Rechtbank DEN HAAG Strafrecht Meervoudige strafkamer Parketnummer: 09/818235-15 Datum uitspraak: 26 april 2016 Tegenspraak (Promisvonnis) De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte: [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1972 te [geboorteplaats] , thans preventief gedetineerd in de penitentiaire inrichting Haaglanden, locatie Penitentiair Psychiatrisch Centrum te Scheveningen. 1Het onderzoek ter terechtzitting Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen van 14 augustus 2015, 23 oktober 2015, 20 januari 2016 (pro forma) en 13 april 2016 (inhoudelijke behandeling). De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.F. Baas en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. M.A.W. Nillessen, advocaat te ’s-Hertogenbosch, en door de verdachte naar voren is gebracht. 2De tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
(10)jaar, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, en dat daarnaast de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot dwangverpleging van overheidswege (hierna: TBS met dwangverpleging) wordt gelast. 6.2 Het standpunt van de verdediging Indien en voor zover de rechtbank komt tot een bewezenverklaring heeft de raadsman verzocht om rekening te houden met het gegeven dat de TBS met dwangverpleging wordt ervaren als een straf en dat het risico bestaat dat verdachte, indien TBS zou worden gelast, zeer langdurig op basis van deze maatregel zou vast komen te zitten. Om verdachte daarnaast ook nog een langdurige gevangenisstraf op te leggen zoals door de officier van justitie geëist zou een te zware bestraffing zijn. 6.3 Het oordeel van de rechtbank Na te melden straf en maatregel zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking. De ernst van de feiten De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan doodslag op een huisgenoot. Tijdens een ruzie heeft verdachte met een mes het slachtoffer [slachtoffer 1] zodanig in de borstkas gestoken dat het hart werd doorboord en vervolgens heeft hij hem in de hals gestoken de halsslagader getroffen. Het slachtoffer was levensgevaarlijk gewond en is uiteindelijk ook aan zijn verwondingen overleden. De verdachte is echter het huis ontvlucht zonder zich om het lot van het slachtoffer te bekommeren. De rechtbank komt tot de trieste conclusie dat de verdachte iemand van het leven heeft beroofd vanwege een volstrekt futiel meningsverschil over de vraag of afwas nu wel of niet op het gemeenschappelijke aanrecht mag blijven staan. Verdachte heeft daarbij volstrekt disproportioneel gereageerd en het slachtoffer het meest fundamentele recht, te weten het recht op leven, ontnomen. Het spreekt voor zich dat daarmee aan zijn twee kinderen en ook aan zijn familie onherstelbaar leed is toegebracht en dat ook zij zitten met de vraag hoe dit heeft kunnen gebeuren. In de verklaringen van zijn zus en ex-vrouw wordt dit alles treffend verwoord. Een half jaar daarvoor heeft de verdachte zijn huisgenoot [slachtoffer 2] bedreigd door hem een mes te tonen. Hij heeft hiermee niet alleen het slachtoffer maar ook andere in huis aanwezigen angst aangejaagd. Straf en/of maatregel? Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op de inhoud van: het strafblad van verdachte d.d. 18 maart 2016; het reclasseringsadvies van Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering d.d. 5 augustus 2015, opgemaakt en ondertekend door S.A.L. Biskitzis-Stals; - het Pro Justitiarapport d.d. 25 juni 2015, opgemaakt en ondertekend door drs. S.P. van der Hoorn, GZ-psycholoog; - het Pro Justitiarapport d.d. 18 juni 2015, opgemaakt en ondertekend door dr. D.J. Vinkers, psychiater; - de Pro Justitiapersoonlijkheidsrapportage d.d. 10 februari 2016, opgemaakt en ondertekend door G.M. Jansen, GZ-psycholoog en R.J.P. Rijnders, psychiater, opgemaakt naar aanleiding van de opname van verdachte in het PBC. De rechtbank constateert dat verdachte eerder in 1993, 2005 en 2007 opgenomen is geweest in het Pieter Baan Centrum (hierna PBC). Hij heeft geen enkele keer meegewerkt aan het onderzoek, zodat geen harde conclusies konden worden getrokken over de mogelijke aanwezigheid van psychopathologie. Door de deskundigen van het PBC werd in 2007 gedacht aan een narcistische persoonlijkheidsstoornis met antisociale trekken of een waanstoornis. Bij een eerder multidisciplinair onderzoek in 2004 werd door de deskundigen gedacht aan een persoonlijkheidsstoornis met paranoïde en narcistische trekken. Mogelijk zou ook sprake zijn van een autistische stoornis. De rechtbank stelt vast dat verdachte wederom heeft geweigerd mee te werken aan multidisciplinair onderzoek en aan onderzoek door het PBC. De rechtbank stelt daarom voorop dat op grond van artikel 37a derde lid jo artikel 37 tweede en derde lid Sr het vereiste vervalt dat de maatregel terbeschikkingstelling slechts kan worden opgelegd nadat de rechtbank een met redenen omkleed en gedagtekend advies van tenminste twee gedragsdeskundigen, waaronder een psychiater heeft ontvangen. De rechtbank onderkent dat het PBC-onderzoek en –rapport als gevolg van de weigering van verdachte geen harde conclusie bevat ten aanzien van het bestaan van een stoornis bij verdachte. De deskundigen geven echter wel een sterke pathologische duiding aan geconstateerde symptomen en gedragingen van verdachte. Zo rapporteert de psycholoog dat op basis van het milieuonderzoek, de eerdere PJ-rapportages en het strafdossier bij verdachte met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid sprake is van een chronisch ziekelijke stoornis. Uit het milieuonderzoek blijkt dat er al jaren een patroon zichtbaar is van extreem terugtrekgedrag, contactproblemen, oninvoelbaarheid, achterdocht en plotselinge, forse agressie, soms naar aanleiding van aanspreken op zijn gedrag maar vaak ook zonder duidelijke aanleiding. Er zijn verschillende opties waaronder de beschreven symptomen en gedragingen zouden kunnen vallen, aldus nog steeds de psycholoog. De meest waarschijnlijke hypothese is dat er sprake is van een stoornis in het psychotische cluster. Gelet op de al langer bestaande contactproblemen, rigiditeit en detailgerichtheid is daarnaast een stoornis in het autismespectrum, een waarschijnlijke, nader te onderzoeken hypothese. De psychiater is van oordeel dat een autismespectrumstoornis niet kan worden onderbouwd maar zeer zeker niet wordt verworpen. Er bestaat een grote waarschijnlijkheid dat verdachte in het recente verleden (zowel voor als na 14 mei 2015) onderhevig is geweest aan psychotische fenomenen en een pathologische gedachteninhoud heeft gehad. In welk kader deze psychotische stoornis bezien moet worden, valt niet goed te bepalen. Een psychotische stoornis, niet anderszins omschreven past het beste bij het toestandsbeeld van verdachte, aldus de psychiater. Gelet op dit rapport en hetgeen verder met betrekking tot de persoon van verdachte is gebleken, stelt de rechtbank vast dat bij verdachte al lange tijd sprake is van een ziekelijke stoornis. Met betrekking tot de situatie op 12 september 2014 vindt de rechtbank in het dossier onvoldoende aanknopingspunten om te kunnen oordelen dat deze stoornis het handelen van verdachte toen op enigerlei wijze heeft beïnvloed. Dat ligt anders voor het handelen van verdachte op 14 mei
- In dit verband is van belang dat uit het dossier blijkt dat verdachte in de periode voorafgaand aan 14 mei 2015 terugtrekgedrag vertoonde. Volgens degene bij wie hij sinds oktober 2014 in huis verbleef, was er uiteindelijk zelfs geen contact meer mogelijk met hem. Op 14 mei 2015 heeft verdachte die woning verlaten, zonder nadere verklaring en onder achterlating van de huissleutels. Ter zitting heeft verdachte de vraag waarom hij zo heeft gehandeld, niet willen beantwoorden. Vast staat verder dat hij vanuit Rhoon naar zijn kamer in Gouda is gelopen. Daar is hij naar eigen zeggen na 19:00 uur aangekomen. Vervolgens vindt nog geen twee uur later het delict plaats. Het slachtoffer spreekt hem aan op zijn gedrag en zijn reactie is, zeker gezien de omstandigheden – want het ging immers slechts om een discussie over het wegruimen van de vaat – extreem agressief. Het beeld dat hieruit naar voren komt, past bij het beeld dat de psycholoog van hem schetst en op basis waarvan deze tot de conclusie komt dat sprake is van een ziekelijke stoornis. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat die stoornis de gedragskeuzen en het handelen van verdachte op die 14 mei 2015 zodanig heeft beïnvloed dat het feit hem slechts in verminderde mate kan worden toegerekend. De rechtbank is verder van oordeel dat sprake is van een aanzienlijk recidivegevaar. Het gaat, zoals al is vastgesteld, om een stoornis die al lange tijd bestaat. Het door de deskundigen beschreven beeld van verdachte lijkt verder te passen bij het beeld van verdachte zoals dat naar voren komt uit zijn strafblad want daarop staan ernstige geweldsdelicten in 1993, 2005 en
- Voorts constateert de rechtbank dat de geweldsdelicten in ernst en gevolg toenemen. Anders dan het slachtoffer op 14 mei 2015 kunnen de eerdere slachtoffers de gewelddadige confrontatie met verdachte immers wel navertellen. Verdachte lijkt een wandelende tijdbom en het is daarom niet verantwoord hem zonder dat het gevaar is weggenomen, of in ieder geval in belangrijke mate is gereduceerd, terug te laten keren in de maatschappij. Omdat het verdachte ontbreekt aan probleembesef en er ook geen sprake is van een hulpvraag en daadwerkelijke behandelmotivatie, dient, gezien de ernst van het feit en het risico dat hij in de toekomst weer op gewelddadige wijze ontspoort, de behandeling plaats te vinden in een gesloten setting. Minder ingrijpende voorzieningen bieden de maatschappij onvoldoende bescherming. De veiligheid van anderen vereist dan ook het opleggen van de maatregel van TBS met dwangverpleging. Naast deze maatregel acht de rechtbank, gelet op de ernst van het feit, ook een langdurige gevangenisstraf op zijn plaats, echter van een minder lange duur dan door de officier van justitie is gevorderd. Daarbij overweegt de rechtbank dat zij minder feiten bewezen acht dan de officier van justitie, dat het meest ernstige delict verdachte verminderd kan worden toegerekend en dat, voor zover bestraffing mede de beveiliging beoogt te dienen, dat doel in voldoende mate wordt nagestreefd met de maatregel van terbeschikkingstelling. 7De vorderingen van de benadeelde partijen 7.1 De vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 3] heeft zich gevoegd als benadeelde partij ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 20.490,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. [slachtoffer 4] heeft zich gevoegd als benadeelde partij ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 26.654,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. [slachtoffer 5] heeft zich, mede namens [slachtoffer 6] , [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8] , verder ook te noemen [slachtoffer 5] , gevoegd als benadeelde partij ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 7.543,55, ter vermeerderen met de wettelijke rente. De benadeelde partijen hebben oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd. 7.2 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft geconcludeerd tot volledige toewijzing van de vorderingen van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] , vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 5] heeft de officier van justitie geconcludeerd tot toewijzing van de vordering tot een bedrag van € 7.302,21, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De kosten voor verwerping van de nalatenschap komen niet in aanmerking voor toewijzing, aangezien dit geen kosten zijn in de zin van artikel 51f, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. De post reiskosten is toewijsbaar wat betreft de kosten die gemaakt zijn voor het bezoeken van de zittingen en de gesprekken met slachtofferhulp, maar de kosten voor bezoeken aan het ziekenhuis komen volgens de officier van justitie niet voor vergoeding in aanmerking. 7.3 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de kinderen van het slachtoffer, te weten [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] , niet van eenvoudige aard zijn en bij de burgerlijke rechter dienen te worden aangebracht. Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 5] heeft de raadsman zich gerefereerd ten aanzien van de posten die zien op de begrafeniskosten en de reiskosten en heeft zich verzet tegen toewijzing van de kosten die betrekking hebben op het verwerpen van de nalatenschap. 7.4 Het oordeel van de rechtbank De vordering van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] De vorderingen zijn voldoende onderbouwd door de benadeelde partij en ter terechtzitting door mr. E.W. Bosch, advocaat van de benadeelde partij, nader toegelicht. Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de kinderen van het slachtoffer rechtstreeks schade hebben geleden als gevolg van het overlijden van hun vader door toedoen van verdachte. De raadsman heeft zijn stelling dat de vorderingen zich niet zouden lenen voor behandeling in het strafproces wegens ‘velerlei civielrechtelijke aangelegenheden’, in het geheel niet nader onderbouwd zodat de rechtbank daaraan voorbij gaat. De rechtbank zal derhalve de vorderingen toewijzen tot het gevorderde bedrag van respectievelijk € 20.490,00 en € 26.654,
- De rechtbank zal voorts de gevorderde wettelijke rente toewijzen, nu vast is komen te staan dat de schade met ingang van 14 mei 2015 is ontstaan. Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering hebben gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partijen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken. De vordering van [slachtoffer 5] . De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de posten die verband houden met de begrafenis van het slachtoffer en reiskosten in verband met gesprekken met slachtofferzorg en het bijwonen van de zittingen, is namens de verdachte niet betwist en is voldoende onderbouwd door de benadeelde partij. Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het onder 1 impliciet subsidiair bewezenverklaarde feit. De benadeelde partij zal ten aanzien van de post kosten in verband met verwerping van de nalatenschap van het slachtoffer en de reiskosten in verband met het ziekenhuisbezoek niet-ontvankelijk worden verklaard, aangezien deze kosten op grond van artikel 51f, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering niet voor toewijzing in aanmerking komen. De rechtbank zal derhalve de vordering toewijzen tot een bedrag van € 7.302,
- De rechtbank zal voorts de gevorderde wettelijke rente toewijzen, nu vast is komen te staan dat de schade met ingang van 14 mei 2015 is ontstaan. Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken. 8De schadevergoedingsmaatregel In het belang van de benadeelde partijen voornoemd wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opgelegd. 9De inbeslaggenomen goederen Messen De rechtbank zal het op de beslaglijst onder
- genummerde mes verbeurd verklaren omdat de bewezenverklaarde doodslag met dit wapen is begaan. Het onder
- genummerde mes is afkomstig uit de kamer van het slachtoffer. De rechtbank zal bepalen dat dit mes dient te worden teruggegeven aan de rechthebbende. Badjas Nu het belang van strafvordering zich daartegen niet meer verzet, zal de rechtbank de teruggave aan verdachte gelasten van het op de beslaglijst onder
- genummerde voorwerp. 10De toepasselijke wetsartikelen De op te leggen (bijkomende) straffen en maatregelen zijn gegrond op de artikelen: - 33, 33a, 36f, 37a, 37b, 57, 285 en 287 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde. 11De beslissing De rechtbank: verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 impliciet primair en 2 primair, subsidiair en meer subsidiair eerste cumulatief/alternatief tenlastegelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij; verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1 impliciet subsidiair en 2 meer subsidiair tweede cumulatief/alternatief tenlastegelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt: ten aanzien van feit 1 impliciet subsidiair: doodslag ten aanzien van feit 2 meer subsidiair tweede cumulatief/alternatief: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht; verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar; verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij; veroordeelt de verdachte tot: een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) jaren; bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht; gelast voorts de terbeschikkingstelling van verdachte en beveelt dat de terbeschikkinggestelde van overheidswege zal worden verpleegd; de vorderingen van de benadeelde partijen; de vordering van [slachtoffer 3] wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer 3] , een bedrag van € 20.490,00, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 14 mei 2015 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan; veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken; legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 20.490,00 vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 14 mei 2015 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 3] ; bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 137 dagen; bepaalt dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen; de vordering van [slachtoffer 4] wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer 4] , een bedrag van € 26.654,00, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 14 mei 2015 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan; veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken; legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 26.654,00 vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 14 mei 2015 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 4] ; bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 168 dagen; bepaalt dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen; de vordering van [slachtoffer 5] wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer 5] , een bedrag van € 7.302,21, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 14 mei 2015 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan; veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken; verklaart de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij dat deel bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen; legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 7.302,21 ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 5] ; bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 72 dagen; bepaalt dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen; de inbeslaggenomen goederen; verklaart verbeurd het op de beslaglijst onder
- genummerde voorwerp te weten: een mes (kleur: zwart); gelast de teruggave aan verdachte van het op de beslaglijst onder
- genummerde voorwerp, te weten: een badjas; gelast de teruggave aan de rechthebbende van het op de beslaglijst onder
- genummerde voorwerp te weten: een mes (kleur: rood). Dit vonnis is gewezen door mr. E.A.G.M. van Rens, voorzitter, mr. R.C. Hartendorp, rechter, mr. A.M. Boogers, rechter, in tegenwoordigheid van mrs. B. Visser en E.N.A. Wooning, griffiers, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 april
- Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL2014218334, van de politie eenheid Den Haag, districtsrecherche Alphen-Gouda, met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 227). Proces-verbaal van verhoor verdachte [slachtoffer 2] , p. 24 Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 13 april 2016 voor zover inhoudende ‘Ik had ruzie met die Marokkaan. (..) Ik ben toen naar boven gegaan. Ik heb een mes gepakt en stond op de trap.’ Proces-verbaal van verhoor verdachte [slachtoffer 2] , p. 25