Rechtbank den haag Team handel - voorzieningenrechter zaak- / rolnummer: C/09/506576 ZA 16/281 Vonnis in kort geding van 15 april 2016 in de zaak van 1. de vereniging Nederlandse Vereniging van Strafrechtadvocaten, gevestigd te Den Haag en kantoorhoudende te Goirle, 2. de vereniging Nederlandse Vereniging van Jonge Strafrechtadvocaten, gevestigd te Amsterdam en kantoorhoudende te Tilburg, 3. [eiser3] , wonende te [woonplaats 1] , 4. [eiser4] , wonende te [woonplaats 2] , eisers, advocaat mr. Chr.A. Alberdink Thijm te Amsterdam, tegen: 1. de publiekrechtelijke rechtspersoon de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie), zetelende te Den Haag, 2. het zelfstandig bestuursorgaan de Raad voor Rechtsbijstand, gevestigd en kantoorhoudende te Utrecht, gedaagden, advocaat mr. C.M. Bitter te Den Haag Eisers worden hierna, gezamenlijk, aangeduid als ‘NVSA c.s.’ en ieder afzonderlijk als respectievelijk ‘NVSA’, ‘NVJSA’, ‘ [eiser3] ’ en ‘ [eiser4] ’. Gedaagden worden hierna, gezamenlijk, aangeduid als ‘de Staat c.s’ en ieder afzonderlijk als respectievelijk ‘de Staat’ en ‘de Raad’. 1De procedure 1.1. Bij tussenvonnis van 31 maart 2016 heeft de voorzieningenrechter – kort samengevat en voor zover nu nog relevant – overwogen voornemens te zijn op de voet van artikel 392 Rv een prejudiciële vraag aan de Hoge Raad te stellen en zijn partijen in de gelegenheid gesteld zich uiterlijk op 9 april 2016 schriftelijk uit te laten over de inhoud van de te stellen prejudiciële vraag (vragen). In rechtsoverweging 4.7 van het tussenvonnis heeft de voorzieningenrechter overwogen welke vraag hij voornemens is aan de Hoge Raad te stellen (hierna te noemen: de vraag). Bij brief van 8 april 2016 heeft de Staat zich hierover uitgelaten. Nadat NVSA c.s. toestemming hebben gevraagd en gekregen uiterlijk op 11 april 2016 te mogen reageren, hebben zij zich vervolgens bij brief van 11 april 2016 uitgelaten over de inhoud van de aan de Hoge Raad te stellen prejudiciële vraag. 1.2. Vonnis is bepaald op heden. 2De verdere beoordeling van het geschil 2.1. De Staat heeft in de brief van 8 april 2016 allereerst gesteld dat hij van oordeel is dat artikel 392 lid 1 sub b Rv niet van toepassing is, omdat met de zinsnede “talrijke andere uit soortgelijke feiten voortvloeiende geschillen” uit dat artikel wordt gedoeld op vergelijkbare civielrechtelijke geschillen en niet op geschillen in strafzaken. Hoewel partijen uitsluitend in de gelegenheid zijn gesteld zich uit te laten over de inhoud van de aan de Hoge Raad te stellen prejudiciële vraag – omdat partijen zich ter zitting al hadden uitgelaten over het (mogelijke) voornemen om een prejudiciële vraag te stellen – overweegt de voorzieningenrechter over dit standpunt van de Staat volledigheidshalve als volgt. Daargelaten het belang van de te stellen prejudiciële zaak voor strafzaken zijn naar het oordeel van de voorzieningenrechter “talrijke andere uit soortgelijke feiten voortvloeiende” civielrechtelijke geschillen te voorzien. Voorzienbaar is immers dat advocaten die zich belemmerd achten bij het verlenen van verhoorbijstand aan hun cliënten in concrete situaties op grond van onrechtmatige daad een ordemaatregel in kort geding zullen vorderen. Anders dan de Staat is de voorzieningenrechter derhalve van oordeel dat (ook) talrijke andere uit soortgelijke feiten voortvloeiende civielrechtelijke geschillen aan de orde zijn. 2.2. Ten aanzien van de inhoud van de te stellen prejudiciële vraag merkt de Staat op dat het standpunt dat er sprake is van beperkingen van het recht van de aangehouden verdachte op bijstand van een raadsman bij een politieverhoor thans nog niet kan worden ingenomen. Of de bewuste procedureregels een beperking van het recht op verhoorbijstand opleveren, hangt af van de inhoud en reikwijdte van het recht op verhoorbijstand, zoals de Hoge Raad dat in het arrest van 22 december 2015 bedoelt. De Staat stelt dat de prejudiciële vraag daarom in twee vragen moet worden opgedeeld, als volgt: 1. Vormen de regels 4 sub b, 5 en 6 van Bijlage 2 bij de Beleidsbrief OM een beperking van het recht op verhoorbijstand zoals de Hoge Raad dat recht met zijn arrest van 22 december 2015 op het oog heeft gehad? 2. Indien het antwoord op de vorige vraag bevestigend luidt, zijn deze beperkingen dan in overeenstemming met de in het arrest van 22 december 2015 door de Hoge Raad geformuleerde norm. 2.3. NVSA c.s. merken ten aanzien van de inhoud van de te stellen prejudiciële vraag op dat de vraag geen betrekking heeft op de grondslag van het recht op verhoorbijstand, terwijl de grondslag van dat recht niet expliciet uit het arrest van de Hoge Raad volgt. NVSA c.s. geven in overweging van de gelegenheid gebruik te maken duidelijkheid te verkrijgen over die grondslag. Voorts stellen NVSA c.s. dat in de vraag voornamelijk is aangesloten bij de vordering om de Beleidsbrief OM (partieel) buiten werking te stellen, terwijl ook een meer algemene vordering is geformuleerd die ziet op een positieve verplichting van de Staat het recht op verhoorbijstand daadwerkelijk gestalte te geven. Deze vordering heeft niet specifiek betrekking op de Beleidsbrief OM. Tot slot merken NVSA c.s. op dat de vraag door de redactie daarvan mogelijk onnodig beperkt gelezen kan worden. De vraag strekt ertoe de Hoge Raad de Beleidsbrief OM in zijn geheel te laten beoordelen, de bijzin “zoals opgenomen in artikel 4 sub b, artikel 5 en artikel 6 van de Beleidsbrief OM” zou zo kunnen worden gelezen dat de vraag zich beperkt tot deze bepalingen. NVSA c.s. geven daarom in overweging na het woord “zoals”, de woorden “in het bijzonder” op te nemen. De NVSA c.s. concluderen dat de vragen dan als volgt zouden moeten gaan luiden: 1. Volgt uit de norm die de Hoge Raad heeft geformuleerd in zijn arrest van 22 december 2015 dat de raadsman die tijdens het politieverhoor rechtsbijstand verleent aan een aangehouden verdachten, in staat moet worden gesteld om: i. bij het gehele verhoor aanwezig te zijn, ii. daadwerkelijk aan het verhoor deel te nemen, en/of iii. de verdachte ten aanzien van specifieke vragen te adviseren zich (al dan niet) op zijn zwijgrecht te beroepen, derhalve zonder dat hem regels worden opgelegd die hem beperken in het maken van opmerkingen, het stellen van vragen en het verzoeken om een onderbreking voor overleg met de verdachte? 2. In het geval dit niet volgt uit de norm die de Hoge Raad heeft geformuleerd in zijn arrest van 22 december 2015, volgt dit dan uit artikel 6 EVRM (al dan niet in verbinding met art. 47 en 48 Handvest) en de daarop gebaseerde jurisprudentie van het Europese Hof van de Rechten voor de Mens of uit Richtlijn 2013/48/EU? 3. Zijn de beperkingen (of een (aantal) daarvan) die in de Beleidsbrief OM aan (de uitoefening van) het recht op verhoorbijstand worden verbonden, zoals in het bijzonder opgenomen in artikel 4 sub b, artikel 5 en artikel 6 van die Beleidsbrief OM, verenigbaar met
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.