RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummer: AWB 16/7382 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , geboren op [geboortedatum], van Marokkaanse nationaliteit, V-nummer [nummer], eiser, (gemachtigde: mr. M.E. Muller), en de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder, (gemachtigde: mr. A. Hanje). Procesverloop Eiser heeft op 12 april 2016 beroep ingesteld tegen het voortduren van de bewaring.Het beroep strekt tevens tot een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken aan eiser en aan de rechtbank toegezonden. Eiser is in de gelegenheid gesteld daarop te reageren. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 april 2016. Eiser en gemachtigde zijn, met voorafgaande kennisgeving, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Op 4 januari 2016 is eiser in bewaring gesteld. Bij uitspraak van 23 februari 2016 (Awb 16/2136) heeft de rechtbank laatstelijk een eerder tegen de bewaring gericht beroep ongegrond verklaard. Thans staat uitsluitend ter beoordeling of het voortduren van de bewaring rechtmatig is sinds het sluiten van het onderzoek op 16 februari 2016 in die zaak. 2. Eiser stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van voortvarend handelen met betrekking tot zijn uitzetting. Eiser betwist dat er nog steeds sprake is van zicht op uitzetting op korte termijn. 3. De rechtbank overweegt als volgt. Uit de voortgangsrapportage van 14 april 2016 blijkt dat verweerder meerdere malen heeft gerappelleerd, laatstelijk op 4 april 2016 en dat vertrekgesprekken hebben plaatsgevonden, laatstelijk op 30 maart 2016. Eiser is op 7 maart 2016 gepresenteerd aan de vertegenwoordiger van Marokko in Rotterdam, de lp-aanvraag is in onderzoek genomen en er is een kopie paspoort overgelegd aan de Marokkaanse autoriteiten. De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden gezegd dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt. Deze beroepsgrond faalt. 4. Met betrekking tot het zicht op uitzetting verwijst de rechtbank naar de uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Zwolle van 24 maart 2016 (ECLI:NL:RBOVE: 2016:1020). Uit de in die zaak overgelegde brieven van verweerder van 16 maart 2016 en 17 maart 2016 blijkt dat vreemdelingen zijn gepresenteerd bij de consulaten in Rotterdam (7 maart 2016), Den Bosch (12 januari, 26 januari, 4 februari en 1 maart 2016) en zullen worden gepresenteerd bij het consulaat in Amsterdam (23 maart 2016). Bij het consulaat in Utrecht zijn geen vreemdelingen gepresenteerd; met de Consul Generaal van dat consulaat is afgesproken dat lopende zaken op 23 maart 2016 worden besproken. Voorts blijkt uit de brieven dat naar aanleiding van de presentaties in Den Bosch een laissez passer (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.