vonnis RECHTBANK DEN HAAG Team handel zaaknummer / rolnummer: C/09/459918 / HA ZA 14-208 Vonnis van 9 maart 2016 in de zaak van de publiekrechtelijke rechtspersoon GEMEENTE HILLEGOM, zetelende te Hillegom, eiseres, advocaat mr. T.C. Leemans te Haarlem, tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats] , gedaagde, advocaat mr. W.J. Bosma te Den Haag. Partijen zullen hierna de gemeente en [gedaagde] genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het vonnis van 27 augustus 2014 en de daarin genoemde stukken; het proces-verbaal van de descente van 24 november 2014 en de daarin genoemde stukken; de brief van mr. Leemans van 29 december 2014, met bijlagen; de e-mail van mr. Leemans van 5 januari 2015, met bijlage; de brief van mr. Bosma van 5 januari 2015, met bijlage; de brief van mr. Leemans van 6 januari 2015, met bijlage; de e-mail van mr. Bosma van 13 februari 2015, met bijlagen; het conceptdeskundigenrapport; de e-mail van mr. Bosma van 20 april 2015, met bijlage; de brief van mr. Leemans van 20 april 2015, met bijlagen; de e-mail van de deskundige aan partijen van 1 mei 2015; de e-mail van mr. Bosma van 4 mei 2015, met bijlage; de e-mail van mr. Leemans van 28 mei 2015, met bijlagen; de brief van mr. Bosma van 4 juni 2015; het definitieve deskundigenrapport; de beschikking van 18 december 2015 waarbij pleidooi is bepaald op 11 februari 2016; de brief van mr. Leemans van 15 januari 2016, met bijlagen; de brief van mr. Bosma van 28 januari 2016, met bijlagen; de brief van mr. Bosma van 3 februari 2016, met bijlagen; de brief van mr. Leemans van 5 februari 2016, met bijlage; de pleitaantekeningen van mr. Leemans; de pleitaantekeningen van mr. Bosma; de e-mail van de deskundige van 15 februari 2016; de e-mail van mr. Leemans van 22 februari 2016; de e-mail van mr. Bosma van 22 februari 2016. 1.2. Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald. 2De verdere beoordeling 2.1. Bij vonnis van 27 augustus 2014 (hierna: het onteigeningsvonnis) heeft de rechtbank vervroegd de onteigening uitgesproken ten behoeve en ten name van de gemeente van: een gedeelte ter grootte van 00.00.03 hectare van het perceel kadastraal bekend gemeente Hillegom, sectie B, nummer 807, ter grootte van 00.54.00 hectare (grondplannummer 1); een gedeelte ter grootte van 00.00.08 hectare van het perceel kadastraal bekend gemeente Hillegom, sectie B, nummer 809, ter grootte van 00.78.30 hectare (grondplannummer 2); een gedeelte ter grootte van 00.01.95 hectare van het perceel kadastraal bekend gemeente Hillegom, sectie B, nummer 2765, ter grootte van 00.02.90 hectare (grondplannummer 5); een gedeelte ter grootte van 00.10.30 hectare van het perceel kadastraal bekend gemeente Hillegom, sectie B, nummer 3369, ter grootte van 00.11.80 hectare (grondplannummer 7). vrij van alle op de zaken rustende lasten en rechten. 2.2. Gebleken is dat onduidelijkheid bestaat over de werkelijke grootte van het perceel B 3366. Partijen hebben de deskundige verzocht bij de bepaling van de schadeloosstelling uit te gaan van een onteigend oppervlakte van 00.11.80 hectare. 2.3. Het onteigende bestaat uit grasland, grastalud en watergang. 2.4. Het vigerende bestemmingsplan is het bestemmingsplan “Fietspad Hillegom – Bennebroek” waarbij aan het onteigende de bestemmingen “Verkeer” en “Water” met de dubbelbestemming “Waterstaat-Waterkering” zijn toegekend. Daarnaast vigeert op het onteigende de beheersverordening “De Polders”. 2.5. Voorafgaand aan het bestemmingsplan “Fietspad Hillegom – Bennebroek” gold ter plaatse het bestemmingsplan “De Polders” waarbij aan het onteigende de bestemming “Agrarisch gebied met landschappelijke natuurwaarden” met de dubbelbestemming “Primair Waterkering” was toegekend. 2.6. In het onteigeningsvonnis is het voorschot op de schadeloosstelling voor [gedaagde] bepaald op € 4.695,00. 2.7. De opneming door de rechter-commissaris en de deskundige als bedoeld in artikel 54a van de Onteigeningswet (hierna: Ow) heeft op 24 november 2014 plaatsgevonden. 2.8. Op 15 december 2014 is het onteigeningsvonnis in de openbare registers ingeschreven. 2.9. Bij rapport van 6 oktober 2015, ter griffie gedeponeerd op 6 oktober 2015, heeft de deskundige omtrent de aan [gedaagde] toekomende schadeloosstelling als volgt geadviseerd: De waarde van het onteigende € 4.735,50 Bijkomende schaden € nihil Schaden van derde-belanghebbenden € nihil Totaal € 4.735,50 2.10. Partijen hebben bij pleidooi gereageerd op het definitieve deskundigenrapport. De waarde van het onteigende Onderverdeling onteigende 2.11. De gemeente heeft een opgaaf gedaan van de onderverdeling van het onteigende in grasland, grastalud en watergang. Om die onderverdeling te kunnen verifiëren heeft de deskundige in het conceptdeskundigenrapport de gemeente verzocht deze onderverdeling nader inzichtelijk te maken. De door de gemeente in haar reactie op het adviesrapport verstrekte informatie wijkt af van de eerder opgegeven onderverdeling. Tevens heeft de gemeente verzocht bij perceel B 3369 uit te gaan van een grootte van 1.180 m², in plaats van de in het onteigeningsvonnis vermelde gedeelte van 1.030 m². De deskundige heeft vastgesteld dat deze extra 150 m² grastalud betreffen en heeft, overeenkomstig de nadere opgaaf van de gemeente, tot uitgangspunt genomen dat het onteigende uit 206 m² grasland, 157 m² watergang en 1.023 m² grastalud bestaat. 2.12. [gedaagde] heeft bezwaar gemaakt tegen het hanteren van een onderverdeling nu in het KB het onteigende staat omschreven als ‘Terrein (grasland)’, zonder dat daarbij een onderscheid is gemaakt tussen grasland, grastalud en watergang. Daarnaast maakt [gedaagde] bezwaar tegen de aanpassing van de onderverdeling na het conceptrapport en stelt zich op het standpunt dat een wijziging in het feitencomplex in dat stadium van het geding in strijd is met de beginselen van een goede procesorde. 2.13. De rechtbank is van oordeel dat het is toegestaan om een terrein te nader te specificeren, met name nu het om niet meer gaat dan een nadere detaillering van de feitelijke situatie. Dat na de descente en de daar gegeven toelichting geen ruimte zou zijn voor het toelaten van extra informatie is niet juist, omdat de descente er mede toe strekt om omissies te herstellen en dat strookt met het doel om de schadeloosstelling af te stemmen op de werkelijke situatie. Van strijd met de goede procesorde is geen sprake, zeker niet nu tegenspraak nog altijd mogelijk is. Nu de feiten inhoudelijk niet zijn bestreden zal de rechtbank het advies van de deskundige volgen en uitgaan van een onderverdeling van 206 m² grasland, 157 m² watergang en 1.023 m² grastalud. Eliminatie 2.14. De deskundige heeft voor de waardebepaling tot uitgangspunt genomen dat het onteigende zijn hoogste waarde ontleent aan agrarisch gebruik. Hij is van mening – en ook tussen partijen is dat niet in geschil – dat de op het onteigende rustende bestemmingen in het bestemmingsplan “Fietspad Hillegom – Bennebroek” ingevolge artikel 40c Ow moeten worden geëlimineerd. Hij is daarom uitgegaan van het op de peildatum bestaand gebruik en de omstandigheid dat in het voorafgaande bestemmingsplan “De Polders” op het onteigende een agrarische bestemming rustte. 2.15. [gedaagde] stelt dat naast het bestemmingsplan ook de op het onteigende rustende beheersverordening “De Polders” moet worden geëlimineerd. Als reden daarvoor voert zij aan dat de beheersverordening enkel is vastgesteld omdat werd voorzien in de aanleg van dit fietspad. Door het wegdenken van de beheersverordening komt de planologische toekomst van het onteigende weer open te liggen, aldus [gedaagde] , wat een hogere verwachtingswaarde creëert. 2.16. De rechtbank is met de deskundige van oordeel dat de beheersverordening niet aan te merken is als (behorend tot) een plan als in artikel 40c Ow nu deze verordening niet valt aan te merken als een plan voor het werk waarvoor is onteigend. Verwachtingswaarde 2.17. Ter beoordeling staat vervolgens of, zoals [gedaagde] stelt en de gemeente betwist, bij de waardering van het onteigende rekening moet worden gehouden met een boven de agrarische waarde uitstijgende verwachtingswaarde. 2.18. Er is – in het algemeen – een tweetal oorzaken denkbaar om verwachtingswaarde op het onteigende aan te kunnen nemen. Enerzijds vanwege de ligging van het onteigende nabij bestaande of nieuwe stedelijke ontwikkelingen en anderzijds vanwege concrete of algemene beleidsvoornemens waaruit kan worden afgeleid dat het onteigende betrokken zou kunnen worden bij rendabele ontwikkelingen. Voor het aannemen van een verwachtingswaarde behoeft over een toekomstige ontwikkeling geen zekerheid te bestaan: ook een min of meer speculatief aangelegde koper kan worden aangemerkt als redelijk handelend koper. Anderzijds moeten op de peildatum wel enige aanknopingspunten voor het koesteren van een dergelijke verwachting voorhanden zijn: bij het ontbreken van een voldoende reële verwachting zou dit anders neerkomen op pure speculatie, en daartoe zou een redelijk handelend koper niet overgaan. 2.19. [gedaagde] heeft aan haar stelling, dat er verwachtingswaarde moet worden aangenomen, ten grondslag gelegd dat aan de beheersverordening “De Polders” – ook als deze niet moet worden geëlimineerd zoals hiervoor overwogen – niet veel betekenis moet worden gehecht omdat de beheersverordening slechts als overbruggingsinstrument is gehanteerd om te voldoen aan de actualisatieverplichting van de Wet Ruimtelijke Ordening. De gemeente heeft bovendien geïnformeerd naar particuliere initiatieven en is doende een nieuw bestemmingsplan op te stellen (“Buitengebied”). Ook de beoogde aanleg van de Duinpolderweg zal de planologie voor het gebied weer open leggen en de weg vrij maken voor nieuwe ontwikkelingen Daarnaast ontstaat door mogelijke ontwikkeling van een recreatiehaven met waterwoningen in de gemeente Bloemendaal ook de reële verwachting dat het onteigende ontwikkeld gaat worden. Tevens stelt [gedaagde] dat uit de grondtransactie tussen de gemeente en Bureau Beheer Landbouwgronden (hierna: BBL) ook blijkt dat verwachtingswaarde kan worden aangenomen, nu bij die transactie een meerwaardeclausule is opgenomen. Tot slot voert [gedaagde] aan dat de exploitatie-overeenkomst uit 1984 tussen de Gemeente Hillegom en Buhoma B.V. (hierna: de exploitatie-overeenkomst) nog steeds van kracht is, waarvan de Muntendamsche Investerings Maatschappij, gedaagde in gelijklopende onteigeningsprocedure, in de rechten en plichten is getreden. De exploitatie-overeenkomst voorziet in de ontwikkeling van een recreatiepark. 2.20. De rechtbank overweegt als volgt. Dat door de gemeente een nieuw bestemmingsplan wordt ontwikkeld doet niets af aan de actualiteit van de vigerende beheersverordening. Hoewel in de beheersverordening rekening wordt gehouden met de aanleg van de Duinpolderweg bestaat over het tracé daarvan onvoldoende zekerheid. In de beheersverordening wordt verder geenszins geïnsinueerd dat een andere (meer rendabele) inrichting van het gebied op komst is. Het standpunt van de deskundige dat gelet op het beleid van de gemeente binnen de komende tien tot vijftien jaar geen ontwikkelingen te verwachten zijn op of nabij het onteigende is door [gedaagde] onvoldoende weersproken. 2.21. Daarbij neemt de rechtbank voorts nog het volgende in aanmerking: a.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.