beslissing WRAKINGSKAMER VAN DE RECHTBANK [woonplaats] Meervoudige wrakingskamer Wrakingnummer 2016/22 zaak-/rekestnummer: C/09/510336 / KG RK 16-808 zaaksgegevens hoofdzaak: C/09/509290/JE RK 16/753 datum beschikking: 10 mei 2016 BESLISSING op het mondelinge verzoek tot wraking ingevolge artikel 37 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, in de zaak van: [verzoekster] , de moeder, wonende te [woonplaats] , verzoekster, strekkende tot wraking van: mr. A.J.J.M. Weijnen, kinderrechter in de rechtbank [woonplaats] . Belanghebbenden: Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden, gevestigd te Den Haag (hierna: de gecertificeerde instelling); [belanghebbende 2] , wonende te [woonplaats] , de pleegmoeder van [minderjarige 1] ; [belanghebbende 3] en [belanghebbende 4], wondende te [woonplaats] , de pleegouders van [minderjarige 2] ; en [belanghebbende 5] en [belanghebbende 6], wonende te [woonplaats] , de pleegouders van [minderjarige 3] . 1De voorgeschiedenis en het procesverloop 1.
- In de hoofdzaak heeft de gecertificeerde instelling verzoekschriften ingediend strekkende tot verlenging van de ondertoezichtstelling en verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing ten behoeve van de drie minderjarige kinderen van verzoekster. 1.
- Op 29 april 2016 heeft in de hoofdzaak de behandeling van het verzoek plaatsgevonden ten overstaan van de kinderrechter. Ter zitting heeft verzoekster het verzoek tot wraking van de kinderrechter gedaan. De wrakingskamer heeft kennisgenomen van het van de zitting opgemaakte proces-verbaal. 2De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek Op 9 mei 2016 is het wrakingsverzoek ter zitting van deze wrakingskamer behandeld. Verzoekster is niet verschenen. De kinderrechter heeft bij brief van 3 mei 2016 gereageerd op het wrakingsverzoek en aan de wrakingskamer te kennen gegeven geen gebruik te maken van de gelegenheid tot het bijwonen van de zitting. De belanghebbende [belanghebbende 2] is verschenen ter zitting van de wrakingskamer. De overige belanghebbenden zijn niet verschenen, met berichten van verhindering van 9 mei 2016 van [belanghebbende 6] c.s. en de gecertificeerde instelling. 3Het standpunt van verzoekster Aan het wrakingsverzoek is - verkort en zakelijk weergegeven - het volgende ten grondslag gelegd. De kinderrechter was tijdens de mondelinge behandeling partijdig, althans heeft de schijn gewekt partijdig te zijn. De kinderrechter heeft de tussenbeschikking van 18 april 2016 niet verder behandeld, is kritiekloos afgegaan op de beweringen van de vertegenwoordigster van de gecertificeerde instelling en heeft verzoekster gemaand het “kort te houden”. 4Het standpunt van de kinderrechter De kinderrechter berust niet in de wraking. Zij voert onder verwijzing naar het proces-verbaal van de zitting aan dat zij de advocaat van verzoekster evenals de vertegenwoordigster van de gecertificeerde instelling aan het woord heeft gelaten en zij zich heeft onthouden van enig oordeel. Ook heeft zij verzoekster uitgebreid aan het woord gelaten. 5De beoordeling Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 6, eerste lid, EVRM dient uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Van een gebrek aan onpartijdigheid kan, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de betrokken rechter, ook sprake zijn indien bepaalde feiten of omstandigheden grond geven te vrezen dat het een rechter in die omstandigheden aan onpartijdigheid ontbreekt. Alsdan dient de rechter zich van een beslissing in de hoofdzaak te onthouden, want rechtzoekenden moeten in het rechterlijk apparaat vertrouwen kunnen stellen. Daarom valt onder omstandigheden ook rekening te houden met de uiterlijke schijn. De feiten en omstandigheden die verzoekster aan het verzoek tot wraking ten grondslag heeft gelegd zijn met het proces-verbaal van de zitting en het verweer van de kinderrechter gemotiveerd weersproken. Verzoekster is niet ter zitting van de wrakingskamer verschenen en heeft haar standpunt niet nader toegelicht. Bij deze stand van zaken bestaat geen grond voor de conclusie dat de kinderrechter ter zitting partijdig is geweest, althans dat de bij verzoekster dienaangaande bestaande vrees naar objectieve maatstaven gerechtvaardigd is. Het verzoek tot wraking zal daarom worden afgewezen. 6De beslissing De wrakingskamer: - wijst het verzoek tot wraking af; - bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek; - beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 39, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt toegezonden aan: • de verzoekster, [verzoekster] ; • de advocaat van verzoekster in de hoofdzaak, mr. M.S. Krol te Rotterdam, • de belanghebbenden, Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden, [belanghebbende 2] , [belanghebbende 3] en [belanghebbende 4] en [belanghebbende 5] en [belanghebbende 6] ; • de kinderrechter mr. A.J.J.M. Weijnen. Deze beslissing is gegeven door mr. J.W. du Pon, mr. I.D. Bellaart en mr. J.W. Bockwinkel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. I.M. Bijvank, griffier en in het openbaar uitgesproken op 10 mei 2016.