Rechtbank den haag Team Kanton Den Haag JB zaak.nr. 3468694 RL EXPL 14-29731 22 februari 2016 Vonnis in de zaak van: [eiser] , wonende te [woonplaats] , eisende partij, gemachtigde: mr. A.M.A. Kok-Verheijde, tegen de publiekrechtelijke rechtspersoon De Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie), zetelend te Den Haag, gedaagde partij, gemachtigde: mr. R.W.M. van der Zon. Partijen worden aangeduid als [eiser] en de Staat. Procedure De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende stukken: de dagvaarding van 24 september 2014, met producties; de conclusie van antwoord, met producties. de brief van 1 september 2015 van mr. Kok-Verheijde, met producties; Op 8 september 2015 heeft een comparitie van partijen plaatsgehad, waarbij de gemachtigde van [eiser] is verschenen en namens de Staat is verschenen mr. S. van den Nadort. Van hetgeen is besproken heeft de griffier een proces-verbaal gemaakt, dat aan partijen is voorgelezen en door hen akkoord is bevonden. Vervolgens is vonnis gevraagd. 1Feiten De kantonrechter gaat uit van de volgende feiten. 1.1 [eiser] , geboren op [geboortedatum] , is bij arrest van het hof ’s-Hertogenbosch van 25 april 2003 ter zake van doodslag veroordeeld tot 8 jaren gevangenisstraf, met oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling en bevel tot verpleging van overheidswege. 1.2 De terbeschikkingstelling is aangevangen op 8 maart 2007 door opname in FPC de Oostvaarderskliniek te Almere en is door de rechtbank Roermond op 18 maart 2009 verlengd met 2 jaar en op 24 februari 2011 met één jaar. In de beslissing van laatstgenoemde datum heeft de rechtbank Roermond het volgende overwogen: “De rechtbank overweegt dat uit het verlengingsadvies en het verhandelde ter zitting van de rechtbank naar voren komt dat nog steeds hard wordt gewerkt aan begeleid en onbegeleid verlof, terwijl ter beschikking gestelde de eerste stappen op de thans ingezette resocialisatieroute nog moet zetten en dat de reclassering aan een en ander nog vorm dient te geven. Met de getuige-deskundige is de rechtbank dan ook van mening dat het beter is over één jaar naar de stand van zaken te kijken. De rechtbank is (...) van oordeel dat een voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging thans nog niet aan de orde kan zijn.” 1.3 Op 31 augustus 2011 is [eiser] overgeplaatst naar de Forensische Tussenvoorziening (hierna: FT) van de Oostvaarderskliniek. De FT is een 24-uursvoorziening begeleid wonen in een samenwerkingsverband tussen RIBW (Regionale Instelling voor Beschermd Wonen) Kwintes en de Oostvaarderskliniek. 1.4 Ter zitting van 1 maart 2012 heeft de advocaat van [eiser] (opnieuw) het verzoek gedaan tot voorwaardelijke beëindiging van de ter beschikking stelling. Mevrouw [X] , psycholoog bij de Oostvaarderskliniek, heeft zich daarover – onder meer – als volgt uitgelaten: “Ik zou geen bezwaar hebben tegen een voorwaardelijke beëindiging van de terbeschikkingstelling. Vorig jaar was dat nog niet aan de orde, omdat [eiser] toen nog geen onbegeleid verlof had. (…) Onder de juiste voorwaarden is een voorwaardelijke beëindiging mogelijk. [eiser] moet zich dan aan die voorwaarden houden. (…) Ik zou het liefst zien dat de reclassering de opdracht krijgt om te onderzoeken of een voorwaardelijke beëindiging binnen 3 maanden te realiseren is. De kliniek zou binnen die 3 maanden een RIBW [indicatie] kunnen aanvragen.” 1.5 Bij uitspraak van 14 maart 2012 heeft de rechtbank Roermond de terbeschikkingstelling verlengd met één jaar en de beslissing over de dwangverpleging voor onbepaalde tijd, doch maximaal drie maanden, aangehouden, in afwachting van een reclasseringsrapportage over de voorwaarden die aan een eventuele voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging dienden te worden gesteld. 1.6 Ter zitting van de rechtbank Roermond van 7 juni 2012 was de reclassering nog in afwachting van een indicatiestelling van het NIFP. Psycholoog [Y] van de Oostvaarderskliniek heeft toen verklaard dat [eiser] recent was afgewezen door verslavingszorg Vincent van Gogh, zodat op het moment waarop er een indicatiestelling zou komen, deze instelling in ieder geval geen optie meer was. De rechtbank heeft de behandeling ter zitting nogmaals aanhouden voor een periode van drie maanden. 1.7 Op 27 juli 2012 heeft de afdeling Indicatiestelling Forensische Zorg van het NIFP een indicatiestelling ten behoeve van [eiser] afgegeven. 1.8 De beslissing over de dwangverpleging is op 16 augustus 2012 nogmaals aangehouden in afwachting van duidelijkheid over de woonplaats van [eiser] . Namens de reclassering is ter zitting verklaard: “Door de reclassering is bij de IFZ een aanvraag ingediend voor een indicatiestelling. Daar is uit naar voren gekomen dat de RIBW in Venray voor [eiser] de meest geschikte plek is in het zuiden van het land. De verwachting is dat het intakegesprek eind augustus/begin september kan plaatsvinden. (…) Het klopt dat voor een voorwaardelijke beëindiging van de terbeschikkingstelling een geschikte verblijfplaats beschikbaar dient te zijn. Het is nu nog niet zeker of en wanneer [eiser] in Venray terecht kan.” Namens de Oostvaarderskliniek is verklaard dat de kliniek kan instemmen met een voorwaardelijke beëindiging indien er een woonplek en dagbesteding is. 1.9 Bij uitspraak van 1 november 2012 heeft de rechtbank Roermond beslist tot voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging met ingang van 10 november 2012, vanaf het moment dat [eiser] in de RIBW te Venray kon verblijven en een dagbesteding zou krijgen en daarmee aan alle door de reclassering gestelde voorwaarden werd voldaan. 1.10 Op 27 maart 2013 en op 8 april 2014 is de terbeschikkingstelling telkens met één jaar verlengd. De dwangverpleging is in met ingang van 10 juli 2014 hervat vanwege overtreding van de voorwaarden door [eiser] . 2Vordering 2.1 [eiser] vordert om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad de Staat te veroordelen tot betaling aan hem van € 7.000, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 september 2013 tot de dag van algehele voldoening, met veroordeling van de Staat in de kosten van de procedure, de nakosten inbegrepen, te betalen binnen zeven dagen na dagtekening van het vonnis en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de achtste dag na dagtekening van het vonnis, indien de proceskosten niet tijdig worden betaald. 2.2 [eiser] legt aan de vordering voormelde vaststaande feiten ten grondslag, alsmede, samengevat, de volgende stellingen. De Staat is verantwoordelijk voor de uitvoering van de TBS-maatregel en de behandeling van TBS-gestelden. Door omissies ten aanzien van rapportages en onvoldoende voortvarendheid van de Staat heeft de voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging en de resocialisatie van [eiser] een aanzienlijke vertraging van 15 maanden (van 31 augustus 2011 tot 10 november 2012) opgelopen. Hierdoor heeft de Staat jegens [eiser] toerekenbaar onrechtmatig gehandeld. Ten gevolge van dit onrechtmatig handelen heeft [eiser] immateriële schade geleden, naar billijkheid te begroten op € 7.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.