beslissing WRAKINGSKAMER VAN DE RECHTBANK DEN HAAG Meervoudige wrakingskamer Wrakingnummer 2016/18 zaak-/rolnummer: 508540 / KG RK 16-606 zaaknummer: SGR 15/9303 datum beschikking: 21 april 2016 BESLISSING op het schriftelijke verzoek tot wraking ingevolge artikel 8:16 van de Algemene wet bestuursrecht, in de zaak van: [verzoeker] , wonende te België , verzoeker, strekkende tot wraking van: mr. A.D. van Riel, rechter in de rechtbank Den Haag, hierna te noemen: de rechter. Belanghebbende in deze procedure is: de Belastingdienst/Toeslagen. 1De voorgeschiedenis en het procesverloop 1.1 In de hoofdzaak heeft de Belastingdienst/Toeslagen het bezwaarschrift van verzoeker inzake de zorgtoeslag 2007 kennelijk ongegrond verklaard. Hiertegen heeft verzoeker beroep ingesteld. 1.2 Bij brief van 17 maart 2016 is verzoeker uitgenodigd voor de behandeling van het beroep op de zitting van 12 april 2016. Bij brief van 22 maart 2016 heeft verzoeker de rechter gewraakt. 1.3 De rechter heeft op 11 april 2016 schriftelijk haar reactie op het wrakingsverzoek gegeven en geconcludeerd tot afwijzing. 2De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek Op 18 april 2016 is het wrakingsverzoek ter zitting van deze wrakingskamer behandeld. Verzoeker en de rechter zijn verschenen. Belanghebbende heeft zich niet laten vertegenwoordigen. 3Het standpunt van verzoeker Het is de wrakingskamer niet geheel duidelijk geworden op welke gronden verzoeker zijn wrakingsverzoek baseert. Het lijkt erop dat verzoeker van mening is dat Belgisch recht op de zaak van toepassing is. Verzoeker heeft in dit verband verwezen naar een aantal door de Belastingdienst/Toeslagen in het geding gebrachte stukken. 4Het standpunt van de rechter De rechter heeft meegedeeld niet in de wraking te berusten. Zij zal het beroep ter zitting behandelen maar is nog niet eerder bij deze zaak betrokken geweest. Naar haar mening is geen sprake van een schijn van partijdigheid. 5De beoordeling 5.1 Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van art. 6, eerste lid, EVRM dient uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. 5.2 Van een gebrek aan onpartijdigheid kan, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de betrokken rechter, ook sprake zijn indien bepaalde feiten of omstandigheden grond geven te vrezen dat het een rechter in die omstandigheden aan onpartijdigheid ontbreekt. Alsdan dient de rechter zich van een beslissing in de hoofdzaak te onthouden, want rechtzoekenden moeten in het rechterlijk apparaat vertrouwen kunnen stellen. Daarom valt onder omstandigheden ook rekening te houden met de uiterlijke schijn. 5.3 Voor zover verzoeker de bestuursrechter verwijt dat zij stukken heeft opgevraagd bij de Belastingdienst/Toeslagen, dan overweegt de wrakingskamer dat deze beslissing dient te worden aangemerkt als een processuele beslissing. Dergelijke beslissingen vormen in principe geen grond voor een wraking. Alleen indien de beslissing zo onbegrijpelijk is dat deze een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat de bestuursrechter jegens eiser een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij eiser dienaangaande bestaande vrees voor een dergelijke vooringenomenheid naar objectieve maatstaven gerechtvaardigd is, kan dit tot een ander oordeel leiden. Hetgeen verzoeker in dit verband heeft gesteld levert geen omstandigheid op die tot dat oordeel zou moeten leiden. Het verzoek lijkt zich mede te richten tegen de inhoud van de overgelegde stukken. Dat levert evenmin een grond voor wraking op. 5.4 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het wrakingsverzoek dient te worden afgewezen. 6De beslissing De wrakingskamer: - wijst het verzoek tot wraking af; - bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek; - beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 8:18, derde lid, van de Awb wordt toegezonden aan: • verzoeker; • belanghebbende en • de rechter. Deze beslissing is gegeven door mrs. D. Aarts, T.F. Hesselink en J.A. van Steen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.W.W. Koppe als griffier en in het openbaar uitgesproken op 21 april 2016.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.