RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht zaaknummers: AWB 15/13837 (beroep) AWB 15/14750 (voorlopige voorziening) V-nr: [volgnummer] uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 1 maart 2016 in de zaak tussen [naam] , geboren op [geboortedatum] 1993, van Servische nationaliteit, eiser en verzoeker, hierna te noemen: eiser (gemachtigde: mr. M. Dorgelo), en de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder (gemachtigde: mr. F. Schoot). Procesverloop Bij besluit van 23 december 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot afgifte van een document als bedoeld in artikel 9 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 afgewezen. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 22 juni 2015 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard. Op 16 juli 2015 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser ontvangen. Bij brief van 4 augustus 2015 is verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 november 2015. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. De rechtbank/voorzieningenrechter (rechtbank) heeft het onderzoek ter zitting geschorst teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen om te beoordelen of het feit dat eisers moeder met eisers stiefvader op 14 oktober 2015 een geregistreerd partnerschap is aangegaan aanleiding vormt om eisers aanvraag alsnog in te willigen. Verweerder heeft bij brief van 20 november 2015 de rechtbank meegedeeld dat hij het bestreden besluit handhaaft. Eiser heeft bij brief van 21 december 2015 daarop gereageerd. Partijen hebben de rechtbank toestemming gegeven om zonder nadere zitting een uitspraak te doen. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten. Overwegingen Ten aanzien van het beroep 1. Bij de beoordeling het beroep gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden. 1.1 Eiser woont naar eigen zeggen sinds zijn vijfde leeftijd in Nederland en heeft nimmer in Nederland een verblijfsvergunning gehad. Uit de stukken blijkt dat eiser op 25 maart 2013 in België een aanvraag heeft ingediend voor een verblijfsvergunning op grond van gezinshereniging. Uit de kopie van eisers Belgische verblijfsdocument blijkt dat eiser met ingang van 19 maart 2014 in België in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning, onder de beperking “familielid van een burger van de Unie” geldig tot 19 maart 2019. 1.2 Eiser heeft op 26 september 2014 de onderhavige aanvraag ingediend. 2. Op grond van artikel 8.7, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000, voor zover van belang, is deze paragraaf van toepassing op vreemdelingen die de nationaliteit bezitten van een staat die partij is bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Op grond van het tweede lid van voornoemd artikel is deze paragraaf eveneens van toepassing op de familieleden die een vreemdeling als bedoeld in het eerste lid naar Nederland begeleiden of zich bij hem in Nederland voegen, voor zover het betreft: a. de echtgenoot; b. de partner, waarmee de vreemdeling een naar Nederlands internationaal privaatrecht geldig geregistreerd partnerschap is aangegaan; c. de rechtstreekse bloedverwant in neergaande lijn, van een vreemdeling als bedoeld in het eerste lid, of van diens echtgenoot of geregistreerd partner, voor zover die bloedverwant jonger is dan 21 jaar of ten laste is van die echtgenoot of geregistreerd partner; of d. de rechtstreekse bloedverwant in opgaande lijn die ten laste is van de vreemdeling of van het gezinslid, bedoeld onder a of b. Op grond van het derde lid van eerder genoemd artikel is deze paragraaf voorts van toepassing op andere familieleden dan bedoeld in het tweede lid, die een vreemdeling als bedoeld in het eerste lid naar Nederland begeleiden of zich bij hem in Nederland voegen, in geval zij: a. in het land van herkomst ten laste zijn van of inwonen bij die vreemdeling; of b. vanwege ernstige gezondheidsredenen een persoonlijke verzorging door die vreemdeling strikt behoeven. Op grond van het vierde lid van eerder genoemd artikel is deze paragraaf eveneens van toepassing op de ongehuwde partner die een vreemdeling als bedoeld in het eerste lid naar Nederland begeleidt of zich bij hem in Nederland voegt en die een deugdelijk bewezen duurzame relatie met die vreemdeling heeft, en op de rechtstreekse bloedverwant in de neergaande lijn van een zodanige partner, voor zover die bloedverwant jonger is dan 18 jaar en die partner vergezelt of zich bij die partner in Nederland voegt. 3. Verweerder heeft zich zowel in het primaire besluit als in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor een zogenaamd artikel 9-document omdat eiser niet voldoet aan één van de vereisten van artikel 8.7, tweede lid, aanhef en onder c van het Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000 of die van artikel 8.7, vierde lid van het Vb 2000. In zijn brief van 12 november 2015 heeft verweerder zich, samengevat weergegeven, op het standpunt gesteld dat het in Nederland aangegane geregistreerd partnerschap geen reden vormt om de aanvraag in te willigen omdat voornoemde geregistreerd partnerschap ten tijde van het bestreden besluit niet bestond. Voor het overige heeft verweerder bij zijn in het bestreden besluit genoemde standpunt gepersisteerd. 4. Eiser heeft betoogd dat hij op grond van artikel 8.7, derde lid, aanhef en onder a, van het Vb 2000 in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat hij een ander familielid is van zijn stiefvader en hij in België en daarvoor in Nederland inwoonde bij zijn moeder en stiefvader. Volgens eiser dient België als het land van herkomst te worden aangemerkt. Eiser heeft subsidiair aangevoerd dat hij aan de vereisten van 8.7, tweede lid, aanhef en onder c, van het Vb 2000 voldoet omdat hij ten tijde van de aanvraag jonger was dan 21 jaar en ten laste van zijn stiefvader en moeder komt. 5.1 De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 2, tweede lid, van de Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden (de richtlijn), die omgezet is in nationaalrecht in artikel 8.7 (en verder) van het Vb 2000, wordt onder een familielid verstaan: a.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.