beschikking __________________________________________________________________ _______ RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats ’s-Gravenhage RJP Zaaknr.: 4970061/16-50268 en 4970216/16-50269 Datum: 12 mei 2016 Beschikking van de kantonrechter in de zaak van: [verzoeker] wonende te [woonplaats] , verzoeker in de voorlopige voorziening en in de hoofdzaak, verweerder in het zelfstandig voorwaardelijk verzoek, gemachtigde: mr. N.M. Fakiri, tegen de publiekrechtelijke rechtspersoon Gemeente Delft, mede handelende onder de naam Werkse!, gevestigd te Delft, verweerder in de voorlopige voorziening en in de hoofdzaak, verzoeker in het zelfstandig voorwaardelijk verzoek, gemachtigde: mr. J.H.M. Wesseling. Partijen zullen hierna [verzoeker] en Werkse! genoemd worden. 1Het procesverloop
- Het door [verzoeker] ingediende verzoekschrift, met producties, is bij de rechtbank binnengekomen op 4 april
- Werkse! heeft een verweerschrift ingediend, tevens houdende een voorwaardelijk verzoek tot ontbinding, met producties.
- Op 28 april 2016 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting op hun standpunten naar voren hebben gebracht. [verzoeker] heeft zijn standpunt doen bepleiten aan de hand van een pleitnota die is overgelegd. 2De feiten 2.
- De gemeente Delft exploiteert een beschutte werkplaats in het kader van de Wet sociale werkvoorziening onder de naam Werkse! te Den Hoorn. 2.2 [verzoeker] , geboren op [1961] , is op [1990] bij Werkse! in dienst getreden. Zijn functie is [functie] De huidige arbeidsovereenkomst (36 uur per week) is voor onbepaalde tijd. Het salaris bedraagt thans [xx] bruto per maand, exclusief emolumenten. Op de arbeidsverhouding is de CAO voor de Sociale werkvoorziening van toepassing. Zaaknr: 4970061/16-50268 en 49702 16/16-50269 blad 2 _________________________________________________________________ ___________ 2.3 Op 1 oktober 2015 vindt een voorval plaats waarbij [verzoeker] betrokken is. 2.4 [verzoeker] wordt door onder meer zijn werkleider diezelfde dag gehoord. In het door Werkse! opgestelde en aan [verzoeker] toegezonden gespreksverslag staat het volgende (waarin [L] staat voor de werkleider [LR] ): “Aanleiding voor het gesprek [verzoeker] heeft [JW] een schop gegeven en een klap met een bloedneus als gevolg. (...) [L] vraagt [verzoeker] waarom hij [JW] een klap heeft gegeven. [verzoeker] geeft aan dat [JW] hem zat uit te dagen o.a. door aan [verzoeker] ‘s privéauto te zitten en obscene gebaren te maken. [verzoeker] heeft [JW] eerst een aantal keren verzocht om te stoppen met dit gedrag. Toen [JW] toch steeds door ging heeft [verzoeker] hem uit frustratie een schop en een klap gegeven(...) [verzoeker] weet dat dit gedrag niet getolereerd wordt en heeft spijt van het voorval. Hij geeft aan dat hij extra snel geïrriteerd was omdat hij zich zorgen maakt over de gezondheid van zijn vrouw. Afspraken • [verzoeker] wordt tot nader order op non actief gesteld. (...)” 2.5 Bij brief d.d. 2 oktober 2015 van Werkse! aan [verzoeker] staat onder meer het volgende: “(...) Op donderdag] oktober 2015, heeft u op het werk uw collega een bloedneus geslagen. Werkse! accepteert onder geen enkele voorwaarde agressief gedrag. Uw bovengenoemde fysieke agressie is dan ook volstrekt ontoelaatbaar. De voortgang van de werkzaamheden is door uw agressieve gedrag ernstig belemmerd om welke reden ik hierbij bevestig dat u per 1 oktober 2015 op non-actief bent gesteld voor ten hoogste 4 weken. Een en ander volgens de CAO voor de Sociale Werkvoorziening hoofdstuk 10.
- (...) “. 2.6 Op 9 en 28 oktober 2015 vinden tussen Werkse! en [verzoeker] gesprekken plaats. In het laatste gesprek wordt [verzoeker] een vaststellingsovereenkomst tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst aangeboden. [verzoeker] heeft het aanbod niet geaccepteerd. 2.7 Nadat Werkse! het salaris over december 2015 niet aan [verzoeker] had betaald, start [verzoeker] een kort geding. In het betreffende vonnis van de kantonrechter in deze rechtbank (rolnummer4755l52/16-1468) d.d. 8 februari 2016 wordt Werkse! veroordeeld tot loondoorbetaling. 2.8 Bij brief d.d. 4 februari 2016 van Werkse! aan [verzoeker] staat het volgende: “(...) Hierbij zeg ik uw arbeidsverhouding met Werkse! onverwijld op, als bedoeld in hoofdstuk 10, artikel 10.1, lid 1 sub h van de AO voor de Sociale werkvoorziening. De reden dat ik u met dit besluit voornoemde disciplinaire maatregel opleg is, dat u zich op 1 oktober 2015 ernstig heeft misdragen; u heeft fysiek geweld gebruikt jegens uw collega met diens letsel tot gevolg. (...)”. Zaaknr: 4970061/16-50268 en 4970216/16-50269 blad 3 ____________________________________________________________ __________ 3De verzoeken en het verweer 3.1 [verzoeker] vraagt bij wijze van voorlopige voorziening op grond van artikel 223 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering Werkse! te veroordelen tot, kort gezegd, loondoorbetaling vanaf 4 februari 2016, verstrekking van salarisspecificaties op straffe van een dwangsom en betaling van buitengerechtelijke incassokosten, alle bedragen met wettelijke rente. In de hoofdzaak verzoekt hij primair vernietiging van de opzegging c.q. het gegeven ontslag op staande voet met betaling van het achterstallige salaris, met wettelijke rente en incassokosten alsmede wedertewerkstelling. Subsidiair verzoekt hij betaling van de transitievergoeding en een billijke vergoeding, althans een schadevergoeding ter hoogte van de transitievergoeding, en betaling van een bedrag gelijk aan het loon gedurende de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren. Subsidiair vordert hij ook buitengerechtelijke incassokosten en betaling van de wettelijke rente over de genoemde bedragen. 3.2 [verzoeker] legt aan zijn verzoek ten grondslag dat een dringende reden aan het ontslag op staande voet ontbreekt en voorts dat het ontslag niet onverwijld gegeven is. 3.3 Werkse! voert tegen het verzoek tot voorlopige voorziening en in de hoofdzaak gemotiveerd verweer dat, voor zover van belang, hierna aan de orde zal komen. 3.4 Bij wijze van zelfstandig verzoek verzoekt Werkse! voorwaardelijk, onder de voorwaarde dat boek 7, titel 10 van het Burgerlijk Wetboek (BW) op de arbeidsovereenkomst van toepassing is en de arbeidsovereenkomst niet reeds rechtsgeldig is beëindigd, ontbinding van de arbeidsovereenkomst onder toepassing van artikel 7:671b, lid 1 onder a BW. 3.5 Werkse! legt aan zijn verzoek ten grondslag verwijtbaar handelen van [verzoeker] als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 sub e, althans sub g BW. 3.6 [verzoeker] voert gemotiveerd verweer dat, voor zover van belang, hierna aan de orde zal komen. 4De beoordeling in de hoofdzaak en in de voorlopige voorziening
- 1 De kantonrechter overweegt dat, hoewel sprake is van een arbeidsverhouding tussen partijen als bedoeld in artikel 7:610 lid 1 BW(zie artikel 2 lid 1 juncto artikel 1 lid 1 Wet sociale werkvoorziening), op grond van artikel 7:615 BW de bepalingen van boek 7 titel 10 BW niet van toepassing zijn. Niet gebleken is dat de in laatstgenoemd artikel vermelde uitzonderingssituatie van toepassing is. Bepalend voor de verhouding tussen partijen is dan ook hetgeen in de arbeidsovereenkomst overeengekomen is en in de CAO bepaald is. Artikel 10.1 van de CAO gaat over disciplinaire maatregelen. In de aanhef van het eerste lid van dat artikel en onder h staat het volgende: De werkgever kan de werknemer, die zich in verband met zijn dienstbetrekking misdraagt, één van de volgende maatregelen opleggen: (..) al dan niet onverwijlde opzegging van de arbeidsverhouding. Zaaknr: 497006 1/16-50268 en 4970216/16-50269 blad 4 _______________________________________________________________ __________ 4.2 Geconstateerd moet worden dat Werkse! de arbeidsverhouding met [verzoeker] opgezegd heeft zich beroepend op de onverwijlde opzegging als bedoeld in artikel 10.1 lid 1 sub h van de CAO, daarbij ervan uitgaande dat “onverwijld” ziet op onmiddellijke ingang vanaf het ogenblik van de opzegging. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad is bij de uitleg van een bepaling van een CAO de bewoordingen waarin deze is gesteld, gelezen in het licht van de gehele tekst van die overeenkomst en een eventuele, voor derden kenbare toelichting daarop, in beginsel van doorslaggevende betekenis. Daarbij komt het niet aan op een strikt grammaticale uitleg maar op het vaststellen van de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen waarin de bepaling is gesteld. Bij deze uitleg kunnen als - objectief kenbare - gezichtspunten onder meer betrokken worden de elders in de CAO gebruikte formuleringen en de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden. Ook kan bij deze uitleg rekening worden gehouden met de kennelijke ratio en strekking van de regeling waartoe de bepaling behoort en de bedoeling van de opstellers, voor zover deze objectief, uit de tekst van de CAO en de eventuele toelichting daarop voor derden kenbaar is. (o.a. HR 17 september 1993, ECLI:NL:HR:l993:ZC1059, HR 3I mei 2002, ECLI:NL:HR:2002: AE2376, HR 20 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO 1427 en HR 11 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU3719). Artikel 10.1 lid 1 sub h van de CAO kan naar het oordeel van de kantonrechter beoordeeld naar voornoemde maatstaf niet anders uitgelegd worden dan dat “onverwijld” ziet op de periode tussen de misdraging en de opzegging. De door Werkse! gegeven uitleg van “onverwijld” wordt dan ook verworpen. 4.3 Nu Werkse! de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd op 4 februari 2016 naar aanleiding van een op 1 oktober 2015 voorgevallen incident, zich beroepend op onverwijlde beëindiging van de arbeidsovereenkomst als bedoeld in meergenoemd artikel, kan, bezien in het licht van de in de vorige rechtsoverweging gegeven uitleg, niet gezegd worden dat sprake is van een onverwijld gegeven ontslag. Uit het voorgaande volgt dat de opzegging geen stand kan houden. De primaire vorderingen in de hoofdzaak liggen dan ook voor toewijzing gereed. De gevorderde incassokosten zullen toegewezen worden volgens het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten, berekend over drie maanden salaris. 4.4 Nu een eindbeslissing in de hoofdzaak gegeven zal worden, is er geen plaats meer voor een voorlopige voorziening hangende dit geding. 4.5 Werkse! zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van de hoofdzaak verwezen worden. De proceskosten in het incident zullen tussen partijen gecompenseerd worden. in het zelfstandig voorwaardelijk verzoek 4.6 Niet voldaan is aan de door Werkse! gestelde voorwaarde, nu reeds hiervoor is uitgemaakt dat titel 10 van boek 7 BW niet van toepassing is op de arbeidsverhouding tussen partijen. Dat bij de beëindigingsgronden in de CAO naar diverse artikelen in genoemde titel verwezen wordt, maakt nog niet dat die titel van toepassing is op de arbeidsverhouding. De kantonrechter komt dan ook niet toe aan een inhoudelijke beoordeling. Zaaknr: 4970061/16-50268 en 4970216/16-50269 blad 5 ____________________________________________________________ ________ 5De beslissing De kantonrechter: in de voorlopige voorziening - wijst de vordering af; - compenseert de proceskosten tussen partijen des dat ieder haar eigen kosten draagt; in de hoofdzaak - vernietigt de opzegging van de arbeidsovereenkomst als door Werkse! aan [verzoeker] bericht bij brief van 4 februari 2016; - bepaalt dat Werkse! aan [verzoeker] binnen twee dagen na heden tegen behoorlijk bewijs van kwijting diens salaris vermeerderd met emolumenten sinds 4 februari 2016 dient te betalen, met wettelijke rente vanaf de dag der opeisbaarheid van de maandbedragen; - veroordeelt Werkse! om tegen behoorlijk bewijs van kwijting binnen twee dagen na heden aan [verzoeker] te betalen de somma van € 641,55 met wettelijke rente vanaf 4 april 2016; - veroordeelt Werkse! om [verzoeker] binnen twee dagen na heden toe te laten tot de werkvloer teneinde de gebruikelijke werkzaamheden te verrichten; - veroordeelt Werkse! in de kosten van deze procedure, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verzoeker] begroot op € 823,--, waarvan € 223,- aan griffierecht en € 600,-- aan salaris voor de gemachtigde; - verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Deze beschikking is gegeven door mr. R.J. Paris, kantonrechter en op 12 mei 2016 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.