900 (…)” 2.7. Op 31 oktober 2014 heeft de gemeente, op voordracht van [eiseres] , Lengkeek Expertises (hierna: Lengkeek) opgedragen een advies uit te brengen in verband met de door [eiseres] verzochte nadeelcompensatie. 2.8. Lengkeek heeft bij haar onderzoek vier vragen beantwoord: of er voldoende causaal bestaat tussen het optreden van de gemeente en de gestelde schade (i), wat de hoogte is van het omzetverlies (ii), of een eventueel nadeel redelijkerwijs niet of niet geheel ten laste van [eiseres] behoort te blijven (iii) en wat de hoogte is van de geleden schade (iv). 2.9. In haar eerste expertiserapport van 24 december 2014 (hierna: het eerste expertiserapport) heeft Lengkeek de gemeente geadviseerd aan [eiseres] geen vergoeding toe te kennen. In het rapport is vraag i bevestigend beantwoord en is het onder ii bedoelde omzetverlies berekend op € 159.201, exclusief btw. Met betrekking tot vraag iii heeft Lengkeek geconcludeerd dat het nadeel ten laste van [eiseres] dient te blijven, omdat het omzetverlies 6,75% bedraagt van de gemiddelde jaaromzet over de jaren 2010, 2011 en 2012 van € 2.358.941, exclusief BTW, waarmee de door Lengkeek toegepaste drempel van 15% (wegens het normaal maatschappelijk risico) niet werd overschreden. De onder iv bedoelde schade heeft Lengkeek (pro forma) als volgt berekend: “(…) - berekend omzetverlies: € 159.201 - belangpercentage: 40,4% - berekend belangverlies € 64.317 - extra kosten € 28.767 - margederving incourante voorraad € 15.920 € 109.004 - aftrek wegens normaal maatschappelijk risico van 25% € 27.251 -/- totaal € 81.753 (…)” 2.10. Naar aanleiding van dit eerste expertiserapport heeft op 17 februari 2015 een hoorzitting plaatsgevonden, waarbij [eiseres] haar commentaar heeft gegeven. 2.11. In het tweede expertiserapport van 9 maart 2015 heeft Lengkeek vervolgens de beantwoording van de vragen i en ii gehandhaafd. Met betrekking tot vraag iii heeft Lengkeek onder meer het volgende geschreven: “Voor de toetsing of het nadeel niet geheel of ten dele ten laste van verzoeker dient te blijven is aansluiting gezocht met hetgeen daarover in de literatuur en jurisprudentie is ontwikkeld. Uitgangspunt is daarbij onder meer dat de belangen van een of meer betrokkenen niet onevenredig geschaad mogen worden, in vergelijking met anderen die in een vergelijkbare positie verkeren. Voorts wordt aangenomen dat een ondernemer altijd in bepaalde mate rekening dient te houden met het risico van maatregelen die zijn bedrijfsvoering beïnvloeden. Allereerst wordt getoetst of het ondervonden nadeel een drempel van 15% omzetverlies overschrijdt. Deze drempel wordt geacht een indicatie te zijn van de omvang van het omzetverlies dat wordt geacht te behoren tot het normaal aanvaardbaar ondernemersrisico. Mocht het omzetverlies de drempel overschrijden, dan wordt de omvang van het nadeel berekend. Voor de bepaling van de 15% drempel wordt uitgegaan van de gemiddelde jaaromzet over de voorgaande drie jaren, in dit geval 2010, 2011 en 2012. De gemiddelde jaaromzet bedraagt € 2.358.941 exclusief btw. De omzetderving berekenden wij op € 159.201 exclusief btw. Hiermee bedraagt de omzetderving € 159.201 / € 2.358.941 = 6,75% en blijft daarmee onder de drempel van 15%. Dit nadeel blijft hiermee geheel ten laste van verzoeker. Overigens blijft ook het omzetverlies van alleen de vestiging [vestigingsplaats] onder de drempel van 15%. Het omzetverlies van de vestiging [vestigingsplaats] bedraagt € 275.733, zijnde 11,69%. Hierbij merken wij op dat het opsplitsen van het assortiment over 2 vestigingen (kamer-, en terrasplanten in [plaats] respectievelijk tuinmeubelen en bbq’s in [vestigingsplaats] ), mogelijk een negatief effect heeft gehad op in ieder geval de omzet in [vestigingsplaats] . Impulsaankopen van tuinmeubelen of bbq’s door bezoekers die voor de aankoop van planten een bezoek aan het tuincentrum brachten vielen weg. Nu ook het omzetverlies van alleen [vestigingsplaats] onder de drempel van 15% blijft, komen ook de extra kosten die verzoeker heeft gemaakt ten aanzien van de vestiging [plaats] niet voor vergoeding in aanmerking. Immers ook zonder deze extra kosten zou de drempel van 15% omzetderving niet zijn gehaald. Naar aanleiding van de mondelinge toelichting van partijen tijdens voornoemde hoorzitting zijn wij wel van mening dat in verband met het feit dat pas op het laatste moment duidelijk werd dat de weg een groot deel van de tijd volledig zou zijn afgesloten, verzoeker niet tijdig heeft kunnen inspelen op de situatie. Indien verzoeker wel tijdig zou zijn geïnformeerd had hij bij het inkopen voor het nieuwe seizoen rekening kunnen houden met een mogelijk lagere omzet. Hiermee had mogelijkerwijs voorkomen kunnen worden dat een deel van de voorraad incourant zou worden. Daarnaast had verzoeker de locatie [plaats] kunnen huren waardoor meer omzet in [plaats] gerealiseerd had kunnen worden, met een lager omzetverlies tot gevolg.” Naar aanleiding van deze bevindingen heeft Lengkeek bij de beantwoording van vraag iv aan de gemeente geadviseerd een schadevergoeding van € 18.022 met betrekking tot “margeverlies op incourante voorraad en resultaatderving door het later openen van de vestiging [plaats] ” toe te kennen, berekend als volgt: “(…) - gemiste omzet € 48.555 - belangpercentage 40,4% - berekend belangverlies € 19.616 - af: besparing kosten € 11.506 -/- - bij: margederving incourante voorraad € 15.920 - aftrek wegens normaal maatschappelijk risico van 25% € 6.008 -/- totaal € 18.022 (…)” 2.12. Nadat [eiseres] haar schriftelijk commentaar op het tweede expertiserapport had gegeven, heeft Lengkeek haar advies in het definitieve rapport van 1 juni 2015 gehandhaafd. 2.13. Bij brief van 8 juli 2015 heeft het college aan [eiseres] meegedeeld dat op grond van het advies van Lengkeek een schadevergoeding uit hoofde van nadeelcompensatie van € 18.022 zal worden uitgekeerd, welk bedrag vervolgens aan [eiseres] is betaald. 3Het geschil 3.1. [eiseres] vordert, na wijziging van eis, samengevat, dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de gemeente veroordeelt tot betaling aan [eiseres] van € 77.313, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 69.813 vanaf 12 november 2014 tot de dag van algehele voldoening, en de gemeente veroordeelt in de kosten van de procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente. 3.2. Hieraan legt [eiseres] , samengevat, de volgende stellingen ten grondslag. De gemeente heeft onrechtmatig gehandeld door te weigeren niet de volledige door [eiseres] geleden schade als gevolg van de herinrichtingswerkzaamheden aan de Brouwerstraat, althans een aanzienlijk deel daarvan, te vergoeden. De gemeente had naast het reeds betaalde bedrag van € 18.022 nog een vergoeding van € 69.813 aan [eiseres] moeten uitkeren. Daarnaast dient de gemeente op te komen voor de door [eiseres] gemaakte buitengerechtelijke kosten van rechtsbijstand van € 5.000 en de kosten van de financieel deskundige van € 2.500. 3.3. De gemeente voert gemotiveerd verweer. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling 4.1. Vaststaat dat er aan de werkzaamheden aan de Brouwerstraat geen voor bezwaar en beroep vatbaar besluit van de gemeente ten grondslag ligt en dat er evenmin een bestuursrechtelijke rechtsgang heeft opgestaan tegen het besluit van de gemeente tot toekenning van het aan [eiseres] betaalde bedrag. Hieruit volgt dat [eiseres] ontvankelijk is in haar vordering bij de burgerlijke rechter. [eiseres] BV en de vof 4.2. De gemeente heeft allereerst betwist dat [eiseres] vorderingsgerechtigde is, omdat het tuincentrum te [vestigingsplaats] ten tijde van de reconstructie van de Brouwerstraat werd gedreven door de vof en volgens de gemeente niet is gebleken dat de vof haar vordering heeft overgedragen aan [eiseres] . Dit verweer gaat niet op, gelet op het volgende. 4.3. Vast staat dat het tuincentrum te [vestigingsplaats] dat [eiseres] thans exploiteert ten tijde van de reconstructiewerkzaamheden aan de Brouwerstraat werd gedreven door de vof. De rechtbank leidt uit de overgelegde oprichtingsakte van [eiseres] B.V., de bijbehorende inbrengbeschrijving en de notariële akte van inbreng (productie 8 en 9 bij de dagvaarding), allen daterend 28 februari 2014, af dat de drie broers [A] , [B] en [C] aandeelhouders en tevens bestuurders waren van [X] B.V. en dat deze B.V. vervolgens [eiseres] B.V. heeft opgericht. Daarbij zijn de aandelen volgestort door inbreng in die opgerichte vennootschap van (kort gezegd) de door de oprichter (feitelijk: de broers) gedreven onderneming met alle daartoe behorende activa en passiva, voor de waarde per 1 oktober 2013. Die “gedreven onderneming” betrof de toenmalige vof. Dit leidt tot de conclusie dat alle rechten en verplichtingen van de vof zijn overgegaan op de B.V., en dat de vof daarmee ook haar vordering jegens de gemeente heeft ingebracht in [eiseres] , zoals ter zitting door de accountant van [eiseres] desgevraagd is bevestigd. Vaststellingsovereenkomst? 4.4. De gemeente stelt zich verder op het standpunt dat, aangezien partijen vrijwillig hebben meegewerkt aan de totstandkoming van het expertiserapport van Lengkeek en er volgens de gemeente geen klemmende bezwaren tegen dit rapport zijn aangevoerd, partijen ook gebonden zijn aan de conclusies van het deskundigenrapport als ware dit een vaststellingsovereenkomst. De enige uitzondering hierop is als het rapport zodanige gebreken vertoond dat het naar redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn om partijen daaraan gebonden te achten. 4.5. Naar de rechtbank begrijpt stelt de gemeente zich hiermee op het standpunt dat het definitieve rapport van Lengkeek een vaststelling is ter uitvoering van een vaststellingsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:900 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is. Bij een vaststellingsovereenkomst, zo volgt uit artikel 7:900 lid 1 BW, binden partijen, ter beëindiging of ter voorkoming van onzekerheid omtrent wat tussen hen rechtens geldt, zich jegens elkaar aan een vaststelling daarvan, bestemd om ook te gelden voor zover zij van de tevoren bestaande rechtstoestand mochten afwijken. Dat partijen in dit geval een vaststellingovereenkomst hebben gesloten, is niet gebleken. [eiseres] heeft dit ook nadrukkelijk weersproken. In ieder geval is ontoereikend dat, zoals de gemeente heeft aangevoerd, Lengkeek op voorspraak van [eiseres] door de gemeente is benoemd en dat [eiseres] heeft meegewerkt aan de totstandkoming van de rapporten van Lengkeek. Het verweer van de gemeente op dit punt wordt dan ook verworpen. Nadeelcompensatie 4.6. Vervolgens komt de rechtbank toe aan het centrale geschilpunt, namelijk de vraag of de gemeente is gehouden om meer dan het reeds uitgekeerde bedrag aan schadevergoeding aan [eiseres] te betalen. Hierbij wordt het volgende voorop gesteld. 4.7. De vordering is gebaseerd op het égalité-beginsel. In de rechtspraak is de regel ontwikkeld dat de onevenredig nadelige - dat wil zeggen buiten het normale maatschappelijke risico of het normale bedrijfsrisico vallende, en op een beperkte groep burgers of instellingen drukkende - gevolgen van een overheidshandeling of overheidsbesluit niet ten laste van die beperkte groep behoren te komen, maar gelijkelijk over de gemeenschap moeten worden verdeeld. Uit deze regel vloeit een tweetal, naast elkaar bestaande, vereisten voort: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.