Rechtbank DEN Haag – ECLI:NL:RBDHA:2016:16709
RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 15/6800 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 november 2016 in de zaak tussen [eiseres] , te [vestigingsplaats] , eiseres, (gemachtigde: mr. H.A. Hoving), en Het college van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland, verweerder, (gemachtigde: mr. S. van Heukelom-Verhage).
Procesverloop Bij besluit van 12 februari 2015 heeft verweerder de door eiseres aangevraagde subsidie over het boekjaar 2013 vastgesteld op een bedrag van € 2.344.253,00. Daarbij heeft verweerder het teveel betaalde bedrag van € 95.941,00 aan voorschotten teruggevorderd.
Bij besluit van 9 juli 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het door eiseres gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brieven van 7 juli 2016 hebben partijen desgevraagd gereageerd op de uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 4 mei 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1177) en 25 juni 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:2348).
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juli 2016.
Namens eiseres is verschenen [persoon 1] , kantoorgenote van eiseres’gemachtigde en [persoon 2] ; namens verweerder is verschenen mr. A.A.M. Elzakkers , kantoorgenote van verweerders gemachtigde en [persoon 3] .
Overwegingen 1. Verweerder heeft bij besluit van 10 januari 2013 aan eiseres een subsidie verleend voor het boekjaar 2013 van in totaal € 2.401.231,00 voor – kort gezegd – jeugdzorg in Zuid-Holland (verleningsbesluit). In het verleningsbesluit is vermeld dat de aanvraag van eiseres is getoetst aan de relevante bepalingen van hoofdstuk 4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), de Algemene subsidieverordening Zuid-Holland (Asv) en de Subsidieregeling jeugdzorg Zuid-Holland 2012 (Subsidieregeling).
Dat in de Subsidieregeling wordt gesproken van bestuurder en deze van toepassing is verklaard in het verleningsbesluit doet daar volgens eiseres niet aan af. Daarnaast blijkt uit de verslagen van de gesprekken tussen eiseres en verweerder dat van de WNT wordt uitgegaan en niet van de in de Subsidieregeling opgenomen norm. Verweerder heeft in redelijkheid niet van zijn discretionaire bevoegdheid tot het lager vaststellen van de subsidie gebruik mogen maken. Eiseres verwijst naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 25 juni 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:2348) waarin is geoordeeld dat het opnemen van een algemene inkomensnorm in de Asv in strijd is met de artikelen 4:38 en 4:39 van de Awb.
Evenmin is sprake van een niet-doelgebonden verplichting als bedoeld in artikel 4:39 Awb. Daarnaast had verweerder rekening moeten houden met het feit dat eiseres zich wel aan de in de WNT opgenomen inkomensnorm heeft gehouden. Voorts heeft verweerder onvoldoende de omzet en de wijze van bestuur van eiseres meegewogen. Tot slot is de toegepaste korting onevenredig.
Ten aanzien van de uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2016 heeft eiseres erop gewezen dat de Afdeling herhaalt dat een subsidieverplichting (inkomensnorm), zoals die ook hier aan de orde is, in strijd is met de artikelen 4:38 en 4:39 van de Awb. In de betreffende zaak was de subsidieverplichting alleen in de subsidieverordening opgenomen; in zoverre achtte de Afdeling die verordening onverbindend, om welke reden de subsidie in die zaak niet wegens schending van de verplichting lager kon worden vastgesteld. Ook voor eiseres volgt de verplichting uit de Subsidieverordening; dat verweerder de verplichting heeft herhaald in het verleningsbesluit maakt dit niet anders.
Dat die verplichting ook voortvloeit uit de Subsidieregeling maakt dit niet anders. Het feit dat in de bijlage naast de “directeur” en de “medewerker” anders dan in de Subsidieregeling de “bestuurder” niet expliciet genoemd staat betekent niet dat de verplichting niet ziet op het inkomen van de bestuurder; het is evident dat de verplichting geldt voor alle bij eiseres werkzame medewerkers. Dat de inkomensnorm is overschreden en daarmee de subsidieverplichting is overtreden staat niet ter discussie, zodat verweerder tot lagere vaststelling mocht overgaan. Er zijn volgens verweerder geen redenen om van lagere vaststelling af te zien. In dat verband heeft verweerder onder meer naar voren gebracht dat het belang van een hoog salaris niet opweegt tegen het belang van verweerder bij een lagere vaststelling.
De middelen die aan jeugdzorgaanbieders zoals eiseres worden verstrekt moeten ten goede komen van de jeugdige hulpbehoevenden in de provincie en niet aan een hoog salaris van bij die aanbieder werkzame personen.
Ontvankelijkheid 10. Op grond van artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaar– of beroepschrift zes weken.
Op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb gaat deze termijn in op de dag na die waarop het besluit waartegen het bezwaar of beroep is gericht op de voorgeschreven wijze is bekend gemaakt.
Op grond van artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
Op grond van artikel 6:17 van de Awb zendt het orgaan dat bevoegd is op het bezwaar of beroep te beslissen, indien iemand zich laat vertegenwoordigen, de op de zaak betrekking hebbende stukken in ieder geval aan de gemachtigde.
Regelgeving 14 Ingevolge artikel 4:38, eerste lid, van de Awb kan het bestuursorgaan de subsidie-ontvanger ook andere verplichtingen opleggen die strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie.
Ingevolge het tweede lid worden de verplichtingen, indien de subsidie op een wettelijk voorschrift berust, opgelegd bij wettelijk voorschrift of krachtens wettelijk voorschrift bij de subsidieverlening.
Ingevolge het derde lid kunnen de verplichtingen, indien de subsidie niet op een wettelijk voorschrift berust, worden opgelegd bij de subsidieverlening.
14.1 Ingevolge artikel 4:39, eerste lid, kunnen verplichtingen die niet strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie slechts aan de subsidie worden verbonden voor zover dit bij wettelijk voorschrift is bepaald.
Ingevolge het tweede lid kunnen verplichtingen als bedoeld in het eerste lid slechts betrekking hebben op de wijze waarop of de middelen waarmee de gesubsidieerde activiteit wordt verricht.
14.2 In artikel 15 “Lagere vaststelling subsidie” van de Subsidieregeling, zoals die bepaling luidde ten tijde hier van belang, staat het volgende vermeld: “Gedeputeerde Staten kunnen, indien het inkomen van een bestuurder, directeur of medewerker van de Stichting Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland of jeugdzorgaanbieder in een jaar meer bedraagt dan een ministersalaris, conform de Wet openbaarmaking uit publieke middelen gefinancierde topinkomens, de boekjaarsubsidie lager vaststellen.”
Inhoudelijke beoordeling 15. De rechtbank stelt vast dat in artikel 15 van de Subsidieregeling is bepaald dat verweerder bij overschrijding van de inkomensgrens de subsidie lager kan vaststellen, terwijl in de bijlage bij het verleningsbesluit is bepaald dat het inkomen van een topfunctionaris niet hoger mag zijn dan de topgrens. De in de Subsidieregeling neergelegde mogelijke subsidieverplichting is met het verleningsbesluit geconcretiseerd en eerst daarmee werkelijk opgelegd. Dit houdt naar het oordeel van de rechtbank in dat de verplichting niet rechtstreeks voortvloeit uit de Subsidieregeling, maar eerst expliciet is opgelegd bij het verleningsbesluit. In de zaak van de Afdeling van 4 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1177, was de verplichting niet bij de subsidieverlening (of -vaststelling) opgelegd, maar volgde die rechtstreeks - en uitsluitend - uit de Haagse Kaderverordening Subsidieverstrekking.
Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.G.J. Dop, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Belhaj, De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 november 2016.
Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.