Rechtbank DEN HAAG Team belastingrecht zaaknummers: SGR 15/7332, 15/7333, 15/7334, 15/7335, 15/7336, 15/7337 en 15/7338. Tussenuitspraak van de meervoudige kamer van 18 april 2016 in de zaken tussen [eiseres] , wonende te [woonplaats] , eiseres (gemachtigde: mr.drs. M.E.H. Opgenoort), en de inspecteur van de Belastingdienst/Belastingen, kantoor [plaats], verweerder. Procesverloop Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2003 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd van € 3.197 en € 1.354 heffingsrente in rekening gebracht. Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2004 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd van € 3.327 en € 1.293 heffingsrente in rekening gebracht. Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2005 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd van € 3.588 en € 1.215 heffingsrente in rekening gebracht. Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2006 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd van € 2.445 en € 784 heffingsrente in rekening gebracht. Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2007 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd van € 2.693 en € 742 heffingsrente in rekening gebracht. Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2008 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd van € 2.710 en € 608 heffingsrente in rekening gebracht. Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2009 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd van € 2.879 en € 509 heffingsrente in rekening gebracht. Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 1 oktober 2015 de hiervoor genoemde navorderingsaanslagen en de beschikkingen heffingsrente gehandhaafd. Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Eiseres en verweerder hebben nadere stukken ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 maart 2016. Namens eiseres is haar gemachtigde verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden [persoon 1], [persoon 2] en [persoon 3]. Overwegingen Feiten 1. Verweerder ontvangt van eiseres op 23 mei 2014 een ‘Verklaring vrijwillige verbetering’ van verzwegen inkomsten of vermogen. 2. Bij brief van 26 juni 2014 schrijft verweerder (een inspecteur van kantoor [plaats], inspecteur A) onder meer het volgende aan gemachtigde: “In de verklaring wordt vermeld dat uw cliënt een drietal bankrekening heeft in Engeland en Isle of Man. De huidige saldi hiervan zijn eveneens vermeld. Volgens uw cliënt zijn de desbetreffende rekeningen geopend door haarzelf. Tevens is aangegeven dat uw cliënt op de één of andere wijze gerechtigd is tot enige onroerende zaken in Engeland. Verder is sprake van een vordering van GBP 10.000 op een relatie in Uruquay en een mogelijke gerechtigdheid tot vermogen in een Engelse Trust (…). De verstrekte informatie is voor mij onvoldoende concreet en gespecificeerd om daar reeds nu de juiste belastingaanslagen voor op te leggen. Ik ben daarom genoodzaakt nader onderzoek te doen naar de door u gemelde buitenlandse vermogensbestanddelen.” Verweerder verzoekt eiseres vervolgens om de twee bijgevoegde vragenlijsten, één over de bankrekeningen en beleggingen en één over de trust, in te vullen en samen met de gevraagde bijlagen vóór 1 september 2014 aan verweerder te sturen. 3. Bij brief van 28 augustus 2014 voldoet de gemachtigde aan dit verzoek. De gemachtigde geeft in de brief een toelichting op (het ontstaan en saldi van) de door eiseres in het buitenland aangehouden bankrekeningen (waaronder de bankrekening die door haar in de onderhavige jaren werd aangehouden bij Bank of Scotland International), haar status van beneficiary in een (Engelse) trust en de uit deze trust ontvangen uitkeringen en de gerechtigdheid van eiseres tot (de inkomsten uit) een in het Verenigd Koninkrijk gelegen steengroeve/stuk landbouwgrond. 4. Bij brief van 24 oktober 2014 stuurt inspecteur A gemachtigde een brief met daarin het verzoek om akkoord te gaan met verlenging van de navorderingstermijn voor het jaar 2002. Met dit verzoek stemt eiseres in. 5. Inspecteur A draagt – na telefonisch contact – onder meer het onderhavige dossier over aan een specialist op het gebied van afgezonderd particulier vermogen van de Belastingdienst [plaats] (de specialist). De specialist koppelt zijn bevindingen vervolgens medio maart 2015 terug aan een collega van inspecteur A (inspecteur B). 6. Inspecteur B schrijft in zijn brief van 21 mei 2015 - voor zover van belang - het volgende aan gemachtigde: “De totale behandelduur van het inkeerverzoek heeft weliswaar langer dan 6 maanden geduurd (1 september 2014 t/m medio maart 2015). Echter gezien het feit dat sprake was van de betrokkenheid van uw cliënte bij een Engelse trust vergde de algehele beoordeling van het inkeerverzoek specifieke deskundigheid van een collega die goed ingevoerd is in de problematiek inzake het Afgezonderd Particulier Vermogen (APV). [inspecteur A] heeft u in zijn brief van 26 juni 2014 een aantal (standaard)vragen gesteld over de betrokkenheid van uw cliënte bij [de trust]. Eind februari 2015/begin maart 2015 heeft [inspecteur A] telefonisch contact opgenomen met [de specialist]. [de specialist] heeft mij verklaard dat hij [inspecteur A] heeft aangeboden het dossier integraal van hem over te nemen en de trust op fiscale gevolgen voor uw cliënten te beoordelen. De fysieke overdracht van het dossier aan [de specialist] heeft volgens [de specialist] kort daarna plaatsgehad. [de specialist] heeft de overgelegde trustakten beoordeeld en is vervolgens (medio maart 2015) tot de conclusie gekomen dat uw benadering voor wat betreft de fiscale gevolgen correct is. Daarna heeft [de specialist] mij gevraagd om de vaststellingsovereenkomst op te stellen. (…) Op grond van het voorgaande ben ik van mening dat het inkeerverzoek van uw cliënten voortvarend genoeg is afgehandeld. (…).” 7. Met dagtekening 24 juni 2015 legt verweerder de navorderingsaanslagen voor de jaren 2003 tot en met 2007 op. Met dagtekening 27 juni 2015 legt verweerder de navorderingsaanslagen voor de jaren 2008 en 2009 op. Op 2 juli 2015 maakt gemachtigde daartegen bezwaar. 8. In de uitspraak op bezwaar van 1 oktober 2015 schrijft verweerder onder meer het volgende: “In casu zijn de navorderingsaanslagen circa 13 maanden na de inkeermelding op 23 mei 2014 opgelegd. (…) Ondanks het feit dat u op 29 augustus 2014 een uiteenzetting heeft gegeven van de uitkeringen uit de Engelse Trust, laat het onverlet dat deze informatie zal moeten worden beoordeeld. De beoordeling van de fiscale gevolgen van de betrokkenheid in het trustvermogen vereist specifieke deskundigheid met betrekking tot het afgezonderd particulier vermogen. Op grond van de feiten en omstandigheden kom ik tot de conclusie dat de inspecteur niet zonder goede redenen 6 maanden of langer heeft stilgezeten en is er derhalve geen onverklaarbare vertraging van meer dan 6 maanden opgetreden.” Geschil 9. In geschil is of verweerder met betrekking tot het opleggen van de navorderingsaanslagen over de jaren 2003 tot en met 2009 (voldoende) voortvarend heeft gehandeld. Indien dit het niet geval is, is tevens in geschil of de verlengde navorderingstermijn van twaalf jaar onverkort van toepassing is voor de banktegoeden die door eiseres zijn aangehouden bij de Bank of Scotland International. 10. Eiseres stelt gemotiveerd dat er aan de zijde van verweerder een onverklaarbare vertraging van meer dan zes maanden is opgetreden. Gelet hierop heeft verweerder, volgens eiseres, niet voldoende voortvarend gehandeld. Voorts stelt eiseres dat de voortvarendheidseis onverkort geldt in de relatie tot derde landen, ook al weerspreekt eiseres dat het banktegoed bij de Bank of Scotland International in een derde land wordt aangehouden. De navorderingsaanslagen moeten dan ook worden vernietigd. 11. Verweerder stelt primair dat er geen onverklaarbare vertraging van meer dan zes maanden is opgetreden. Subsidiair stelt verweerder zich op het standpunt dat de verlengde navorderingstermijn onverkort – en dus zonder de voortvarendheidstoets - van toepassing is voor wat betreft het aangehouden banktegoed bij de Bank of Scotland International, zijnde een bankfiliaal gevestigd in een derde land (niet zijnde een EU-lidstaat). Beoordeling van het geschil 12. Indien een lidstaat beschikt over aanwijzingen van het bestaan van spaartegoeden die worden aangehouden in een andere lidstaat en naar aanleiding daarvan een navorderingsaanslag wordt opgelegd na het verstrijken van de termijn die zou gelden met betrekking tot tegoeden die worden aangehouden in de eigen staat, dan moet de daaruit voortvloeiende beperking van het vrije verkeer worden aanvaard indien de navorderingsaanslag wordt opgelegd met inachtneming van het tijdsverloop dat na het opkomen van de bedoelde aanwijzingen noodzakelijkerwijs is gemoeid met (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.