← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2016:5209

Rechtbank Den Haag Sector Strafrecht Meervoudige strafkamer Parketnummers: 09/753010-14 en 09/837067-16 (ter terechtzitting gevoegd) TUL: 22/005290-11 Datum uitspraak: 13 mei 2016 Tegenspraak (Promisvonnis) De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats] , [adres] . 1Het onderzoek ter terechtzitting Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen van 24 april 2014, 10 juli 2014, 7 oktober 2014, 23 december 2014, 9 maart 2015, 30 maart 2015, 13 april 2015, 17 december 2015, 3 februari 2016 en 4, 6, 7, 13, 14 en 29 april 2016. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officieren van justitie mr. K. Sanders en mr. D. Kortekaas, en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. G.J. van der Meer, advocaat te Amsterdam, en door de verdachte naar voren is gebracht. 2De tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd – na aanpassing van de tenlastelegging ter terechtzitting van 10 juli 2014 – hetgeen is vermeld in de vordering nadere omschrijving tenlastelegging, welke als bijlage I onderdeel uitmaakt van dit vonnis. De beschuldigingen komen er – kort gezegd – op neer dat de verdachte in de periode van 1 januari 2012 tot en met 14 januari 2014 heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die tot het oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk diefstal uit woningen door middel van braak, verbreking, inklimming en/of gebruikmaking van een valse sleutel (feit 1) en dat de verdachte zich binnen dit criminele samenwerkingsverband samen met anderen heeft schuldig gemaakt aan het plegen van diverse (woning)inbraken dan wel pogingen daartoe (de feiten 2 en 4 tot en met 31), heling (feit 3) en een vernieling van twee personenauto’s (feit 32). Voorts berust op de verdachte de verdenking dat hij zich op 28 augustus 2015 samen met anderen heeft schuldig gemaakt aan een poging tot woninginbraak dan wel het treffen van voorbereidingshandelingen daartoe (parketnummer 09/837067-16), zoals omschreven in de – ter terechtzitting van 6 april 2016 gevoegde – tenlastelegging, welke als bijlage II onderdeel uitmaakt van dit vonnis. 3De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie Door de verdediging is betoogd dat de verdachten opzettelijk en doelbewust op structurele basis onrechtmatig zijn staande gehouden, waarbij een grove inbreuk op de grondrechten van de verdachten is gemaakt zodat het Openbaar Ministerie (OM) niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van de verdachten. Het verweer noopt in de eerste plaats tot beantwoording van de vraag of er sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a Wetboek van Strafvordering (Sv). Volgens vaste rechtspraak is van een vormverzuim in de zin van dit wetsartikel uitsluitend sprake indien het heeft plaatsgevonden in het voorbereidend onderzoek tegen een verdachte ter zake de aan hem ten laste gelegde feiten. Het voorbereidend onderzoek betreft het onderzoek dat tegen de verdachte is uitgevoerd te zake van de feiten waarvoor hij wordt vervolgd. De verdenking jegens verdachten van de concreet in het onderhavige geding ten laste gelegde feiten ontstond eerst in de loop van 2013. Vooral de informatie uit het onderzoek Wit/Rood, waarin de verdachten [medeverdachte 1 ] , [medeverdachte 2 ] , [medeverdachte 3] [medeverdachte 4] en zijn broer zijn aangehouden in verband met de verdenking van een inbraak in een supermarkt, is hiervoor redengevend geweest. Op basis van met name die verdenking is immers de aanvraag voor de inzet van bijzondere opsporingsmiddelen voorbereid, die uiteindelijk heeft geleid tot de informatie waarop de concrete verdenkingen jegens de verdachten is gerezen. Voor zover er al doelbewuste en stelselmatige onregelmatigheden hebben plaatsgevonden in de periode voorafgaand aan de hiervoor uiteengezette start van het voorbereidend onderzoek naar de tenlastegelegde feiten, hebben deze derhalve plaatsgevonden buiten het vooronderzoek, hetgeen betekent dat deze reeds om die reden geen vormverzuim ex artikel 359a Sv kunnen opleveren. Een andere opvatting zou meebrengen dat onrechtmatig optreden van politie of justitie tot een vrijbrief voor verdachten zou leiden in een volledig van deze onrechtmatigheid losstaande strafzaak. Anderzijds betekent dit niet dat niet kan worden opgetreden tegen onrechtmatig overheidsoptreden als dit heeft plaatsgevonden buiten een voorbereidend onderzoek. Daarvoor staan evenwel andere rechtsgangen open. Daarmee komt de rechtbank toe aan beantwoording van de vraag of in het onderhavige opsporingsonderzoek sprake is van onherstelbare vormverzuimen die tot een niet-ontvankelijk verklaring van het OM zou moeten leiden. Hiertoe is betoogd door de verdediging dat de aanvragen voor de machtigingen om bijzondere opsporingsmiddelen in te zetten onrechtmatig verkregen zijn en tevens onjuiste informatie bevatten. De rechter-commissaris zou de machtigingen op onjuiste grondslag hebben verleend. De rechtbank stelt vast dat het eerste bijzondere opsporingsmiddel dat in het Kikkergroen onderzoek is ingezet de aanvraag Stelselmatige Observatie (OVC) van [medeverdachte 5] van 23 april 2013 was. Deze aanvraag steunt voor een belangrijk deel op de bevindingen van de verbalisanten zoals gerelateerd in het proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 april 2013, opgemaakt door [verbalisant ] en [verbalisant ] beiden werkzaam bij het HIT-team, en als pagina 1962/1965 gevoegd in zaaksdossier 2.16. De rechtbank maakt hieruit het volgende op. Op 20 april 2013 omstreeks 0.55 uur zagen verbalisanten op de Laan van Wateringseveld te Den Haag een zwarte Ford Ka, voorzien van [kenteken] , rijden. Na de auto kort te zijn gevolgd, waarbij opmerkelijk rijgedrag werd vertoond hebben de verbalisanten het voertuig een stopteken gegeven en de bestuurder voldeed hieraan. De bestuurder van de auto overhandigde een rijbewijs op naam van [medeverdachte 5] . Verbalisanten herkenden de overige inzittenden van de auto als de hen ambtshalve bekende [medeverdachte 6 ] en [medeverdachte 1 ] , die zich beiden legitimeerden met geldige, op hun naam staande legitimatiebewijzen. Vervolgens zijn zij allen gefouilleerd en is het voertuig doorzocht. De rechtbank is met de verdediging en het OM van oordeel dat de omstandigheden op dat moment onvoldoende grondslag boden voor een fouillering en doorzoeking van het voertuig op grond van artikel 96b Sv. De informatie die dit heeft opgeleverd had dan ook niet mogen worden betrokken bij de aanvraag. De rechtbank overweegt evenwel dat de aanvraag voor het inzetten van deze OVC - ook indien de onrechtmatig verkregen informatie buiten beschouwing wordt gelaten - voldoende grondslag biedt voor het verlenen van een machtiging voor het stelselmatig observeren. Hiertoe overweegt de rechtbank dat de staandehouding van het voertuig en het verzoek aan de inzittenden om zich te legitimeren onder deze omstandigheden (tijdstip in de nacht, opmerkelijk rijgedrag, wijk waar veel woninginbraken worden gepleegd) op zichzelf voldoende grondslag vindt in artikel 3 van de Politiewet. Het gegeven dat de bestuurder [medeverdachte 3] zich vervolgens legitimeerde met het rijbewijs van zijn broer [medeverdachte 5] , dat de verbalisanten nadien vernamen, dat er kort tevoren in de buurt was ingebroken, dat de inzittenden antecedenten hebben op het gebied van inbraken, dat de avond erna het voertuig opnieuw (rechtmatig) werd staande gehouden, waarna een van de inzittenden wegrende en tijdens de achtervolging een inbrekerswerktuig weggooide biedt hiervoor immers ruim voldoende grondslag. Het feit dat deze eerste aanvraag mede gebaseerd is geweest op onrechtmatig verkregen bewijs is dan ook geen omstandigheid die dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het OM. De rechtbank overweegt voorts dat het inzetten van de OVC in april 2013 geen belastende informatie heeft opgeleverd. De aanvragen van de nadien ingezette bijzondere opsporingsmiddelen zijn met name gebaseerd op de bevindingen in het kader van de los van deze zaak staande deelonderzoeken Mintgroen en het eerder genoemde Wit/Rood. Mintgroen betreft een onderzoek naar een inbraak op de [adres] te Den Haag tussen 14 mei 2013 en 17 mei 2013, waarbij de huissleutel aan de daders zou zijn verstrekt. [betrokkene] heeft verklaard dat hij de huissleutel van zijn buurman aan de [adres] heeft gegeven aan jongens uit de wijk Vrederust die zich bezig hielden met inbraken, maar dat zij uiteindelijk zelf niet konden inbreken, omdat zij onderweg naar Den Haag zijn aangehouden door de politie. Dit ging om [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1 ] , [medeverdachte 4] en een onbekende persoon. [medeverdachte 7] en [medeverdachte 8] hebben de inbraak vervolgens gepleegd en zijn in verband hiermee ook aangehouden, aldus [betrokkene] . Op 15 mei 2013 blijkt dat [medeverdachte 2 ] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 9 ] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1 ] kort ervoor zijn aangehouden op verdenking van diefstal uit een bedrijf in Amsterdam. Dit vormt het deelonderzoek Wit/Rood, waarin ook tegen de verdachten bijzondere opsporingsmiddelen zijn ingezet. Deze middelen hebben tevens informatie opgeleverd die tot de aanvragen van bijzondere opsporingsmiddelen in het onderhavige onderzoek hebben geleid. Zo komt uit een op de telefoon van [medeverdachte 3] gezette telefoontap belastende informatie over vermoedelijke inbraken naar voren, waarbij de namen van [medeverdachte 5] , [medeverdachte 10] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1 ] worden genoemd. Naar het oordeel van de rechtbank rechtvaardigt deze informatie, in samenhang met voornoemde op dat moment beschikbaar zijnde rechtmatig verkregen informatie reeds de nadien tegen deze verdachten ingezette BOB-middelen. Samenvattend overweegt de rechtbank dat uit de deelonderzoeken Mintgroen en Wit/Rood zoveel belastende informatie naar voren is gekomen ten aanzien van het onderhavige onderzoek dat deze informatie voor de rechter-commissaris voldoende grondslag vormde om machtigingen te verlenen voor de tegen de overige verdachten in te zetten BOB-middelen. 4. Bewijsoverwegingen 4.1 Algemene overwegingen I. Verzoeken om bewijsuitsluiting Door de verdediging van verdachte en/of zijn medeverdachte(

  1. n)is een aantal verzoeken om bewijsuitsluiting gedaan. Deze verzoeken hebben betrekking op: Het bewijs voortvloeiend uit de telefoontap op het mobiele nummer van [medeverdachte 7] en [medeverdachte 10] ; Het bewijs voortvloeiend uit de geplaatste apparatuur in de Ford Ka met [kenteken] . Ad 1. Het bewijs voortvloeiend uit de telefoontap op het mobiele nummer van [medeverdachte 7] In de zaak tegen de [medeverdachte 7] heeft de verdediging aangevoerd dat het bewijs afkomstig van de telefoontap op het mobiele nummer van [medeverdachte 7] , voorzien van een [IMEI-nummer] , moet worden uitgesloten, nu deze telefoon van [medeverdachte 7] op 20 juli 2013 onrechtmatig bij hem in beslag is genomen. Aan dit verweer gaat de rechtbank voorbij. In het proces-verbaal betreffende de aanvraag bevel onderzoek van telecommunicatie ten aanzien van [medeverdachte 3] (p. 7 BOB-dossier [medeverdachte 3] ) is weliswaar vermeld dat de telefoon van [medeverdachte 7] in beslag is genomen in het kader van het onderzoek Kikkergroen, maar dit betreft een kennelijke verschrijving. Uit de overige informatie in het proces-verbaal volgt immers onmiskenbaar dat het onderzoek zich richtte op de inbraak in de [adres] te Den Haag, wat het onderzoek Mintgroen betrof. Voorzover al van onrechtmatige inbeslagname van de telefoon sprake is, heeft dit derhalve plaatsgevonden in het kader van het onderzoek Mintgroen. Gelet op het hiervoor overwogene betreft dit dan ook geen vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv. In de zaak tegen de [medeverdachte 3] heeft de verdediging eveneens een beroep gedaan op de onrechtmatige inbeslagname van de telefoon van [medeverdachte 7] . Ook hierbij geldt dat, voorzover er al sprake is van een onrechtmatigheid, deze onrechtmatigheid niet heeft plaatsgevonden in het vooronderzoek ten aanzien van de aan de verdachte ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor reeds overwogen, terwijl bovendien ten aanzien van [medeverdachte 3] geldt dat deze eventueel geschonden norm niet strekt tot bescherming van zijn belangen (Schutznorm). In de zaak tegen [medeverdachte 10] is betoogd dat de bevindingen gekoppeld aan het telefoonnummer eindigend op – [nummer] van het bewijs moeten worden uitgesloten. De politie zou aan dit nummer zijn gekomen doordat zij [medeverdachte 10] zonder enige grond heeft meegenomen en het nummer van zijn gsm-toestel heeft genoteerd. De rechtbank gaat hieraan voorbij. Zo al sprake zou zijn van een onrechtmatige staandehouding – de inhoud van de mutatie van 23 januari 2013 wijst hier niet zonder meer op – heeft dit, zoals hiervoor reeds is overwogen, niet plaatsgevonden in het onderhavige onderzoek. Reeds daarom kan dit niet tot bewijsuitsluiting in deze zaak leiden. Ad 2. Het bewijs voortvloeiend uit de geplaatste apparatuur in de Ford Ka met [kenteken] Door de verdediging is in de zaak tegen de [medeverdachte 3] voorts aangevoerd dat de apparatuur in de Ford KA voorzien van [kenteken] al was geplaatst voordat de machtiging tot inzet van stelselmatige observatie was afgegeven. Deze onrechtmatigheid brengt mee dat de onderzoeksresultaten die voort zijn gekomen uit dit baken van het bewijs moeten worden uitgesloten. De rechtbank stelt vast dat van een schending van enig belang geen sprake is geweest, nu de auto eerst na afgifte van de machtiging door de rechter-commissaris aan [medeverdachte 5] ter beschikking is gesteld. Van onheuse druk op de rechter-commissaris bij het verlenen van deze machtiging is niet gebleken. II. Telefoonnummers Gedurende het onderzoek naar de verschillende telefoonnummers/simkaarten zijn de volgende telefoonnummers in verband gebracht met de volgende gebruikers: [medeverdachte 7] [telefoonnummer] [verdachte] [telefoonnummer] [medeverdachte 6 ] [telefoonnummer] [medeverdachte 5] [medeverdachte 3] [telefoonnummer] [medeverdachte 10] [telefoonnummer] [medeverdachte 1 ] [medeverdachte 11] [telefoonnummer] [medeverdachte 12 ] [medeverdachte 13] [telefoonnummer] [medeverdachte 4] [medeverdachte 2 ] [telefoonnummer] . In het hiernavolgende zullen de telefoonnummers worden aangeduid met – gevolgd door de laatste vier cijfers van het nummer. III. Bijnamen In het dossier worden op verschillende momenten bijnamen van de verdachten genoemd. Tijdens het deelonderzoek Kikkergroen is de telecommunicatie van een aantal verdachten opgenomen en beluisterd. Naar aanleiding van het beluisteren van de OVC-gesprekken en de opgenomen telecommunicatie van de verdachten [medeverdachte 7] , [medeverdachte 6 ] , [medeverdachte 5] [verdachte] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1 ] is gebleken, dat de hieronder genoemde personen aangesproken werden met de volgende bijnamen: [verdachte] = [bijnamen] ; [medeverdachte 4] = [bijnaam] ; [medeverdachte 1 ] = [bijnamen] ; [medeverdachte 7] = [bijnamen] ; [medeverdachte 11] = [bijnaam] ; [medeverdachte 6 ] = [bijnamen] ; [medeverdachte 12 ] = [bijnaam] ; [medeverdachte 10] = [bijnamen] ; [medeverdachte 5] = [bijnamen] ; [medeverdachte 3] = [bijnamen] ; [medeverdachte 13] = [bijnamen] ; [medeverdachte 14] = [bijnamen] . [medeverdachte 2 ] = [bijnaam] Het gebruik van voornoemde bijnamen wordt bevestigd door het feit dat in de mobiele telefoons, van verdachte [medeverdachte 12 ], [medeverdachte 4], [verdachte], [medeverdachte 5] en [medeverdachte 10] de volgende namen en telefoonnummers in de contactenlijsten zijn aangetroffen: [bijnamen] bij het telefoonnummer van [medeverdachte 5] ; [bijnamen] bij het telefoonnummer van [medeverdachte 6 ] ; [bijnaam] , bij het telefoonnummer van [medeverdachte 6 ] ; [bijnamen] bij het telefoonnummer van [verdachte] ; [bijnaam] bij het telefoonnummer van [verdachte] ; [bijnamen] bij het telefoonnummer van [medeverdachte 13] ; [bijnamen] bij het telefoonnummer van [medeverdachte 10] ; [bijnaam] bij het telefoonnummer van [medeverdachte 10] ; [bijnamen] bij het telefoonnummer van [medeverdachte 1 ] ; [bijnamen] bij het telefoonnummer van [medeverdachte 11] ; [bijnaam] bij het telefoonnumer van [medeverdachte 12 ] ; [bijnaam] bij het telefoonnummer van [medeverdachte 3] ; [bijnamen] bij het telefoonnummer van [medeverdachte 3] . Uit meerdere OVC gesprekken, tapgesprekken en het aantreffen van een telefoon met nummer [telefoonnummer] is voorts gebleken dat de verdachte [medeverdachte 2 ] de bijnaam [bijnaam] heeft. Ook wordt [medeverdachte 2 ] [bijnaam] genoemd. De rechtbank ziet de gebruikte bijnamen voorts bevestigd in een Twitterbericht afgekomstig van het [twitteraccount] , dat toebehoort aan de broer van verdachte [medeverdachte 6 ] , kort na de aanhouding van de verdachten met onder meer de volgende tekst: “Free [bijnaam] , Free [bijnaam] s, Free [bijnaam] , Free [bijnaam] , Free [bijnaam] , Free [bijnaam] , Free [bijnaam] , Free [bijnaam] ” waarbij foto’s van verdachten zijn gevoegd. Gelet op het vorenstaande gaat de rechtbank er dan ook vanuit dat waar in de bewijsmiddelen in deze zaak bijnamen voorkomen, deze naar voornoemde verdachten zijn terug te leiden. IV. Benaming breekwerktuigen en overige benamingen en/of straattaal Naar aanleiding van het beluisteren van opgenomen telecommunicatie van de verdachten [medeverdachte 7] , [medeverdachte 6 ] , [medeverdachte 5] , [verdachte] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1 ] is gebleken, dat door hen bepaalde ‘eigen’ benamingen worden gebruikt voor gereedschappen, die worden gebruikt en nodig zijn bij de woninginbraken. De benamingen, die worden gebruikt, zijn als volgt: Fiets, Cillie en Past/Pastie = slotentrekker (ook wel kerntrekker genoemd) Voet/Voetje = koevoet/breekijzer Slang = koevoet/breekijzer Skandie/Skandia = Skandia (merk) schroevendraaier Blauwe scoebies = blauwe trekschroeven (speciale schroeven voor het verwijderen van cilindersloten) Passe-partout = universele bouwsleutel Door [medeverdachte 5] wordt in een OVC-gesprek op 1 december 2013 om 20.48.00 uur (Wt), gesprek nr. 6287, bevestigd hoe een passe-partout/bouwsleutel van pas komt bij het trekken van een cilinder: [medeverdachte 5] : Trekt ie die, trekt ie die deur open? NN man 2: Hij trekt die slot, waar jij zegt waar je zo moet draaien, dat trekt hij eruit maar, je weet toch? Is zonder geluid, zonder moeite. Hij, zeg maar, hij, je zet zegt maar die spijker erin? [medeverdachte 5] : Ja. NN man 2: Draai over boortje. Stukje erin,? Dan, zit die witte ding? [medeverdachte 5] : Ja NN man 2: Eneh, zet je die witte ding op die, op die spijker zeg maar. Om grip te pakken om hem zeg maar d ‘r uit te trekken. [medeverdachte 5] : Ja ja. NN man 2: Dan draai je die handel naar beneden? [medeverdachte 5] : Ja NN man 2: Die ding komt eruit, dan heb je zo ‘n speciale sleutel, je duwt hem d‘r in [medeverdachte 5] : Ja pastoe, ja klopt! Heb ik ook, ja klopt man! Bij het beluisteren van verdere opgenomen telecommunicatie blijkt dat de verdachten voorts gebruik maken van verschillende heimelijke termen en/of straattaal, waaraan volgens de politie de volgende betekenis kan worden toegedicht. De term ‘osso’ betekent huis, en ‘doezoe’ duizend. Voorts valt uit de gesprekken op te maken dat ‘kloezoe’ kluis is, ‘gotoe’ goud en ‘Ibahesh’ politie. ‘Jagen’ betekent voorverkennen en ‘eten’ inbreken, terwijl ‘saus’ niets of weinig buit of op de uitkijk staan betekent en ‘derba’ inbraak. Ten slotte wordt met ’83’, en “Touran” het onopvallende politievoertuig met [kenteken] bedoeld. Gelet op de frequentie waarmee de woorden worden gebruikt in een bepaalde samenhang, de klank van de woorden die veelal lijkt op hun normale betekenis en het ontbreken van een aannemelijke andere betekenis aangedragen door verdachten, ziet de rechtbank geen grond te twijfelen aan voornoemde toegedichte betekenis. V. Betrouwbaarheid stemherkenning Voordat de rechtbank toekomt aan het bewijs per zaak, merkt zij het volgende op. Aan verdachten wordt betrokkenheid bij een groot aantal strafbare feiten verweten waarvan de verdenking mede steunt op getapte en/of OVC-gesprekken waarin politieambtenaren de stemmen van verdachten hebben herkend. De verdediging heeft de bruikbaarheid van de stemherkenningen voor het bewijs bestreden. Volgens de verdediging is het materiaal van een te slechte kwaliteit om stemmen te kunnen herkennen, worden de stemherkenningen niet onderschreven door een NFI-onderzoek, welk onderzoek overigens niet heeft kunnen plaatsvinden vanwege de slechte kwaliteit van het materiaal. Daarnaast is het beeld van de verbalisanten te verkokerd geweest, doordat zij van meet af aan verdachten reeds als daders van woninginbraken hadden aangemerkt. In de eerste plaats valt noch uit de wet, noch uit de jurisprudentie af te leiden dat (resultaten) van stemherkenningen door politieambtenaren in algemene zin niet voor het bewijs zouden mogen worden gebruikt. Evenmin bestaat er een algemene rechtsregel waaruit blijkt dat een stemherkenning uitsluitend door een deskundige van het NFI kan plaatsvinden. Voor een categorische uitsluiting van stemherkenningen van het bewijs, voor zover de raadslieden dit hebben willen betogen, bestaat dan ook geen aanleiding. Anders dan de raadslieden betogen, volgt uit de brief van het NFI van 5 maart 2015 niet dat de kwaliteit van het OVC- en tapmateriaal onvoldoende was om de daarop te horen stemmen te kunnen herkennen. Het NFI heeft uitsluitend meegedeeld dat uit het aangeleverde vergelijkingsmateriaal slechts voor twee personen ( [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] ) voldoende geluidsmateriaal van bruikbare kwaliteit overbleef ten behoeve van een stemherkenningsonderzoek door automatische sprekersvergelijkingssoftware (ASV). Echter bleek dat het ASV niet goed onderscheid kon maken tussen deze twee stemmen. Voorts merkt het NFI op dat er een groot verschil is tussen het vergelijken/onderscheiden van onbekende sprekers en het herkennen van bekende sprekers en dat is aan te nemen dat een verbalisant vaak dusdanig intensief naar bepaalde personen luistert, dat hij/zij ze na verloop van tijd gaat herkennen als persoonlijk bekende. Dit kan zeer betrouwbare resultaten opleveren, maar is evenmin onfeilbaar. Aandacht verdient dat de stemmen van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] sterk op elkaar lijken en dat verwarringen goed mogelijk zijn. De rechtbank heeft in beginsel geen reden te twijfelen aan de juistheid van de herkenningen van de [verbalisanten] die de processen-verbaal waarin die herkenningen worden gerelateerd op ambtsbelofte hebben opgemaakt. Hierbij acht de rechtbank het van belang dat de betrokken verbalisanten gedurende een periode van enkele weken tot maanden vele uren telefoon- en OVC-gesprekken van verdachten hebben uitgeluisterd. [verbalisant ] vermeldt dat zij in de periode van 1 oktober 2013 tot 18 januari 2014 gemiddeld iedere werkdag tapgesprekken beluisterde en [verbalisant ] meldt dat hij zich gedurende een periode van weken tot maanden heeft bezighouden met het uitluisteren en verwerken van telefoontaps en OVC-gesprekken. Een verbalisant die langere tijd betrokken is bij een onderzoek zal in toenemende mate in staat zijn stemmen te herkennen. Zij zijn immers gedurende een langere periode intensief doende met het uitluisteren van de vele gesprekken die in het kader van het onderzoek zijn opgenomen. Daarom mag worden aangenomen dat een verbalisant, die op een dergelijke wijze bij een onderzoek betrokken is, vertrouwd raakt met de stemmen en beter in staat is de eigenaardigheden daarvan te herkennen. De rechtbank ziet dit bevestigd in de opmerking van het NFI in zijn brief van 5 maart 2015 dat aan te nemen is dat een verbalisant vaak dusdanig intensief naar bepaalde personen luistert, dat hij/zij ze na verloop van tijd gaat herkennen als een persoonlijk bekende. Daarnaast geldt dat de [verbalisanten] in de periode van februari 2013 tot en met januari 2014 bijzonder veel contact hebben gehad met verdachten, getuige mede de mutaties die op verzoek van de verdediging aan het dossier zijn toegevoegd. Zij hebben verdachten bovendien vaak in persoon gesproken. Voorts hebben de verbalisanten de herkenning van de stemmen van de verdachten onder meer gedaan aan de hand van de manier van praten, waarbij klank, intonatie en taalgebruik een rol spelen. In de omstandigheid dat de verbalisanten op basis van de inmiddels opgedane ervaring een eerdere stemherkenning later hebben gewijzigd, ziet de rechtbank geen grond om alsnog aan de stemherkenningen te twijfelen, maar veeleer een teken van zorgvuldigheid. De stelling dat de verbalisanten bij de herkenning van de stemmen een te verkokerd beeld hebben gehad, ontbeert eveneens een deugdelijke grond. Bovendien worden de stemherkenningen bevestigd doordat in de beluisterde OVC-gesprekken en tapgesprekken veelvuldig de (bij)namen van verdachten worden genoemd, doordat verdachten over specifieke hen betreffende zaken spreken, doordat verdachten wiens stemmen zijn herkend de betreffende dag ook als inzittenden van de auto zijn gezien, doordat de stem gekoppeld kan worden aan een bij de verdachte in gebruik zijnde mobiele telefoonaansluiting, en doordat de auto waarin is afgeluisterd door een beperkte groep personen wordt gebruikt. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de stemherkenningen van de betrokken verbalisanten betrouwbaar geacht kunnen worden. Dit geldt temeer nu de verdediging naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten naar voren heeft gebracht die zouden kunnen leiden tot de aanname dat de betrokken verbalisanten zich hebben vergist. Verdachten hebben over de gesprekken immers niets willen verklaren. Wel is bij de waardering van de bewijskracht van de stemherkenningen behoedzaamheid op zijn plaats. Het resultaat van een stemherkenning moet worden bekeken in het licht van de aard en omvang van het overige bewijs voor of tegen de verdachte en de bewijswaarde in een concreet geval hangt af van de omstandigheden, waaronder die herkenning tot stand is gekomen. De rechtbank zal dit in het hiernavolgende steeds per feit bezien. VI. Belastende omstandigheden die om een verklaring vragen De verdachten hebben zich allen op hun zwijgrecht beroepen. De omstandigheid dat verdachten weigeren een verklaring af te leggen op een bepaalde vraag te beantwoorden kan op zichzelf niet tot het bewijs bijdragen. Wel kan de rechtbank, indien een verdachte voor een omstandigheid die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd redengevend moet worden geacht voor het bewijs van de ten laste gelegde feiten, geen redelijke, ontzenuwende verklaring heeft gegeven, zulks in haar overwegingen omtrent het gebezigde bewijsmateriaal betrekken. De rechtbank is van oordeel dat de hierna te toemen bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang en verband bezien, zeer belastend zijn voor de verdachten. Onder meer de aanwezigheid van bij inbraken weggenomen goederen in de woningen van een aantal van de verdachten, het aangetroffen geld, bloed- en vingersporen, alsook de telefoon- en OVC-gesprekken die specifieke daderkennis bevatten, schreeuwen om een verklaring. De rechtbank overweegt in dit verband dat ook van de verdachten mag worden verlangd dat zij een verklaring geven voor dit belastende bewijs, wat zij evenwel niet hebben gedaan. Door het volledig uitblijven van enige aannemelijke verklaring van de kant van de verdachten die de rechtbank aanleiding zou kunnen geven om aan de betrokkenheid van de verdachten bij de ten laste gelegde feiten te twijfelen wordt de rechtbank gesterkt in haar overtuiging van hun betrokkenheid bij een aantal tenlastegelegde (pogingen) tot woninginbraak. Bij de bespreking van de feiten zal dit worden aangegeven. VII. Medeplegen De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat waar in de verschillende zaken niet kan worden bewezen dat een verdachte daadwerkelijk aanwezig is geweest bij de (gepoogde) feitelijke inbraak, dan wel slechts sprake is geweest van een ondersteunende rol zoals het op de uitkijk staan, niet bewezenverklaard kan worden dat hij de inbraak heeft (mede)gepleegd, zodat hij van die zaak moet worden vrijgesproken. Eventueel zou gesproken kunnen worden van medeplichtigheid, maar dat is niet ten laste gelegd. Het OM heeft zich op het standpunt gesteld dat nu de verdachten deel uitmaken van een criminele organisatie die als doel heeft het plegen van woninginbraken, ook zij, die bij een concrete inbraak slechts een ondersteunende rol hebben vervuld, als medeplegers kunnen worden aangemerkt. De rechtbank stelt voorop dat voor de beantwoording van de vraag of medeplegen bewezen kan worden, voor iedere verdachte bij iedere concreet ten laste gelegde zaak zal moeten worden beoordeeld of sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de plegers gericht op het strafbare feit, waarbij ingevolge vaste jurisprudentie niet in ieder geval sprake hoeft te zijn van een gezamenlijke uitvoering. Indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, het besturen van de (vlucht)auto), kan afhankelijk van factoren als de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict, de verdeling van de buit, nog immer sprake zijn van medeplegen. In de onderhavige zaak kent de rechtbank in dit kader veel gewicht toe aan het feit dat - zoals verderop in het vonnis zal worden uiteengezet - de verschillende verdachten de inbraken hebben gepleegd als lid van een criminele organisatie die tot doel heeft het plegen van (woning)inbraken. De planmatige werkwijze, zoals deze uit de bewijsmiddelen blijkt, getuigt van een hechte en intensieve samenwerking van de dadergroep, waarbij door de leden – in wisselende samenstellingen – veelal volgens een vast patroon werd gehandeld. Tot de taken van het criminele samenwerkingsverband behoorden – naast breken en naar binnen gaan – ook het geven van tips, het plannen van de inbraak, het “voorverkennen”, het regelen van de noodzakelijke inbrekerswerktuigen, het op de uitkijk staan, het besturen van de (vlucht)auto en het in de gaten houden van de politie. Met deze feitelijke werkzaamheden leverde de betreffende verdachte, als lid van de criminele organisatie, een substantiële bijdrage aan gedragingen die rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking (en het welslagen) van het concrete misdrijf. De rollen die elk van de verdachten heeft vervuld, zijn onderling inwisselbaar geweest. Er is in dit opzicht dus ook sprake van een zekere gelijkwaardigheid tussen de verdachten. Daar komt bij dat wanneer de verdachte ten behoeve van een beoogde inbraak in het bijzonder één (of meer) van de hierboven genoemde taken op zich nam hij bij een geslaagde inbraak deelde in de bemachtigde buit. Hoewel de deelname aan een criminele organisatie niet zonder meer met zich brengt dat iedere deelnemer aan die organisatie in strafrechtelijke zin verantwoordelijk kan worden gehouden voor elk afzonderlijk door die organisatie gepleegd misdrijf leiden de hiervoor vermelde omstandigheden ertoe dat van een nauwe en bewuste samenwerking bij het plegen van de concrete (poging tot) woninginbraak sprake is in die gevallen dat de verdachte daadwerkelijk betrokken is geweest bij een concrete inbraak door één van voornoemde taken te vervullen. In die gevallen zal de verdachte dan ook worden aangemerkt als medepleger. 4.2 Bewijsoverwegingen ten aanzien van de zaken 2.2 tot en met 2.47 en vernieling van de auto’s Zaak 2.2 Erasmusweg 2012 te Wateringen Op 26 maart 2011 tussen 16.45 uur en 21.30 uur is ingebroken in de woning aan de Erasmusweg 2012 te Wateringen. [aangever] heeft verklaard dat hij om 16.45 uur de woning heeft verlaten. Hierbij heeft hij op de eerste verdieping een raampje op de tochtstand opengelaten en het alarm aangezet. De sensoren van het alarm bevinden zich op de begane grond. Om 21.30 uur kreeg hij via zijn telefoon een melding van het alarmsysteem. Toen hij thuiskwam zag hij dat het glas van het opengelaten raampje op de eerste verdieping gebroken was, alsook het glazen dak van de uitbouw. Ook was het boompje van het raam los. De kamers op de eerste etage waren doorzocht. In de tuin zag aangever een breekijzer en schroevendraaier liggen op de grond. Bij deze inbraak zijn geen goederen weggenomen. De woning betreft een vrijstaand huis, gelegen naast een HTM busremise en een tomatenkwekerij. Op 12 december 2013 tussen 18.29 uur en 18.35 uur heeft een gesprek plaatsgevonden in de Opel Astra met [kenteken] . De Opel Astra reed op dat moment van de Riddersdreef via Lozerlaan richting Kwintsheul/Honselersdijk. Vanaf het verkeerslicht op de kruising Lozerlaan en Erasmusweg is vrij zicht op de locatie van het pand [adres] . Verbalisanten hebben de deelnemers aan dit gesprek aan hun stemmen herkend als zijnde [medeverdachte 3] , [medeverdachte 10] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 1 ] en [verdachte] . De stemherkenning van [verdachte] wordt ondersteund doordat zijn [bijnaam] wordt genoemd en hij hierop reageert. [verdachte] zegt dat zij daar binnen zijn geweest en dat zij boven zaten en dat het alarm afging toen zij naar beneden gingen. Op basis van de verwijzingen in dit gesprek door [medeverdachte 1 ] en [verdachte] naar de tomaten, de HTM, het alarm dat pas afging toen zij van boven naar beneden gingen en de locatie van het voertuig ten tijde van het gesprek, in samenhang gezien met de gegevens uit de aangifte acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] degene is geweest die daar, tezamen met een ander of anderen heeft ingebroken, zonder goederen te hebben weggenomen. Zaak 2.3 [adres] te Rijswijk Tussen 2 maart 2012 uur en 8 maart 2012 is ingebroken in de woning aan de [adres] te Rijswijk. Het betreft een galerijflat op 10 hoog. [aangever] heeft verklaard dat de daders zijn binnengekomen via het bovenlicht in de keuken. Dit was volledig afgesloten met een raambeugel. Op 8 maart 2012 ontdekte de buurvrouw dat het keukenraam en het bovenlicht aan de galerijzijde openstonden. De raambeugel bleek beschadigd. De in de dagvaarding genoemde goederen zijn weggenomen. Ook is met de reservesleutels die in de woning lagen de brommobiel ( [kenteken] ) van [naam] , zoon van [aangever] , weggenomen. Op 31 maart 2012 zag [naam] zijn weggenomen brommobiel door de [adres] in Honselersdijk rijden. Met zijn neef in diens auto hebben ze brommobiel achtervolgd. Zij hebben de brommobiel vervolgens klem gereden en hebben gezien dat er 4 jongens uitstapten en wegrenden. Twee omschrijft hij als vermoedelijk Marokkaans en de andere twee waren iets donkerder. Op 16 december 2013 tussen 06.45 uur en 06.50 uur heeft een gesprek plaatsgevonden in de Opel Astra met kenteken [kenteken] . [verbalisanten] herkennen onder andere de stem van [medeverdachte 5] . Deze herkenning wordt ondersteund door het gegeven dat degene waarvan de stem wordt herkend als van [medeverdachte 5] praat over “mijn broertje” en hem even later “ [bijnaam] ” noemt. [medeverdachte 5] praat over een woninginbraak in Rijswijk op 10 hoog waarbij ze naar binnen zijn gegaan via een klein keukenraam, waarbij de haak meteen was gebroken. Hij vertelt dat hij bij deze inbraak onder andere een voertuig had weggenomen. Tevens vertelt hij dat hij met het gestolen voertuig in Honselersdijk reed met [verdachte] , zijn broertje en [bijnaam] . Hij vertelt ook dat aangever hem daar zag rijden en de achtervolging inzette met een BMW 5 en dat ze zijn uitgestapt en weggerend. Op basis van de zeer specifieke inhoud van dit gesprek, gezien in samenhang met de verklaringen van [aangever] en zoon van [aangever] , acht de rechtbank bewezen dat [medeverdachte 5] een van degenen is geweest die heeft ingebroken in de woning aan de [adres] in Rijswijk en dat hij daarbij tevens de brommobiel heeft meegenomen. Gelet op de inhoud van voornoemd gesprek, alsook op de omschrijving van de 4 daders, waarbij naast 2 Marokkaans uitziende jongens ook specifiek over 2 donkerdere jongens werd gesproken, aan welk signalement de groep zoals door [medeverdachte 5] genoemd in het gesprek voldoet, acht de rechtbank tevens wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1 ] met [medeverdachte 5] in de gestolen brommobiel zaten op 31 maart 2013. Nu evenwel [medeverdachte 5] degene was die de brommobiel had gestolen en tevens die dag in de brommobiel reed, kan niet worden vastgesteld dat een van de andere betrokkenen op enig moment de brommobiel voorhanden heeft gehad. Derhalve zal de rechtbank hen vrijspreken van de tenlastegelegde heling. Zaak 2.4 [adres] te Honselersdijk Tussen 27 oktober 2012 20.00 uur en 28 oktober 2012 01.30 uur is ingebroken in de woning aan de Burgemeester Elsenweg 5 te Honselersdijk. [aangever] heeft verklaard dat hij en zijn vrouw om 20.00 uur de woning hebben verlaten. Het raam van het toilet stond op een kiertje. Toen zij op 28 oktober 2012 om 01.30 uur thuis kwamen stond de achterdeur open en was het hendeltje van het raampje van het toilet kapot. Hun paspoorten, een horloge en sieraden zijn weggenomen. Aan de binnenzijde van de onderdorpel van het toiletraampje is op 28 oktober 2012 een bloedspoor aangetroffen. Het hierin aangetroffen DNA matcht met het DNA van [medeverdachte 3] . Bij de afwezigheid van enige (plausibele) alternatieve verklaring voor het aantreffen van dit bloedspoor acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte 3] deze inbraak heeft gepleegd. Zaak 2.5 [adres] in Den Haag Op 1 november 2012 is ingebroken in de woning aan de Bouwlustlaan 47 in Den Haag. Hierbij zijn sieraden, waaronder een ketting, ringen (onder andere een dubbele ring met groene steen), een computer, een fotocamera, horloges, een spelcomputer, een tablet, geld, paspoorten, een ID kaart en een riem weggenomen. [aangever] heeft verklaard dat het pennetje dat normaal in het boorgat ter hoogte van de hendel van het dagslot zat was verwijderd. Via het boorgat is kennelijk het slot van het dagslot gekregen. Tijdens de huiszoekingen op 14 januari 2014 is in de woning van [verdachte] in een kast in de ouderslaapkamer een ring in een doosje aangetroffen, die door aangeefster aan specifieke kenmerken is herkend. Deze kenmerken, zoals de bovenkant van het doosje, waren niet zichtbaar op de gepubliceerde foto’s van de sieraden. De ring paste haar precies om de vinger waarvan zij had aangegeven dat ze deze ring droeg. In de woning van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] is een ketting aangetroffen en in de woning van [medeverdachte 10] zijn twee ringen gevonden. Aangeefster heeft ook deze sieraden herkend. Aangeefster wist dat de ketting bij het slotje kapot was, hetgeen niet zichtbaar was op de foto. Ten aanzien van de twee ringen overweegt de rechtbank dat zij reeds in haar aangifte heeft aangegeven dat er een dubbele ring was weggenomen. Daar komt bij dat zij deze ringen later als setje niet alleen gedetailleerd beschrijft, maar ook dat de ringen haar precies passen om haar middelvinger, waarvan zij had verklaard dat zij de ringen altijd droeg. Voorts verklaart aangeefster dat de ringen verlovingsringen worden genoemd. Aangeefster werd emotioneel bij het omdoen van de ringen, net als bij de andere herkende sieraden. Naar het oordeel van de rechtbank staat daarmee voldoende vast dat al deze sieraden zijn weggenomen bij voornoemde woninginbraak. De verklaring van de moeder van [medeverdachte 10] dat de in hun woning aangetroffen ringen van haar zijn, biedt de rechtbank, gezien het voorgaande, onvoldoende grond om eraan te twijfelen dat deze ringen van aangeefster zijn. Nu [medeverdachte 10] en [verdachte] geen (aannemelijke) alternatieve verklaring hebben gegeven over het verkrijgen van de sieraden, alsook dat het dossier geen enkele indicatie bevat dat degenen die niet direct deelnamen aan een inbraak deelden in de buit, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte 10] en [verdachte] de inbraak in vereniging hebben gepleegd. Zaak 2.6 [adres] te ‘s Gravenzande Zaak 2.7 [adres] te ‘s Gravenzande Zaak 2.8 [adres] te ‘s Gravenzande Op 8 december 2012 is ingebroken in de woning aan de [adres] te ‘s Gravenzande. [aangever] heeft verklaard dat tijdens de inbraak in het huis van zijn ouders, [namen] , een kluis in de kast in de slaapkamer van zijn ouders op de begane grond was losgetrokken van de muur en weg was. Er zaten moddersporen op de trap naar boven en uit zijn slaapkamer boven was eveneens een kluis weggenomen, die op een plank boven zijn computer stond. Verder was weggenomen een grote hoeveelheid contant geld, onder andere van het bedrijf van zijn vader, de bankpas van het bedrijf, sieraden, horloges, paspoorten, een rijbewijs, documenten van de zaak en van de woning, 2 laptops en kleding. In de tuin zijn een wit geldkistje, de 2 laptops, een houten kistje, een sleutelbos en een horloge teruggevonden. In de tuin was tevens een deuk in de grond, veroorzaakt door een zwaar, vierkant voorwerp, te zien. Ook was een wasmand meegenomen, die is teruggevonden achter een electriciteitskast tegenover de woning. Op 10 december 2013 tussen 19:12 uur en 19:22 uur heeft een gesprek plaatsgevonden in de Opel Astra met kenteken 8-KPD-10. De Opel Astra reed op dat moment op de Maasdijk te ‘s Gravenzande. [verbalisanten] hebben de deelnemers aan dit gesprek aan hun stemmen herkend waaronder [verdachte] , [medeverdachte 6 ] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] . De stemherkenning wordt ondersteund door het feit dat in ieder geval [verdachte] , [medeverdachte 6 ] en [medeverdachte 3] worden aangesproken met hun (bij)naam. [verdachte] , [medeverdachte 6 ] en [medeverdachte 3] vertellen [medeverdachte 5] over een inbraak, waarbij veel geld is buitgemaakt en waarbij zij zeer specifieke omstandigheden noemen die overeenkomen met de informatie in de aangifte van [aangever] , als ook na te noemen aangiften van [aangever] . Zo vertelt [verdachte] over het geldkistje in de kamer van de zoon, dat [medeverdachte 6 ] de wasmand pakt en de spullen erin zet, over het losmaken van de zware kluis, de witte electriciteitskast en dat het geldkistje is weggegooid en dat hij met [medeverdachte 6 ] de kluis over het hek kreeg. [medeverdachte 6 ] zegt dat ze eerst nog niet de kluis en het goud hadden, alleen nog maar een paar laptops en wat horloges. [medeverdachte 3] en [verdachte] vertellen dat [medeverdachte 3] de scandies heeft opgeruimd en de rest bij de electriciteitskast gooide.. Vervolgens vertelt [medeverdachte 6 ] dat zij daarvoor nog twee hadden gepakt, waarna [medeverdachte 3] spreekt over paarden. [verdachte] bevestigt dat daarvoor nog twee huizen waren gepakt. [medeverdachte 3] zegt dat dat in dezelfde rij was. Waarna [verdachte] zegt dat ze bij die eerste twee niets hadden gevonden. De rechtbank overweegt dat zich in het dossier ook twee aangiften bevinden van pogingen tot inbraak op 8 december 2012 in de woningen aan de [adres] en [adres] te ‘s Gravenzande. [aangever] die eigenaar is van beide woningen heeft verklaard dat de dader de woning op [adres] is binnengekomen via een met een dievenklauw afgesloten raam, door gebruik te maken van een breekvoorwerk. Bij deze woning op [adres] heeft de politie geconstateerd dat een raam van een kamer was verbroken en dat er met een schroevendraaier ongeveer 18 keer was gestoken. Bij de woning op [adres] is op een vergelijkbare manier naar binnen gegaan. Ook hier heeft aangever verklaard over braakschade aan het raamkozijn van een raam en het bovenlicht aan de achterkant. De politie heeft geconstateerd dat het uitzetijzer bij het raam was verbroken. [aangever] heeft tevens verklaard dat hij eigenaar is van paarden die in de omgeving van zijn woning zijn ondergebracht. [adres] en [adres] liggen aan dezelfde kant van de straat als de [adres] . Gelet op de zeer specifieke daderinformatie die aan [medeverdachte 5] wordt verteld door de overige deelnemers aan het gesprek, de overeenkomende specifieke informatie uit de aangifte van vooral [aangever] , het feit dat het drie inbraken op één dag betrof, de geografische ligging van de woningen aan een zijde van de straat, gecombineerd met de locatiegegevens van het baken, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] , [medeverdachte 6 ] en [medeverdachte 3] deze (pogingen tot) inbraken tezamen en in vereniging hebben gepleegd. Ten aanzien van de aan [medeverdachte 12 ] tenlastegelegde heling overweegt de rechtbank dat uit het tapgesprek weliswaar kan worden opgemaakt dat hij een paar uur na de inbraken [verdachte] naar de Maasdijk heeft gereden die daar kennelijk iets had achtergelaten wat hij wilde ophalen, maar dit op zichzelf is onvoldoende voor het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat [medeverdachte 12 ] zich heeft schuldig gemaakt aan heling. Hij dient hiervan te worden vrijgesproken. Zaak 2.9 [adres] te Honselersdijk Zaak 2.10 [adres] te Honselersdijk Op 25 december 2012 is ingebroken in de woning aan de [adres] te Honselersdijk. [aangever] heeft verklaard dat hij werd gebeld door zijn zoon [naam] , eigenaar van de betreffende woning, die hem vertelde dat hij een telefonische melding had gekregen dat het alarm was afgegaan. Hij is toen naar de woning van zijn zoon gegaan en zag dat er was ingebroken. De tuindeuren waren beschadigd, het slot van de achterdeur was verbroken en bij de achterdeur en de voordeur was het alarmsysteem van de muur geslagen. Ook was een binnendeur naar de keuken verbroken en was er geprobeerd de deur naar het kantoor te forceren. De beschadigingen aan de tuideuren, achterdeur, alarmsysteem, tussendeur naar de keuken en de kantoordeur zijn door de politie waargenomen. Ook zijn door [naam] foto’s van de beschadigingen overgelegd. De schoondochter van aangever, [naam] , heeft op 4 januari 2013 verklaard dat een witte envelop met € 500 is weggenomen en een aantal sieraden. Ook is een aantal horloges weggenomen, waaronder een horloge met aan de ene zijde een digitaal uurwerk en aan de andere zijde een analoog uurwerk. Tijdens de doorzoeking van de woning van [verdachte] op 14 januari 2014 is een horloge van het merk Monaco Tag Heuer aantroffen in een nachtkastje in de ouderslaapkamer. Het horloge is door [naam] herkend als zijnde het keerbare horloge zonder dat voornoemde specifieke kenmerken zichtbaar waren op de foto. Op dezelfde dag, 25 december 2012, is tevens ingebroken in de woning aan de [adres] te Honselersdijk. [aangever] heeft verklaard dat het raam van de slaapkamer van de buitenzijde was verbroken. In het dossier bevinden zich foto’s van het beschadigde raamkozijn De politie heeft het verbroken raam gezien. Aangever heeft verklaard dat er een diverse goederen missen, maar heeft niet gespecificeerd welke. Een aanvullende aangifte ontbreekt in het dossier. Op 12 december 2013 omstreeks 15.38 uur heeft een gesprek plaatsgevonden in de Opel Astra met [kenteken] . [verbalisant ] heeft de stem van onder andere [medeverdachte 1 ] herkend. Deze stemherkenning wordt bevestigd doordat de naam van [medeverdachte 1 ] een aantal malen worden genoemd. [medeverdachte 1 ] vertelt aan [medeverdachte 5] dat hij vorig jaar kerstvakantie met [medeverdachte 11] en [verdachte] twee stuks heeft gepakt. [medeverdachte 11] zou bij de eerste 15 meier hebben gepakt, waarna zij die andere hebben gepakt. Tijdens dit gesprek noemt [medeverdachte 1 ] zeer specifieke informatie over de tweede inbraak van die dag, zoals het openbreken van de achterdeur, waarvan [verdachte] had geprobeerd de cillinder te verwijderen, het proberen open te breken van de achterdeuren en het vervolgens intrappen van de tussendeur en het kapotslaan van het alarm. Gelet op deze specifieke informatie, die overeenkomt met de door [aangever] in zijn aangifte genoemde schade, het gegeven dat er in de kerstvakantie 2012 niet elders 2 inbraken zijn gepleegd in dezelfde straat, gelet op het feit dat [medeverdachte 1 ] naast zichzelf [verdachte] en [medeverdachte 11] noemt en zegt dat ze met zijn drieën de deur hebben ingetrapt, het gegeven dat het bij de tweede inbraak weggenomen horloge is aangetroffen in de woning van [verdachte] , en de verdachten geen van allen een verklaring hebben willen afleggen – terwijl het voorgaande hier wel om vraagt –, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte 1 ] , [verdachte] en [medeverdachte 11] tezamen en in vereniging deze inbraken hebben gepleegd. Zaak 2.11 [adres] te Honselersdijk Op 27 december 2012 is ingebroken in de woning aan de [adres] te Honselersdijk. [aangever] , zus van de bewoner [naam] , heeft verklaard dat er via de achterzijde was ingebroken. De politie heeft geconstateerd dat in de keuken een open kluis op de grond lag, waarvan de deur was verbroken. In het raamkozijn van de keuken lag een plastic object dat op een vuurwapen leek met de loper naar de achtertuin gericht. Op het aanrecht stond een met water gevuld glas met een I-phone erin. Op de bank in de woonkamer lag een lege wijnfles in een natte plek op de bank. De kerstboom was in zijn geheel uit de pot gehaald en lag op de grond. Daarnaast is door de politie geconstateerd dat er meerdere planten uit hun pot waren getrokken en door de woonkamer waren gegooid. Een speelgoedgeweer werd vanaf de eerste etage naar de woonkamer verplaatst en in de slaapkamer van de jongste zoon werd een zak met condooms over het bed uitgespreid en een foto op het nachtkastje werd plat neergelegd, met de foto naar beneden gericht. Diverse lades en kasten waren doorzocht. In het houtwerk van een draairaam van de ouderslaapkamer op de eerste verdieping heeft de politie indruksporen aangetroffen van een schroevendraaier. [aangever] heeft aangegeven dat €600 en $100 uit de kluis is weggenomen, daarnaast een zwart sieradendoosje met diverse damessieraden, diverse herensieraden, een gouden Antilliaanse munt en een zilveren schakelarmband uit de kinderkamer. Op 5 december 2013 omstreeks 19.58 uur heeft een gesprek plaatsgevonden in de Opel Astra met [kenteken] . Blijkens de bakengegevens reed het voertuig op het moment van het gesprek op de Zwethlaan in Honselersdijk. [verbalisant ] heeft de stem van onder andere [verdachte] herkend. [verdachte] wordt tevens bij zijn bijnaam aangesproken en reageert hierop. Tijdens dit gesprek zegt [verdachte] dat als je doorrijdt je bij het huis komt waar “we kerstboom om hadden gegooid”. Op basis van deze specifieke daderinformatie, terwijl [verdachte] tevens spreekt over meerdere personen, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] tezamen en in vereniging met in ieder geval een ander de inbraak heeft gepleegd. Zaak 2.12 H. [adres] te Den Haag Op 19 januari 2013 heeft [aangever] aangifte gedaan van een poging inbraak in zijn woning aan het [adres] in Den Haag. Hij heeft verklaard dat toen hij thuis kwam het cilinderslot uit zijn achterdeur was verwijderd. Hij had evenwel de twee extra sloten op de achterdeur ook op slot gedraaid toen hij wegging. Ook is er met een breekvoorwerp tussen de achterdeur gestoken, waardoor er diverse moeten zichtbaar zijn in het hout. Aangever heeft tevens verklaard dat er een voetspoor loopt vanaf zijn achtertuin rechts over de bevroren sloot naar het bruggetje aan de Martinus Nijhoffweg. Op 2 december 2014 omstreeks 19.51 uur heeft een gesprek plaatsgevonden in de Opel Astra met [kenteken] . Blijkens de bakengegevens reed het voertuig op het moment van het gesprek in de wijk Rhijenhof, waar het [adres] in ligt. [verbalisant ] heeft onder andere de stemmen van [verdachte] en [medeverdachte 1 ] herkend als deelnemers aan het gesprek. Ook worden beide namen eerder in het gesprek genoemd. [medeverdachte 1 ] en [verdachte] vertellen tijdens dit gesprek dat zij via de achterkant gingen samen met [bijnaam] hier over het ijs en dat ze de “cillie” hadden verwijderd, maar dat hij in een keer haken had, die je van buiten niet kon zien. Gelet op de verwijzingen door zowel [verdachte] en [medeverdachte 1 ] , naar het verwijderen van het cilinderslot, naar het feit dat het niet lukte in verband met de onverwachte extra beveiliging, maar vooral naar het feit dat zij via het ijs aan de achterkant van de woning de woning hebben bereikt, in samenhang met de overeenkomende informatie in de aangifte, en nu zowel [verdachte] als [medeverdachte 1 ] spreken over de betrokkenheid van [medeverdachte 6 ] en het feit dat geen van hen een verklaring heeft afgelegd, terwijl het opgenomen gesprek daar wel om vraagt, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] . [medeverdachte 6 ] en [medeverdachte 1 ] zich in vereniging schuldig hebben gemaakt aan deze poging inbraak. Zaak 2.13 [adres] te Den Haag Op 27 maart 2013 tussen 17.00 uur en 21.55 uur is geprobeerd in te breken in de woning aan de [adres] te Den Haag. [aangever] heeft verklaard dat toen hij die avond om 21.55 uur thuis kwam via de voordeur hij in de woonkamer zag dat het raam van de schuifpui naar de serre was gebroken en dat de schuifpui was ontzet. De schuifpui van de serre daarachter stond open, en het cilinderslot hiervan was verwijderd. Toen hij achterom liep zag hij dat het tuinhek dat van binnenuit met twee schuifsloten op slot zat toen hij weg ging, nu open stond. [verbalisant ] heeft gezien dat een torx schroef was ingedraaid in het cilinder van de schuifpui van de woonkamer. De schuifpui was beveiligd met een dwarsbalk in de breedte, die niet kon worden opgetild in verband met een pennetje in het midden van het schuifcompartiment. Op 30 november 2013 tussen 17:24 uur en 17:29 uur heeft een gesprek plaatsgevonden in de Opel Astra met [kenteken] . [verbalisanten] hebben de stemmen herkend van onder andere [medeverdachte 5] en [medeverdachte 3] . Tijdens dit gesprek vertelt [medeverdachte 3] over zijn ervaring met een schuifpui die niet openging in verband met een beveiligingsbalk. Het zou gaan om een poging inbraak in een eengezinswoning vlakbij de Albert Heijn op de Betje Wolfstraat. [medeverdachte 3] vertelt dat er Hindoestanen wonen en dat er een Boeddha “ding” voor het huis was. Aan de voorzijde van de woning van aangever [aangever] , die van Hindoestaanse komaf is, hangt een religieuze afbeelding achter het glas en de woning is gelegen achter de Betje Wolfstraat, op ongeveer 150 meter van een Albert Heijn. [medeverdachte 3] vertelt op enig moment dat hij deze samen met [verdachte] en [medeverdachte 2 ] heeft gedaan. Op basis van voornoemde specifieke informatie die [medeverdachte 3] tijdens het gesprek noemt die overeenkomt met de kenmerken van deze poging woninginbraak, het feit dat hij vertelt dat hij deze met [verdachte] en [medeverdachte 2 ] heeft gedaan, het feit dat geen van hen een verklaring heeft afgelegd, terwijl het opgenomen gesprek daar wel om vraagt, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte 3] , [verdachte] en [medeverdachte 2 ] in vereniging deze inbraak hebben gepleegd. Zaak 2.14 en zaak 2.15 H. [adres] te Den Haag Tussen 9 april 2013 en 15 april 2013 is geprobeerd in te breken in de woning aan het [adres] te Den Haag van [aangever] , waarbij het slot van de achterdeur is beschadigd. Tussen 14 november 2012 en 17 november 2012 is eveneens geprobeerd in deze woning in te breken. Op 17 november 2012 heeft [aangever] ontdekt dat een schroef in het slot van zijn garagedeur is gedraaid, die er een week daarvoor niet in heeft gezeten. Op 30 november 2013 heeft een gesprek plaatsgevonden in de Opel Astra, met [kenteken] . Op het moment dat het gesprek plaatsvindt rijdt de Opel Astra in de nabije omgeving van het [adres] te Den Haag. [verbalisant ] heeft onder meer de stemmen van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] herkend. De stemherkenning wordt bevestigd doordat hun namen in het gesprek worden genoemd. [medeverdachte 3] vertelt dat hij spijt heeft van een woning die hij aanwijst. Hij geeft aan dat hij de voorkant en de achterkant heeft geprobeerd, maar dat niets lukte. Hij vertelt dat zij de garagedeur cilinderden maar dat iemand thuis kwam en de schroef er nog in zat. Ook noemt hij de bewoner een Koelie. Op basis van de specifieke informatie die [medeverdachte 3] hier noemt, met name dat zowel de voorkant als de achterkant was geprobeerd, de schroef nog in de garagedeur zat, dat hij spreekt in meervoud, gecombineerd met de aangiften en de locatie waar ze rijden ten tijde van het gesprek acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte 3] deze pogingen inbraak in vereniging heeft gepleegd. Zaak 2.16 [adres] te Den Haag Gelet op hetgeen hiervoor reeds is overwogen omtrent de onrechtmatigheid van de fouillering overweegt de rechtbank dat er onvoldoende wettig bewijs is dat [medeverdachte 6 ] , [medeverdachte 1 ] en [medeverdachte 3] deze inbraak hebben gepleegd, zodat zij hiervan dienen te worden vrijgesproken. Zaak 2.17 [adres] te Den Haag Op 4 mei 2013 is ingebroken in de woning aan de [adres] te Den Haag. Hierbij hebben de daders zich de toegang tot de woning verschaft door de voordeur op te breken. Op het moment dat [aangever] rond 23.00 uur thuis kwam zag hij drie onbekende jongens uit het portiek komen lopen. In de deur waren ongeveer 30 indrukken zichtbaar met een afmeting van 12 mm. De woning is gelegen op drie hoog aan de linkerzijde. Schuin tegenover dit portiek bevindt zich de woning van [naam] . Bij de inbraak is een zilverkleurige make-up koffer met code, sieraden, een horloge, identiteitspapieren en een leeg Samsung Galaxy S+ doosje weggenomen. Aangever reed in die periode in een bus van het merk Mercedes, type Sprinteer met [kenteken] . Op 3 december 2013 om 19.47 uur heeft een gesprek plaatsgevonden in de Opel Astra, met [kenteken] . [verbalisanten] hebben de stemmen van onder andere [medeverdachte 3] , [medeverdachte 5] , en [medeverdachte 10] herkend en alleen [verbalisant ] en later ook [verbalisant ] , ook die van [naam] . De (bij)namen van [naam] en [medeverdachte 3] worden tevens genoemd tijdens het gesprek. Op het moment dat het gesprek plaatsvond om 19.49 stond de Opel Astra stil in [adres] te Den Haag. Tijdens dit gesprek bespreken [naam] en [medeverdachte 3] dat [medeverdachte 3] , deze helemaal boven, drie hoog heeft gepakt, dat “hij” met een busje aankwam en dat hij voor zijn neus het portiek uitliep en dat hij moet hebben opgekeken van de jongens die uit zijn portiek liepen. In [adres] te Den Haag zijn in de periode van 2010 tot 3 december 2013 geen andere inbraken gepleegd die voldoen aan hetgeen [medeverdachte 3] over de inbraak vertelt. Op basis van de specifieke informatie die [medeverdachte 3] hier noemt die overeenkomt met de aangifte, met name de omschrijving van de flat, het busje van aangever en het feit dat aangever hen uit het portiek heeft zien lopen, alsook het gegeven dat [medeverdachte 3] spreekt in meervoud, gecombineerd met de verklaring van aangever, in samenhang met de locatie waar ze stilstaan ten tijde van het gesprek, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte 3] deze inbraak in vereniging met anderen heeft gepleegd. Zaak 2.18 [adres] te Den Haag Tussen 27 juni 2013 om 22.30 uur en 28 juni 2013 om 00.50 uur heeft een inbraak plaatsgevonden in een woning aan [adres] in Den Haag. Hierbij zijn horloges, sieraden, een telefoon, een notebook, kleding, geluidsapparatuur en geld (1500 euro en buitenlands geld) weggenomen. Deze goederen behoren toe aan [aangever] . Men heeft zich de toegang tot de woning verschaft door met een baksteen een raam in te gooien. Een buurman, woonachtig in [adres] , heeft die nacht omstreeks 00:30 uur luid glasgerinkel gehoord. Hij heeft drie jongens met een Turks/Marokkaans uiterlijk zien wegrennen. Bij het sporenonderzoek is aan de binnenzijde van het inklimraam een dactyloscopisch spoor van een vingerafdruk aangetroffen. Door middel van dactyloscopisch onderzoek is er een match gevonden met de vingerafdruk van [medeverdachte 7] . Op 14 januari 2014 is bij de doorzoeking van de woning van [verdachte] een horloge, merk Emporio Armani, aangetroffen en inbeslaggenomen. In de woning van [medeverdachte 10] is een horloge, merk Michael Kors, aangetroffen en inbeslaggenomen. [aangever] heeft de beide horloges herkend als zijn eigendom. Gelet op het resultaat van het sporenonderzoek ten aanzien van [medeverdachte 7] en het feit dat de gestolen horloges bij [verdachte] en [medeverdachte 10] zijn aangetroffen, waarvoor door de verdachten geen (aannemelijke) verklaringen zijn gegeven, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat [medeverdachte 7] , [verdachte] en [medeverdachte 10] zich samen in de voor de nachtrust bestemde tijd schuldig hebben gemaakt aan deze woninginbraak. Zaak 2.19 Navigatiesystemen In de periode van 13 september 2013 tot en met 16 september 2013 zijn er bij [bedrijf] te Den Haag twaalf navigatiesystemen uit personenauto’s weggenomen. Drie van deze gestolen navigatiesystemen zijn aangetroffen in de kelderbox behorende bij de woning van [medeverdachte 5] en [medeverdachte 3] . Uit opgenomen en afgeluisterde telecommunicatie van [medeverdachte 5] van 12, 13, 19 en 24 november 2013 blijkt dat [medeverdachte 5] navigatiesystemen voorhanden heeft die hij probeert te verkopen. Nu [medeverdachte 5] geen (aannemelijke) alternatieve verklaring heeft gegeven over het verkrijgen van de navigatiesystemen, hij reeds binnen een korte periode na de diefstal de navigatiesystemen probeert te verkopen en het dossier geen enkele indicatie bevat dat hij de navigatiesystemen voor iemand anders verkocht, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte 5] zich schuldig heeft gemaakt aan de aan hem primair ten laste gelegde diefstal van meerdere navigatiesystemen. Zaak 2.20 [adres] te Honselersdijk Tussen 21 september 2013 omstreeks 18.00 uur en 22 september 2013 omstreeks 00.30 uur is er ingebroken in de woning aan [adres] te Honselersdijk. De daders hebben zich de toegang tot de woning verschaft door de schuttingdeur te forceren en het cilinderslot van de achterdeur te verwijderen. De hele woning was grondig doorzocht. Er waren spullen verschoven en verplaatst, waaronder ook alle kasten in de slaapkamers. De vloermat bij de voordeur lag tegen de muur. Dit viel op omdat er voor deze mat, in de tegelvloer, een uitsparing was gemaakt waar de mat precies inpast. Onder deze mat bevindt zich het luik naar de kruipruimte. Bij de inbraak zijn de volgende goederen weggenomen: een (spel)computer (Nintendo Wii), sieraden, te weten (gouden) armbanden en ringen, oorbellen en kettingen, een gouden riem en gereedschap. Deze goederen behoren toe aan [aangever] . Tussen 20 en 22 september 2013 vonden er diverse telefoongesprekken plaats met de telefoons van [medeverdachte 7] en [medeverdachte 4] . Verbalisanten hebben de deelnemers aan deze gesprekken aan hun stemmen herkend als zijnde (onder meer) [medeverdachte 7] , [medeverdachte 4] , [verdachte] en [medeverdachte 6 ] . De stemherkenning van [verdachte] en [medeverdachte 6 ] wordt bovendien ondersteund, doordat hun (bij)namen ( [bijnamen] respectievelijk [bijnaam] ) worden genoemd en zij hierop reageren. De stemherkenning van [medeverdachte 4] vindt steun in de omstandigheid dat [verdachte] in een van de gesprekken opmerkt dat de gebelde de dag ervoor toch al met “ [naam] ” heeft gesproken. Uit de gesprekken komt naar voren dat [medeverdachte 4] schroeven bij [naam] heeft geregeld die [verdachte] vervolgens bij [naam] op kan halen. Als [verdachte] contact heeft met [naam] , maakt hij gebruik van de telefoon van [medeverdachte 7] . Vervolgens vindt er om 21:16 uur een gesprek plaats tussen [medeverdachte 7] en [verdachte] . [medeverdachte 7] zegt: “wij zijn bij die ingang Wateringen” en vraagt of zij daarheen moeten komen. [verdachte] sommeert [medeverdachte 7] herhaaldelijk dat hij snel moet komen. Vervolgens wordt omstreeks 21:24 uur door [verdachte] en [medeverdachte 7] een route besproken die gevolgd moet worden vanaf [adres] te Wateringen over [adres] in de richting van de [adres] te Wateringen. Om 00:13 uur is over de tap te horen dat [medeverdachte 7] zegt dat hij een beetje goud ziet, dat de cash te goed verstopt was en dat er helemaal niets in de kruipruimte lag. Er wordt vervolgens door iemand gesproken over kasten die helemaal zijn verschoven. Hierop zegt [medeverdachte 7] : “ [bijnaam] man”. De telefoon van [medeverdachte 7] straalde op 21 september 2013 om 22:50 uur een zendmast aan op [adres] in Honselersdijk. Om 23:59 uur peilde het telefoonnumer van [medeverdachte 7] die avond voor het laatst uit op [adres] . De telefoon van [medeverdachte 6 ] straalde op 21 september 2013 tussen 23:00 uur en 23:45 uur een zendmast aan op [adres] in Honselersdijk. De telefoons van [medeverdachte 7] en [medeverdachte 6 ] bevonden zich rond het tijdstip van de inbraak derhalve in de nabije omgeving van de plaats delict. Uit onderzoek in de politiesystemen is voorts gebleken dat de inbraak in de woning [adres] de enige woninginbraak in Honselersdijk is tussen zaterdag 21 september 2013 en zondag 22 september 2013. De rechtbank komt, gelet op de inhoud van de tapgesprekken die één op één overeenkomen met de gegevens uit de aangifte, de zendmastgegevens van de telefoons van [medeverdachte 7] en [medeverdachte 6 ] , in combinatie met het feit dat op het tijdstip van de woninginbraak geen andere woninginbraak in Honselersdijk is gepleegd, tot het oordeel dat [medeverdachte 7] , [medeverdachte 6 ] , [verdachte] en [medeverdachte 4] de woninginbraak aan [adres] te Honselersdijk gezamenlijk en gedurende voor de nachtrust bestemde tijd hebben gepleegd. Dat [medeverdachte 4] wellicht alleen de schroeven heeft geregeld, maakt dit niet anders, gelet op hetgeen hiervoor reeds is besproken over de rol van het bestaan van de criminele organisatie voor de vraag of sprake is van medeplegen. Anders dan de verdediging ziet de rechtbank geen aanleiding om het proces-verbaal van bevindingen van 2 juni 2014 van [verbalisant ] van bewijs uit te sluiten. Van onregelmatigheden bij het opmaken van het proces-verbaal is de rechtbank niet gebleken. Ook is niet eerst op 2 juni 2014 geconstateerd dat de deurmat was verschoven. Immers, in de aanvraag voor de verlenging van het bevel onderzoek van telecommunicatie ten aanzien van [medeverdachte 7] d.d. 25 september 2013 is reeds vermeld dat de verbalisanten die ter plaatse waren hebben gezien dat de deurmat waarschijnlijk niet lag zoals die hoorde te liggen. Zaak 2.22 [adres] te Den Haag Op 28 september 2013 tussen omstreeks 18:15 uur en omstreeks 21:15 uur vond er een inbraak plaats in de woning aan [adres] te Den Haag. Bij de inbraak zijn een portemonnee (met ondermeer een bankpas en ID), een horloge, een geldbedrag (450 euro), een bril, een telefoon, een laptop en sieraden weggenomen. De goederen behoren geheel of ten dele toe aan [aangever] en/of [aangever] . De daders zijn vermoedelijk met een valse sleutel binnengekomen, aangezien er geen sprake is van braakschade. Op 14 januari 2014 werd in de woning van [medeverdachte 5] en [medeverdachte 3] een portemonnee met daarin een ING bankpas en een ID kaart, beide op naam van [aangever] , alsmede een hanger en een beeldje aangetroffen die aan [aangever] toebehoren. Zendmastgegevens wijzen uit dat de telefoons van [medeverdachte 7] en [medeverdachte 6 ] rond het tijdstip van de inbraak aanstralen in de nabije omgeving van [adres] , ver buiten hun eigen buurt, en dat er diverse telefoongesprekken plaatsvinden met deze telefoons. Verbalisanten hebben de deelnemers aan deze telefoongesprekken aan hun stemmen herkend als zijnde [medeverdachte 10], [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6 ] . De rechtbank vindt bevestiging van deze stemherkenningen in het feit dat de bijnamen van [medeverdachte 10] ( [bijnaam] ) en [medeverdachte 5] ( [bijnaam] ) in de gesprekken worden genoemd. Uit de tapgesprekken volgt dat [medeverdachte 10] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6 ] rond het tijdstip van de inbraak rennen en hijgen, terwijl zij met elkaar bellen. Zij hebben het erover dat ze moeten wegwezen (zbit), dat er een motoragent rondrijdt, dat er politie (ibahesh) in de buurt is en dat ze niet opvallend moeten doen. In het stadsgedeelte in Den Haag waar [adres] is gelegen zijn op 28 september 2013 geen andere woninginbraken gepleegd. Op 16 december 2013 vond er een (OVC) gesprek in de Opel Astra plaats. Een verbalisant herkende de deelnemers van het gesprek aan hun stemmen als zijnde [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2 ] . Zij hebben het over [adres] , dat er een tip was en dat het van een Colombiaans meisje was. Gelet op de verwijzing naar [adres] en het feit dat aangeefster van Colombiaanse afkomst is, gaat de rechtbank ervan uit dat dit gesprek over de inbraak in de woning [adres] gaat. In het gesprek vertelt [medeverdachte 3] aan [medeverdachte 2 ] dat niet hij, maar zijn broer ging. Gelet op de zendmastgegevens, de inhoud van de door [medeverdachte 10] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6 ] gevoerde telefoongesprekken, waaruit blijkt dat zij – rond het tijdstip van de inbraak – kennelijk op de vlucht zijn voor de politie, de omstandigheid dat geen andere inbraak is gepleegd, de hiervoor genoemde OVC-registratie en het feit dat goederen van aangeefster in de woning van de broers [naam] zijn aangetroffen, waarvoor geen enkele (aannemelijke) alternatieve verklaring is gegeven, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte 10] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6 ] de woninginbraak aan [adres] te Den Haag hebben gepleegd. Zaak 2.23 [adres] te Poeldijk Op 30 september 2013 is er geprobeerd in te breken in de vrijstaande woning aan [adres] te Poeldijk. [aangever] , kwam die avond om 20.35 uur thuis. Er zat een schroef in het cilinderslot van de achterdeur. [getuige] had omstreeks 20:20 uur vier jongens vanaf het pad achter de woningen van [adres] weg zien rennen in de richting van [adres] en sportterrein [buurtnaam] . Op 30 september 2013 vindt om 19:32 uur, een telefoongesprek plaats tussen [medeverdachte 14] en [medeverdachte 6 ] .[medeverdachte 6 ] zegt dat hij eraan komt en dat hij bijna “op [adres] ” is. [medeverdachte 14] zegt dat “ [bijnaam] ” er al is. Om 20:35 uur vindt er wederom een telefoongesprek plaats tussen [medeverdachte 14] en [medeverdachte 6 ] . [medeverdachte 6 ] zegt tegen [medeverdachte 14] dat hij “naar buurt” moet gaan. [medeverdachte 14] zegt op zijn beurt tegen [medeverdachte 6 ] dat hij “naar [buurtnaam] , naar die voetbalding”, moet gaan en vraagt: “waar zijn jullie”. Op de achtergrond zijn stemmen te horen van jongens met wie [medeverdachte 6 ] is. Zij maken ruzie met elkaar. Er is duidelijk paniek. [medeverdachte 6 ] herhaalt vervolgens dat [medeverdachte 14] “naar buurt” moet gaan en zegt: “ik zorg dat ik snel wegkom later”.De telefoons van [medeverdachte 6 ] en [medeverdachte 14] stralen rond dit tijdstip allebei een zendmast aan in de omgeving van [adres] te Poeldijk, namelijk op het [adres] te Poeldijk. Uit de politiesystemen is gebleken dat op 30 september 2013 geen andere woninginbraken in de gemeente Westland waar Poeldijk is gelegen zijn gepleegd. Gezien het bovenstaande, is de rechtbank van oordeel dat er aanwijzingen zijn dat in ieder geval [medeverdachte 6 ] en [medeverdachte 14] betrokken zijn geweest bij de poging tot inbraak in de woning aan [adres] te Poeldijk. [medeverdachte 6 ] en [medeverdachte 14] bevinden zich rond het tijdstip van de inbraak in de nabije omgeving van de plaats delict en uit het tussen hen gevoerde telefoongesprek komt naar voren dat er paniek is, dat zij ergens proberen af te spreken en dat [medeverdachte 6 ] zorgt dat hij wegkomt. Deze poging tot inbraak is echter niet aan [medeverdachte 6 ] ten laste gelegd. Verder volgt uit de bovenstaande bewijsmiddelen niet of [medeverdachte 14] daadwerkelijk bij de poging inbraak aanwezig is geweest of dat hij zich in de buurt ophield en op de uitkijk stond dan wel een vluchtauto bestuurde. Nu de rol van [medeverdachte 14] niet vast kan worden gesteld en aan hem niet wordt verweten dat hij heeft deelgenomen aan de criminele organisatie, kan naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer worden aangenomen dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan medeplegen van de poging tot woninginbraak. [medeverdachte 14] moet daarom van dit feit worden vrijgesproken. Met betrekking tot [medeverdachte 7] stelt de rechtbank vast dat zich in het dossier geen enkele aanwijzing bevindt dat [medeverdachte 7] een rol heeft gespeeld in de onderhavige inbraak. Ten aanzien van [verdachte] overweegt de rechtbank dat het enkele gegeven dat [medeverdachte 14] blijkens een telefoontap waarschijnlijk ongeveer een uur voor de poging inbraak zegt dat [bijnaam] er al is, onvoldoende is om enige (strafrechtelijke) betrokkenheid van [verdachte] aan de poging tot inbraak aan te nemen. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat uit de zendmastgegevens niet blijkt dat [verdachte] tijdens de inbraak in de directe nabijheid van de plaats delict was. Uit deze gegevens komt slechts naar voren dat de telefoon van [verdachte] om 20:44 uur, ongeveer tien minuten na de poging, een telecompaal aanstraalt in [adres] te Den Haag – in de buurt van waar hij woont. Steunbewijs zou gevonden kunnen worden in de zich in het dossier bevindende getapte telefoongesprekken van 25, 26 en 29 september 2013. De gesprekken worden gevoerd door [medeverdachte 6 ] , [medeverdachte 7] , [medeverdachte 5] en [verdachte] . Uit de gesprekken volgt dat er voorverkenningen plaatsvinden. Hoewel de telefoon van [medeverdachte 6 ] gedurende die dagen op sommige tijdstippen de zendmast op het [adres] te Poeldijk aanstraalt, valt uit de inhoud van de gesprekken niet specifiek af te leiden dat de voorverkenningen betrekking hebben op de poging woninginbraak aan [adres] te Poeldijk. Deze voorverkenningen kunnen om die reden dan ook niet bijdragen als bewijs voor de betrokkenheid van [verdachte] en [medeverdachte 7] bij de poging op 30 september 2013. [verdachte] en [medeverdachte 7] dienen derhalve eveneens te worden vrijgesproken van dit feit. Zaak 2.24 [adres] te Den Haag Op 5 oktober 2013 is er geprobeerd om in te breken in de rijtjeswoning aan [adres] in Den Haag. [aangever] , verliet zijn op het nachtslot afgesloten woning rond 12.30 uur. Om 21.45 uur werd hij gebeld door zijn buurvrouw met de mededeling dat er geprobeerd was om in zijn woning in te breken. De cilinder van het voordeurslot is verbroken. De officieren van justitie hebben ten aanzien van [medeverdachte 5] bij requisitoir vrijspraak verzocht, nu hij blijkens zijn telefoongegevens rond het tijdstip van de poging woninginbraak, welk tijdstip volgens de [getuige] rond 20.50 uur moet zijn geweest, niet in de buurt van de woning was. Ten aanzien van de verdachten [verdachte] en [medeverdachte 7] hebben de officieren van justitie bij repliek, gelet op de voorhanden zijnde bewijsmiddelen, gepersisteerd bij een bewezenverklaring. De rechtbank is met de officieren van justitie van mening dat [medeverdachte 5] van voornoemde poging woninginbraak dient te worden vrijgesproken en is daarnaast van oordeel dat dit ook geldt ten aanzien van [verdachte] en [medeverdachte 7] . Uit de bewijsmiddelen volgt dat [verdachte] en [medeverdachte 7] de avond van de poging woninginbraak in de buurt hebben rondgelopen, maar het wettig en overtuigend bewijs dat zij betrokken zijn geweest bij deze poging woninginbraak ontbreekt. De waarnemingen van [getuige] , de bevindingen van de verbalisanten en de paal- en zendmastgegevens van de telefoons van [verdachte] en [medeverdachte 7] komen qua tijdstip niet overeen. [verdachte] en [medeverdachte 7] dienen dan ook eveneens van dit feit te worden vrijgesproken. Zaak 2.25 [adres] te Den Haag Op donderdag 10 oktober 2013 tussen 19.30 uur en 20.50 uur is er ingebroken in de rijtjeswoning aan [adres] te Den Haag. [aangever] , heeft in zijn aangifte verklaard dat zijn vrouw de woning om 19.30 uur afgesloten heeft achtergelaten, dat zijn zoon om 20.50 uur thuiskwam en zag dat de cilinder uit zowel de voor- als de achterdeur ontbrak. Beide cilinders waren uitgeboord. In de slaapkamers was alles overhoop gehaald. Er is uit de woning een zware wapenkluis (50-60
  2. kg)weggenomen, die normaal gesproken naast het bed in aangevers slaapkamer stond. In de wapenkluis lag ondermeer een envelop met daarop de [naam] . In de envelop zat € 3.000,--, dit betrof geleend geld van [naam] . Ook zat er in de kluis een bedrag van € 6.000,-- dat afkomstig was uit het garagebedrijf van aangever en een bedrag van € 6.500,-- eigen geld. Ten slotte lagen er veel sieraden – van ondermeer de bruidsschat – in de kluis, met name gouden armbanden en kettingen, met een geschatte waarde van in totaal € 60.000,--. Het was op de avond van de inbraak regenachtig weer en na de inbraak lagen er autobanden op elkaar gestapeld in de tuin. Op 11 oktober 2013 is de kluis in de openbare tuin van [adres] bij het balkon van perceelnummer [nummer] teruggevonden. Op 5 december 2013, 15 december 2013 en 16 december 2013 hebben in de Opel Astra met [kenteken] gesprekken plaatsgevonden. Bij het uitluisteren van de gesprekken heeft [verbalisant ] in de gesprekken van 5 december 2013 de stemmen herkend van [medeverdachte 5] en [medeverdachte 10] , in de gesprekken van 15 december 2013 de stemmen van [medeverdachte 5] en [medeverdachte 2 ] en in de gesprekken van 16 december 2013 wederom de stemmen van [medeverdachte 5] en [medeverdachte 10] en [medeverdachte 5] en ene [naam] . In deze gesprekken is te horen dat wordt gesproken over een woninginbraak bij [adres] te Den Haag waarbij een kluis is weggenomen,dat de kluis in de slaapkamer stond, dat [medeverdachte 7] de kluis liet vallen, dat de kluis onder een balkon bij een flat is opengemaakt, dat de bewoners van Turkse afkomst zijn en dat de vader een autoschade garage heeft en auto’s vanuit Duitsland importeert. Ook is besproken dat er allemaal armbandjes voor 16 duizend euro zijn verkocht, dat de totale buit 30 kop bedroeg, dat er een bruidschat bij zat en hoe die buit onderling is verdeeld.Ook vertelt [medeverdachte 10] dat het zijn grootste buit tot nu toe was, en dat [bijnaam] blij was en veel had gepakt De specifieke details die door [medeverdachte 5] met [medeverdachte 10] en [medeverdachte 2 ] in de auto worden besproken, passen naadloos op de informatie die uit de verklaringen van de aangever naar voren komt. Geen van de verdachten heeft een verklaring willen afleggen, hoewel de opgenomen gesprekken daar wel aanleiding toe gaven. Nu ook zendmastgegevens van de telefoons van [medeverdachte 10] , [medeverdachte 5] , [verdachte] en [medeverdachte 7] hebben uitgewezen dat zij rond het tijdstip van de inbraak in de nabije omgeving van [adres] te Den Haag aanstraalden, is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat [medeverdachte 10] , [medeverdachte 5] , [verdachte] en [medeverdachte 7] hebben ingebroken in de woning aan [adres] te Den Haag door middel van braak, te weten het uitboren van sloten, en daarbij een kluis met daarin een groot geldbedrag en vele sieraden hebben weggenomen. Dat er op 10 oktober 2013 in de wijk waarvan [adres] deel uitmaakt geen andere inbraken zijn gepleegd, sterkt de rechtbank in haar oordeel. Zaak 2.28 Oplichting [bedrijf] Uit getapte telefoongesprekken van 29 oktober 2013 van de telefoon in gebruik bij [medeverdachte 5] blijkt dat [medeverdachte 3] met de auto van [medeverdachte 5] (Opel Corsa met [kenteken] ) op die dag een aanrijding heeft gehad, waarbij de auto schade heeft opgelopen (de auto is total loss). Uit de telefoongesprekken komt verder naar voren dat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] bespreken hoe ze de schadekosten vergoed kunnen krijgen door – alvorens de schade te melden – een All-Riskverzekering af te sluiten. [medeverdachte 5] heeft vervolgens op 30 oktober 2013 zijn WA autoverzekering bij [bedrijf] schadeverzekeringen opgezegd en bij [bedrijf] een All-Riskverzekering ingaande op 29 oktober 2013 afgesloten zonder te melden dat op een eerder tijdstip een ongeval met de te verzekeren auto had plaatsgevonden. Op 18 november 2013 heeft [medeverdachte 5] vervolgens de schade aan de auto bij [bedrijf] gemeld. In reactie op die schademelding is door [bedrijf] aan [medeverdachte 5] een leenauto verstrekt die door hem in ontvangst is genomen. Door zo te handelen heeft [medeverdachte 5] op dat moment geprobeerd [bedrijf] te bewegen tot uitkering van het schadebedrag, zonder dat het gewenste resultaat is bereikt. De omstandigheid dat het meldingsformulier niet aan [bedrijf] is opgestuurd doet aan het vorenstaande niet af. Met de melding van de schade en het in ontvangstnemen van een vervangende auto is reeds een begin van uitvoering gegeven aan het misdrijf. Op grond van het vorenstaande in onderling verband en samenhang genomen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte 5] zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot oplichting van [bedrijf] . Zaak 2.29 [adres] te Honselersdijk Op zaterdag 2 november 2013 is er in de vrijstaande woning aan [adres] te Honselersdijk geprobeerd in te breken. De [aangever] , verliet rond 15.30 uur de door hem afgesloten woning. Bij thuiskomst rond 20.30 uur bleek dat van zowel de voordeur als de schuifpui het slot onklaar was gemaakt. Uit opgenomen telecommunciatie blijkt dat op 2 november 2013 tussen 18.25 uur en 22.38 uur telefoongesprekken hebben plaatsgevonden waarbij de stemmen zijn herkend van [medeverdachte 5] , [verdachte] en [medeverdachte 11] , [medeverdachte 10] , en [medeverdachte 3] . Bij het nogmaals uitluisteren van deze gesprekken op stemherkenning d.d. 4 juni 2014 heeft [verbalisant ] de stemmen herkend die al in eerdere instantie bij de gesprekken genoemd stonden. De stemherkenning door de verbalisanten wordt bevestigd doordat de (bij)namen van verdachten in de gesprekken worden genoemd en doordat de verbalisanten de betrokken verdachten op 2 november 2013 rond het tijdstip van de telefoongesprekken ook in de buurt van de betrokken woning aantreffen. In de gesprekken vraagt [medeverdachte 5] aan [verdachte] waar ze moeten wachten. [medeverdachte 11] reageert dat [verdachte] in zijn eentje bij de kassen staat en dat hij [bijnaam] moet bellen. [medeverdachte 10] belt naar [verdachte] dat de mensen hier kankergek kijken. [verdachte] antwoordt dat hij naar achter moet gaan over de brug en dat ze de verkeerde burg hebben genomen. [medeverdachte 11] belt met [medeverdachte 5] en zegt hem dat hij moet uitkijken voor hun. [medeverdachte 7] waarschuwt [medeverdachte 11] voor twee jongens de langslopen en [medeverdachte 11] voor een man die weer terug kwam. [medeverdachte 11] belt naar [medeverdachte 5] en [medeverdachte 5] roept ‘Ibahesh, Ibahesh’ terwijl hij hijgt. [verdachte] belt naar [medeverdachte 12 ] dat ze in nood zijn en gespot zijn en dat hij een auto moet regelen. [medeverdachte 12 ] belt terug en geeft door waar hij staat. Later belt [medeverdachte 5] naar [medeverdachte 3] en vertelt dat hij samen met [verdachte] een huis aan het openen waren, ze nog niets mee hadden genomen toen de deur door een bewoner werd geopend en ze weg zijn gegaan. Op 1 december 2013 tussen 12.38 uur en 21.43 uur heeft in de Opel Astra met [kenteken] een gesprek plaatsgevonden. Er wordt gesproken over een poging woninginbraak. [verbalisant ] heeft de stem van [medeverdachte 5] herkend. Net als in voornoemde tapgesprekken heeft [medeverdachte 5] het erover dat ze zijn gespot en dat hij is gaan rennen. Op 2 november 2013 stralen de telefoons van [medeverdachte 7] , [verdachte] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 11] , [medeverdachte 10] en [medeverdachte 12 ] tussen 15.15 uur en 20.45 uur zendmasten in de buurt van [adres] te Honselersdijk aan. Op 2 november 2013 zijn [verbalisanten] , nadat zij hebben vernomen dat [medeverdachte 5] en [verdachte] zich in Honselersdijk bevonden, ter plaatse gegaan. Vanaf 18.45 uur zijn verbalisanten te voet Honselersdijk in gegaan. Verbalisanten werden ‘live’ op de hoogte gehouden van de telefoongesprekken tussen de verdachten en zien op een gegeven moment [verdachte] staan op de brug die op [adres] uitkwam. Ondertussen hadden de verbalisanten [medeverdachte 10] en [medeverdachte 5] ook al in de buurt gezien. Verbalisanten splitsen zich op en [verbalisant ] zag dat [verdachte] en een ander persoon zijn richting op kwamen lopen en floten en “oerwoudgeluiden” maakten. Hij herkende de andere persoon als [medeverdachte 7] . De verbalisant zag dat [verdachte] en [medeverdachte 7] in de richting van [adres] liepen en dat ze even later met [medeverdachte 11] terugliepen in de richting van de brug. [verbalisant ] zag dat er afwisselend twee personen op de brug stonden en dat de tweede persoon [medeverdachte 10] betrof. Op een gegeven moment hoorde hij ook oerwoudgeluiden en gefluit. [verbalisant ] keek in zijn verrekijker naar het beginstuk van [adres] en zag dat er vier personen, waaronder [medeverdachte 5] en [medeverdachte 10] recht op hem af kwamen lopen. Vervolgens verloren beide verbalisanten het zicht op de jongens en hoorden zij om 21:07 uur dat er in een woning op [adres] was geprobeerd in te breken. Dit betrof een grote vrijstaande woning direct rechts van de brug. De plek waar even daarvoor gefluit en oerwoudgeluiden vandaan waren gekomen bleek de oprit van de woning van [adres] te zijn. Uit het bedrijfsprocessensysteem van de politie bleek voorts dat er op 2 november 2013 geen andere aangifte van woninginbraak in Honselersdijk is gedaan. De rechtbank is gelet op de inhoud van genoemde tapgesprekken, het OVC gesprek, de zendmastgegevens en de bevindingen van de verbalisanten, bezien in samenhang met de aangifte van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat de verdachten [medeverdachte 5] , [verdachte] , [medeverdachte 12 ] , [medeverdachte 11] , [medeverdachte 10] en [medeverdachte 7] tezamen en in vereniging hebben geprobeerd bij de woning aan [adres] te Honselersdijk in te breken door de sloten van de schuifpui en de voordeur te forceren. Anders dan de officier van justitie, en gelet op hetgeen ter zake in zijn algemeenheid door de rechtbank ten aanzien van het medeplegen is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de rol van [medeverdachte 12 ] derhalve ook als medeplegen dient te worden aangemerkt. Zaak 2.30 [adres] te Den Haag Op 10 november 2013 tussen 14.10 uur en 21.00 uur is er ingebroken in de huurwoning van [bedrijf] aan [adres] in Den Haag. De [aangever] , had de woning rond 14.10 uur afgesloten verlaten. Bij thuiskomst om 21.00 uur zag hij dat het keukenraam openstond en dat het rechteruitzetraam van de keuken was verbroken. Bij de inbraak zijn weggenomen een notebook (Acer), een tablet (Samsung Galaxy), een pannenset, een spaarpot, een horloge (Gucci), zestien gouden armbanden en diverse kledingstukken. Uit opgenomen telecommunicatie van 10 november 2013 tussen 17.12 uur en 20.27 uur blijkt dat tussen een aantal verdachten gesprekken zijn gevoerd die er onmiskenbaar op duiden dat zij zich bezighielden met een inbraak De stemmen van [verdachte] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 6 ] , [medeverdachte 10] , [medeverdachte 11] , [medeverdachte 13] worden door verbalisanten herkend. [verbalisant ] heeft op 4 juni 2014 de gesprekken nogmaals beluisterd op stemherkenning en voornoemde stemmen wederom herkend. De stemherkenningen worden ondersteund doordat in een aantal gesprekken de (bij)namen ( [medeverdachte 6 ] , [verdachte], [bijnaam]) van een aantal verdachten worden genoemd alsook dat ten tijde van de gesprekken waarin gewaarschuwd wordt over politie, de betreffende verdachten door de politie zijn waargenomen. In de gesprekken belt [medeverdachte 4] naar [medeverdachte 10] en vraagt of hij naar buurt komt omdat zij ierts hebben daarzo en hij die spullen heeft. Twee minuten later belt [verdachte] naar [medeverdachte 10] dat er zes mensen de hele tijd op [medeverdachte 10] wachten en dat hij geen grappen moet maken. Even later belt [medeverdachte 10] naar [medeverdachte 6 ] en vraagt waar ze zijn. [medeverdachte 6 ] antwoordt dat hij met alle boys in de achteruit van Mo is. Als [medeverdachte 6 ] wordt gebeld zegt hij dat hij even bezig is. Evenlater wordt hij door [medeverdachte 11] gebeld die doorgeeft dat de politie richting [adres] is. [medeverdachte 6 ] vraagt of hij richting ons toe is? [medeverdachte 4] wordt gebeld over de aanwezigheid van politie en vraagt of die richting hun komt [medeverdachte 6 ] wordt gebeld door [medeverdachte 3] dat de politie aanweizg is. [medeverdachte 6 ] geeft door dat [verdachte] bij hem is. [medeverdachte 13] belt naar [medeverdachte 6 ] en geeft door dat de politie in de straat is. [medeverdachte 6 ] geeft door waar hij is en zegt dat [medeverdachte 13] daarheen moet komen. Deze tapgesprekken in samenhang met de zendmastgegevens van [verdachte] en [medeverdachte 12 ] , die die avond in de directe omgeving aanstralen alsook van [medeverdachte 6 ] en [medeverdachte 4] die op genoemde tijdstippen in de buurt waren, alsmede het feit dat er op dat moment geen andere inbraak was gepleegd in het verzorgingsgebied van bureau [buurtnaam] wijst uit dat het ging om de inbraak in de woning aan [adres] . De rechtbank is gelet op het vorenstaande van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat de verdachten [verdachte] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 11] , [medeverdachte 10] en [medeverdachte 6 ] alsook [medeverdachte 13] voornoemde woninginbraak tezamen en in vereniging hebben gepleegd. De rechtbank stelt vast dat in het dossier onvoldoende bewijs aanwezig is voor de betrokkenheid van [medeverdachte 12 ] , [medeverdachte 7] en [medeverdachte 5] . Over [medeverdachte 7] wordt gezegd dat die ziek is en thuis is, terwijl de namen van [medeverdachte 5] en [medeverdachte 12 ] in het geheel niet worden genoemd in de gesprekken. De rechtbank zal [medeverdachte 12 ] , [medeverdachte 7] en [medeverdachte 5] dan ook vrijspreken van het tenlastegelegde. Zaak 2.31 [adres] te Den Haag Op 17 november 2013 is er ingebroken in de huurwoning van [bedrijf] aan [adres] te Den Haag. De bewoner, [aangever] , heeft de woning rond 15.00 uur in afgesloten staat verlaten. Rond 20.00 uur ontdekte hij de inbraak. De daders hebben aan de achterzijde van de woning met een breekvoorwerp het uitzetraam geforceerd. In de ouderslaapkamer is het tapijt opengetrokken en in de toiletruimte is het systeemplafond eruit gehaald. Bij de inbraak zijn diverse goederen weggenomen, waaronder enkele pakketjes met gouden sieraden die boven het systeemplafond in het toilet lagen, alsook een geldbedrag van € 3.400,--. Hoewel uit de gesprekken tussen [medeverdachte 1 ] en [medeverdachte 12 ] en [verdachte] en [medeverdachte 12 ] mogelijk aanwijzingen volgen dat zij betrokken zijn bij een woninginbraak is dit op zichzelf onvoldoende voor is het geen wettig en overtuigend bewijs. De enkele omstandigheid dat de telefoons van deze verdachten in de direct omgeving van [adres] aanstralen, levert evenmin voldoende op voor het bewijs, nu deze verdachten in de buurt woonachtig zijn. [medeverdachte 1 ] , [verdachte] en [medeverdachte 12 ] dienen dan ook van dit feit te worden vrijgesproken. Zaak 2.32 [adres] te Den Haag Op 19 november 2013 is geprobeerd in te breken in een flatwoning op de eerste verdieping aan [adres] te Den Haag. De [aangever] , had de woning rond 18.30 uur afgesloten verlaten. Toen hij rond 19.30 uur bij de woning terug kwam, zag hij dat het raam in de badkamer geforceerd was en het uitzetijzer verbroken was. Er zaten negen moeten op het kozijn. Op 30 november 2013 tussen 17:34 uur en 17:44 uur zijn in de Opel Astra met [kenteken] gesprekken gevoerd. Er wordt gesproken over een poging woninginbraak. [verbalisant 2] heeft de stemmen van twee inzittenden herkend, te weten die van [medeverdachte 5] en [medeverdachte 3] . Uit onderzoek naar het perceel [adres] en de bewoners daarvan is naar voren gekomen dat het perceel is gelegen op de eerste etage van een vierlaagse portiekflat, waarbij het balkon zich aan de achterzijde bevindt en er preventiestangen achter de ruiten van het perceel bevestigd zijn. Verder was te zien dat de woning aan [adres] , die aan de linkerkant van voormeld perceel ligt, een oranjekleuring afdekzeil om het balkon gespannen had. [getuige] heeft verklaard dat het oranje afdekzeil er ook op de dag van de poging woninginbraak zat. Dit sluit aan het bij hetgeen wordt besproken in de Opel Astra op 30 november 2013 waarin over een ‘oranje ding’ wordt gesproken en Turkse bewoners. De bewoners betreffen Nederlanders met een Turkse achtergrond. De Opel rijdt op het moment van het gesprek op [adres] en [adres] te Den Haag, wat in de buurt van de woning aan [adres] is. Daarnaast vertelt [medeverdachte 5] dat het niet lukte om bij boven bij het raam voorbij de stangen te komen, en dat [verdachte] – ondanks de politie – toch naar binnen wilde. Gelet op de inhoud van de gesprekken in de Opel Astra op 30 november 2013 die specifieke daderkennis bevat, de namen die worden genoemd, de stemherkenning, alsook de locatie waar de auto op dat moment reed, bezien in samenhang met de aangifte en de verklaring van de getuige is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat [medeverdachte 5] in ieder geval samen met [verdachte] heeft geprobeerd op 19 november 2013 in te breken aan [adres] te Den Haag. Zaak 2.33 [adres] te Den Haag Op 22 november 2013 tussen 18:50 uur en 22:00 uur is ingebroken in de woning aan [adres] te Wateringen. De [aangever] heeft verklaard dat zij gedurende deze tijd bij haar broer was die recht tegenover haar in het portiek woont. Ze ging om 22:00 uur terug naar haar eigen woning, hoorde geluiden en bleef in de deuropening staan. Ze keek in de woonkamer en zag twee mannen die ze niet kende. De mannen schrokken en renden weg. De aangeefster rende achter hen aan en zag dat de mannen het achterbalkon op renden en vanaf de 2e etage naar beneden sprongen. Ze rende weg door de binnentuinen. Het draairaam in de badkamer en de inbouwkast in de woonkamer zijn opengebroken. In de woning is veel overhoop gehaald en beschadigd. Er zijn veel sieraden, een paar herenschoenen en diverse geldbedragen weggenomen. De omstandigheid dat verbalisanten omstreeks 22.40 uur de verdachten [medeverdachte 13] , [medeverdachte 12 ] en [medeverdachte 11] op het fietspad van [adres] zien lopen alsook de gesprekken die er rond die tijd tussen [medeverdachte 1 ] en [medeverdachte 11] en tussen [medeverdachte 5] en [medeverdachte 11] hebben plaatsgevonden, maken dat er weliswaar aanwijzingen zijn dat deze drie verdachten mogelijk iets te maken hebben met de woninginbraak aan [adres] , maar ontbreekt hiertoe het wettig en overtuigend bewijs. Temeer nu aangeefster geen van deze drie verdachten heeft herkend en dat de in de woning aangetroffen dactyloscopische sporen, waaronder een vingerafdruk, geen kenmerkende overeenkomsten hebben met het dactyloscopisch signalement van [medeverdachte 13] , [medeverdachte 12 ] en [medeverdachte 11] . De rechtbank zal hen daarom van dit feit vrijspreken. Zaak 2.34 [adres] te Den Haag Tussen vrijdag 29 november 2013 te 20.00 uur en zaterdag 30 november 2013 te 13.25 uur is er geprobeerd in te breken in de rijtjeswoning aan [adres] te Den Haag. In een nadere verklaring heeft de [aangever] aangegeven dat er vanaf 27 november 2013 tot 29 november 2013 niemand aanwezig was in de woning en dat haar dochter de inbraak op 29 november ontdekte. Er is geprobeerd om via de achterdeur de woonkamer binnen te gaan. De cilinder van het slot van de deur was afgebroken en weggenomen. Ook was het uitzetraam boven de achterdeur van de woonkamer opengebroken. Op 1 december 2013 tussen 21.43 uur en 21.48 uur hebben er gesprekken plaatsgevonden in de Opel Astra met [kenteken] . [verbalisant ] heeft de stem van [medeverdachte 5] herkend. In de opnames is te horen dat hij met twee NN mannen praat over een poging inbraak die hij eergisteren bij een Turk heeft gepleegd en hoe je een cilindertrekker moet gebruiken. Ook vertelt hij dat ze moesten afbreken omdat er veel politie was en dat een van de anderen door een biker is staandegehouden. Uit tapgegevens van donderdag 28 november 2013 van [medeverdachte 5] en [medeverdachte 1 ] blijkt dat zij in [buurtnaam] bezig zijn en niet gezien willen worden door de politie. Ook volgt uit de gesprekken dat [medeverdachte 11] , [medeverdachte 10] , [medeverdachte 7] en [medeverdachte 4] op de uitkijk staan. Op 28 november 2013 om 20:30 uur hebben drie bikers [medeverdachte 1 ] na een korte achtervolging aan [adres] staande gehouden. Ook blijkt dat in de periode van 29 op 30 november 2013 geen andere poging woninginbraak is gepleegd in de wijk [buurtnaam] en omgeving, die voldoet aan de modus operandi zoals naar voren komt uit de OVC gesprekken van [medeverdachte 5] en dat ook behalve op 28 november 2013 een dergelijk voorval niet in het systeem voorkomt. Op basis van het feit dat [medeverdachte 5] tijdens voornoemde OVC-gesprekken spreekt over een inbraak bij Turkse mensen, twee dagen ervoor, waarbij een cilinderslot is verwijderd en waarna een mededader is staandegehouden door de politie, de vele tapgesprekken gesprekken van [medeverdachte 5] en [medeverdachte 1 ] met medeverdachten [medeverdachte 4] , [medeverdachte 11] en ook [medeverdachte 7] op 28 november 2013, bezien in samenhang met de aangifte, de gegevens uit het bedrijfsprocessensysteem van de politie is de rechtbank van oordeel dat [medeverdachte 5] en [medeverdachte 1 ] hebben geprobeerd in te breken in de woning aan [adres] en dat [medeverdachte 4] , [medeverdachte 11] , [medeverdachte 7] en [medeverdachte 10] op de uitkijk hebben gestaan. Ten aanzien van de datum van de inbraak volgt uit het proces-verbaal van onderzoek van 12 juni 2014 dat aangever zich aanvankelijk in de datum van de inbraak heeft vergist, wat gelet op de omstandigheid dat aangever de inbraak niet zelf heeft ontdekt redelijkerwijs te verklaren valt. De rechtbank acht op grond van het vorenstaande wettig en overtuigend bewezen dat omstreeks de periode van 29 november 2013 tot en met 30 november 2013 [medeverdachte 5] , [medeverdachte 1 ] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 11] , [medeverdachte 7] en [medeverdachte 10] voornoemde poging woninginbraak hebben gepleegd. De rechtbank is met de officieren van justitie en de verdediging eens dat [medeverdachte 6 ] van dit feit dient te worden vrijgesproken. Zaak 2.35 [adres] te Honselersdijk Op 5 december 2013 tussen 16:00 uur en 21:20 uur heeft een inbraak plaatsgevonden in de vrijstaande woning aan [adres] te Honselersdijk. Deze woning ligt op het terrein van het bedrijf van de eigenaar [aangever] , [bedrijf] . Kasten en lades in de woning zijn doorzocht en spaarpotten van de kinderen zijn opengebroken. Daarin zat 300 tot 500 euro. Het kantoor van het bedrijf is eveneens opengebroken. Uit de het kantoor is een geldbedrag van 2000 euro meegenomen uit de slaapkamer, een gouden ketting met naamplaat met inscriptie [naam] , een andere ketting met inscriptie [naam] , een armband met inscriptie [naam] , gouden oorringen en een laptop van Lunovo. Er is onderzoek gedaan naar de braaksporen in de woning aan [adres] te Honselersdijk. In de onderzijde van het draairaam aan de achterzijde van de woning is een indrukspoor geconstateerd, veroorzaakt door een schroevendraaier en een indrukspoor veroorzaakt door een breekijzer. Het raamboompje en uitzetijzer waren ontzet. Voorts is een ruit van het kantoor van het bedrijf verbroken. Uit de bakengegevens is gebleken dat de Opel Astra met [kenteken] op 5 december 2013 tussen 18:00 uur en 21.20 uur in en om Honselersdijk was, waaronder [adres] . Van 20:01 uur tot 21:01 uur was het voertuig constant op [adres] te Honselersdijk aanwezig. Op 5 december 2013 hebben de telefoons van [medeverdachte 5] tussen 20.14 uur en 21.35 uur, van [medeverdachte 1 ] tussen 20.14 uur en 21.00 uur en van [medeverdachte 4] tussen 20.31 uur en 20.40 uur meerdere malen zendmasten aangestraald in de nabije omgeving van de locatie van de woninginbraak. Op 5 december 2013 zijn in de auto met [kenteken] gesprekken opgenomen. Door [verbalisant ] zijn de stemmen van [verdachte] , [medeverdachte 1 ] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 10] en [medeverdachte 4] herkend, en door [verbalisant ] zijn de stemmen van van [medeverdachte 1 ] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] herkend. Deze stemherkenningen worden ondersteund doordat de (bij)namen van enkele verdachten ( [bijnaam], [verdachte], [medeverdachte 5], Foudsjie en [medeverdachte 4]) worden genoemd waarop door hen wordt gereageerd. Uit de opgenomen gesprekken blijkt dat eerst [verdachte] en [medeverdachte 1 ] uitstappen en later ook [medeverdachte 4] . [medeverdachte 10] en [medeverdachte 5] blijven achter in de auto. Tussentijds is telefonisch contact tussen [medeverdachte 5] en [medeverdachte 1 ] om te horen hoe het gaat en of het nog lang gaat duren, hetgeen tevens wordt bevestigd door de telefoontap. [medeverdachte 5] wordt gebeld als de anderen klaar zijn en als ze weer instappen vertellen ze dat ze een volle buit hebben gepakt. Op basis van de door hen gegeven omschrijving van de buit, waaronder veel muntgeld, spaarpotten en een babyarmbandje, alsook de locatie waar ze op dat moment blijkens de bakengegevens en de zendmasten zijn, in samenhang gezien met de informatie uit de aangifte en het feit dat ze geen van allen een verklaring hebben gegeven over de inhoud van de gesprekken, ondanks dat de inhoud van de opgenomen gesprekken daar wel om vragen, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] , [medeverdachte 1 ] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 10] en [medeverdachte 5] deze woninginbraak in vereniging hebben gepleegd. Zaak 2.36 [adres] te Schipluiden Op 5 december 2013 tussen 18.30 uur en 22.30 uur heeft een inbraak plaatsgevonden in de vrijstaande woning aan [adres] te Schipluiden. [aangever] heeft verklaard dat in de woning diverse laden en kasten zijn doorzocht. In het schuifraam van de achterste slaapkamer zat een barst en er zat een rol tapijt tussen het schuifraam en het kozijn waardoor het raam openstond. In de woning waren 3 honden achtergebleven. De kerstboomverlichting in de woonkamer brandde en op de stoel in de woonkamer lag een zwart toilettasje dat normaal boven in de slaapkamer ligt. Weggenomen zijn een trouwring (met inscriptie [naam] ), een gouden slavenarmband in een rood suède doosje, 4 biljetten van 50 euro uit een klein chinees tasje, een dameshorloge, Engelse ponden, een 100 dollar biljet en een gouden schakelarmband met bedels. Op 5 december 2013 zijn tussen 18:20 uur en 19.20 uur in de auto met [kenteken] gesprekken opgenomen. Door [verbalisanten] zijn de stemmen van [verdachte] , [medeverdachte 1 ] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 10] en [medeverdachte 4] herkend. De stemherkenning wordt ondersteund omdat (bij)namen worden genoemd en vooraf precies wordt besproken wie mee mag. Uit de bakengegevens is gebleken dat de auto op het moment van de gesprekken in en om Schipluiden was, waaronder [adres] . Tijdens voornoemde gesprekken is te horen dat [verdachte] , [medeverdachte 1 ] , [medeverdachte 10] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] in de auto zitten, dat [verdachte] de rollen verdeelt en dat een groepje om 18.33 uur uitstapt. [medeverdachte 5] blijft in de auto. Gedurende de gehele periode wordt er niet gesproken anders dan telefoontjes van [medeverdachte 5] . Het is dan ook niet aannemelijk dat iemand bij hem is achtergebleven. Om ongeveer 19.11 uur belt [verdachte] hem met de telefoon van [medeverdachte 1 ] en uiteindelijk stappen ze om 19.16 weer in en moet [medeverdachte 5] snel wegrijden. Daarna vertellen [medeverdachte 10] , [verdachte] en [medeverdachte 1 ] over het huis en de buit. Met name de verwijzing naar het tasje dat ze hebben laten liggen, de honden, de ponden en de dollars komen overeen met de aangifte. Later op de avond, na de inbraak aan [adres] in Honselersdijk vertellen [verdachte] , [medeverdachte 1 ] en [medeverdachte 10] nog uitgebreid aan [medeverdachte 3] over dat ze die avond al eerder hadden ingebroken in Schipluiden. Deze specifieke informatie in combinatie met de informatie uit de aangifte, de baken- en zendmastgegevens die hen in de nabije omgeving van de woning plaatst alsmede het gegeven dat geen van de verdachten een verklaring heeft afgelegd over de inhoud van de gesprekken leiden tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat [medeverdachte 1 ] , [verdachte] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 10] en [medeverdachte 5] deze inbraak in vereniging hebben gepleegd. Uit het dossier komt onvoldoende naar voren dat [medeverdachte 3] bij deze inbraak betrokken is. Hij zal derhalve worden vrijgesproken van dit feit. Zaak 2.37 [adres] te Den Haag Op 8 december 2013 tussen 16:15 uur en 20:10 uur heeft een poging tot woninginbraak plaatsgevonden aan [adres] te Den Haag. Er zijn geen goederen weggenomen. Uit een in de woning verricht sporenonderzoek blijkt dat is getracht een naar buiten openslaand raam open te breken. Er is 5 keer in de sluitnaad gestoken met vermoedelijk een breekijzer van ongeveer 20 mm breed. Door de uitgeoefende kracht brak het binnenste glas van het raam en de onderste raamsluiting af. Op 8 december 2013 zijn aan het eind van de middag en begin van de avond in de auto met [kenteken] gesprekken opgenomen. Door [verbalisanten] zijn onder andere de stemmen van [verdachte] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 1 ] , [medeverdachte 10] en [medeverdachte 4] herkend. De stemherkenning wordt ondersteund omdat (bij)namen worden genoemd. Tevens zijn op die tijdtippen telefoongesprekken opgenomen tussen de nummers van [medeverdachte 1 ] en [medeverdachte 4] en tussen de nummers van [medeverdachte 1 ] en [medeverdachte 13] . In de tapgesprekken zijn de stemmen van [medeverdachte 1 ] , [medeverdachte 13] , [medeverdachte 4] en [verdachte] herkend door [verbalisant ] , welke herkenning wordt ondersteund door het noemen van (bij)namen waaronder [verdachte], [medeverdachte 10], [medeverdachte 4] , [medeverdachte 3], [medeverdachte 5], [medeverdachte 1 ], [medeverdachte 13]. Uit de opgenomen OVC- en tapgesprekken blijkt dat een inbraak wordt gepland en uitgevoerd. [medeverdachte 1 ] neemt contact op met [medeverdachte 4] en vraagt hem een stevig breekwerktuig mee te nemen. Tussentijds waarschuwt [medeverdachte 11] [medeverdachte 1 ] dat er bikers staan op de plek waar ze hebben afgesproken. [medeverdachte 5] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1 ] , [verdachte] en [medeverdachte 4] verzamelen in de Opel Astra. [medeverdachte 10] loopt buiten de auto en staat op de uitkijk en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] blijven op de uitkijk (vanuit de auto). Nadat de poging inbraak om ongeveer 18.30 uur is gepleegd zet [medeverdachte 3] [medeverdachte 5] af en haalt [verdachte] , [medeverdachte 1 ] en in ieder geval één ander op bij de parkeerplaats van [bedrijf] . Uit de specifieke informatie die [verdachte] nadien in de auto aan [medeverdachte 3] vertelt over de poging inbraak, met name het feit dat alleen het binnenste raam was gebarsten, dat ze spreken over [adres] en dat er in een straal van 2500 meter geen andere poging woninginbraak is gepleegd, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] , [medeverdachte 1 ] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 10] , [medeverdachte 11] en [medeverdachte 4] zich in vereniging schuldig hebben gemaakt aan deze poging inbraak. Dat geldt eveneens voor [medeverdachte 7] . [verdachte] noemt hem immers expliciet als een van de betrokkenen, ook wordt de stem van de onbekend gebleven man die op de parkeerplaats van [bedrijf] instapt beschreven als zijnde vermoedelijk van [medeverdachte 7] , alsook het gegeven dat het niet om [medeverdachte 10] kan gaan omdat [medeverdachte 10] om 18.56 uur met [medeverdachte 4] en [medeverdachte 13] bij “ [buurtnaam] ” is. Tenslotte weegt ook hier weer mee dat hijzelf geen enkele (aannemelijke) verklaring voor dit alles heeft gegeven, terwijl de tegen hem bestaande bewijzen daar wel om vragen. Uit de overige tapgesprekken blijkt dat [medeverdachte 1 ] met [medeverdachte 4] afspreekt om later die avond opnieuw naar [buurtnaam] te gaan. Hij gaat eerst iets halen op de [buurtnaam] en [medeverdachte 4] moet op de uitkijk blijven staan en de straat in de gaten houden. [medeverdachte 4] is pas dan samen met [medeverdachte 13] , die ook de buurt in de gaten houdt. Er gebeurt evenwel niets meer, omdat de bewoners intussen thuis zijn gekomen. Dat betekent dat ook [medeverdachte 13] zal worden vrijgesproken van betrokkenheid bij deze poging inbraak. Zaak 2.38 [adres] te Den Haag Op vrijdag 13 december 2013 heeft een inbraak plaatsgevonden in een woning aan [adres] te Den Haag. Aangeefster bij wie haar kleindochter van 6 jaar oud sliep, werd om 23.10 uur wakker van een harde klap. Tien minuten later hoorde ze weer een klap (omstreeks 23.20 uur). Zij is opgestaan en haar kleindochter was ook wakker geworden. Uit de portemonnee van aangeefster is 5 euro weggenomen. Uit onderzoek is gebleken dat de daders de woning aan [adres] zijn binnengekomen door het verbreken van een raam naar de berging. In het hout van het raam zijn aan de onderzijde vier indruksporen aangetroffen. Via dit raam zijn de daders de woning ingeklommen. Op 13 december 2013 om 23.36 uur heeft [medeverdachte 1 ] [medeverdachte 11] gebeld. Dat hij [medeverdachte 11] belt wordt bevestigd door het noemen van de bijnaam van [medeverdachte 11] . Tijdens dit gesprek vertelt [medeverdachte 11] aan [medeverdachte 1 ] dat hij iets heeft gedaan met [medeverdachte 6 ] en [medeverdachte 7] , maar dat er iemand thuis was en dat ze 5 euro hebben gepakt. Rond dezelfde tijd belt [medeverdachte 7] [medeverdachte 1 ] en waarschuwt hem hijgend en zacht pratend om niet naar de buurt te komen in verband met de politie. Tijdens een telefoongesprek om 23.42 uur tussen [medeverdachte 6 ] en [medeverdachte 4] vragen ze aan elkaar waar ze zijn en vraagt [medeverdachte 4] waar [medeverdachte 7] is. [medeverdachte 6 ] hijgt tijdens dit gesprek en vraagt aan [medeverdachte 4] waarom die eigenlijk ging rennen. Later die nacht rond 1.06 uur vindt een gesprek plaats in de Opel Astra met [kenteken] . [verbalisanten] herkennen onder meer de stem van [medeverdachte 3] . Deze herkenning vindt steun in het gegeven dat hij in het gesprek met zijn naam wordt aangesproken. Tijdens het gesprek vraagt [medeverdachte 3] aan [medeverdachte 14] of ze net een inbraak hebben gepleegd. Dat wordt bevestigd door de ander die aangeeft dat [medeverdachte 7] bij een meisje boven in de slaapkamer stond en dat het ging om een eengezinswoning achter [medeverdachte 1 ] . Gelet op het feit dat [medeverdachte 11] vlak na de inbraak op [adres] , waarbij 5 euro is weggenomen, zegt dat hij zojuist met [medeverdachte 7] en [medeverdachte 6 ] heeft ingebroken en daarbij 5 euro heeft weggenomen, dat er een meisje boven in een slaapkamer sliep en wakker werd, dat het gaat om een woning die vlak achter de woning van [medeverdachte 1 ] ligt gaat en dat zowel [medeverdachte 6 ] als [medeverdachte 7] en [medeverdachte 9 ] kort na de inbraak bij elkaar zijn en moeten hijgen, Aan [medeverdachte 4] wordt gevraagd waarom er gerend moest worden en tenslotte dat [medeverdachte 7] [medeverdachte 1 ] voor politie waarschuwt terwijl er in de nacht van 13 december 2013 rond 23.15 uur in een straal van 1000 meter rondom deze woning geen andere woninginbraak heeft plaatsgevonden, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte 11] , [medeverdachte 7] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 6 ] deze inbraak in vereniging hebben gepleegd. Zaak 2.39 [adres] te Den Haag Op 14 december 2013 heeft in de woning aan [adres] te Den Haag een poging inbraak plaatsgevonden. [aangever] hoorde omstreeks 18.30 uur vanuit de badkamer boven iets vallen. Zij is in de badkamer gaan kijken en zag toen een jongen in het raam van de badkamer hangen. Het raam boven stond een beetje open. De jongen is naar beneden gesprongen. Ze zag vanuit het raam vervolgens vier jongens wegrennen. Op 15 december 2013 zijn in de auto met [kenteken] gesprekken opgenomen. Door [verbalisant ] zijn de stemmen van [verdachte] , [medeverdachte 1 ] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2 ] (aanvankelijk aangeduid als [bijnaam] ) herkend. Deze herkenning wordt ondersteund door het gegeven dat de (bij)namen worden genoemd. Tijdens dit gesprek sprak [medeverdachte 3] over hoe [verdachte] naar beneden sprong en dat hij zag dat hij zo rustig bleef en [medeverdachte 2 ] over dat hij gisteren zijn broek scheurde en dat hij bijna zijn nek had gebroken. Uit onderzoek naar de getapte gesprekken gevoerd met de mobiele aansluiting van [medeverdachte 1 ] blijkt dat hij op 14 december 2014 omstreeks 16:30 uur is gebeld door [medeverdachte 3] . [medeverdachte 3] zegt hier zelf niet mee te kunnen gaan maar dat ze [medeverdachte 2 ] wel mee kunnen nemen. Vervolgens bellen ze meermalen met elkaar en spreken af. Om 17.34 uur belt [medeverdachte 3] nogmaals met [medeverdachte 1 ] en vraagt waar ze zijn. [medeverdachte 1 ] antwoordt dat ze even gaan kijken bij die hoek, waarop [medeverdachte 3] antwoordt dat hij weet waar het over gaat: “Die Turkoes, toch?”. De woning aan [adres] ligt op een hoek en de bewoners zijn van Turkse afkomst. Uit onderzoek naar de historische mastgegevens van de mobiele aansluiting van het nummer van [medeverdachte 1 ] blijkt dat deze op 14 december 2013 om 17:43 uur en 18:40 uur de telecompalen [adres] en [adres] in Den Haag aanstraalt. Deze palen staan in de directe nabijheid van de [adres] .Uit onderzoek in de politiesystemen is gebleken dat er op 14 december 2014 in de wijk [buurtnaam] te Den Haag geen andere woninginbraken zijn gepleegd. Op basis van de inhoud van de getapte telefoongesprekken tussen [medeverdachte 1 ] en [medeverdachte 3] , met name de verwijzing naar een hoekwoning, waar mensen van Turkse afkomst wonen, de inhoud van de OVC-gesprekken, met name de verwijzing door zowel [medeverdachte 3] als [medeverdachte 2 ] naar het feit dat [verdachte] uit het raam sprong, in samenhang gezien met de informatie uit de aangifte en de zendmastgegevens acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] , [medeverdachte 1 ] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2 ] deze poging inbraak in vereniging hebben gepleegd. Zaak 2.40 [adres] te Honselersdijk Op 14 december 2013 tussen 18:15 uur en 23:30 uur heeft een inbraak plaatsgevonden in de vrijstaande woning aan [adres] te Honselersdijk. [aangever] heeft verklaard dat de daders hebben geprobeerd het raam in de slaapkamer open te breken. Er zijn moeten in het kozijn en in de achterdeur. Aan de achterzijde in de serre was een fiets verplaatst en er was een stoel onder het raam van de badkamer gezet. Het raam van de badkamer was opengebroken. In de slaapkamer waren alle kasten doorzocht en de spullen op de grond gegooid. Het raam van de badkamer was opengebroken. In de gang lag glas op de grond afkomstig van het fotolijstje van één van de trouwfoto’s van aangevers kinderen. Die foto lag op de grond. Weggenomen goederen zijn twee paar handschoenen en sieraden, waaronder 2 gouden horloges, ringen, kettingen, manchetknopen, oorbellen, hangers, armbanden. Op 15 december 2013 zijn in de auto met [kenteken] gesprekken opgenomen. Door [verbalisant ] zijn de stemmen van [medeverdachte 5] , [medeverdachte 3] en [verdachte] herkend. Tijdens het gesprek vertelt [verdachte] aan [medeverdachte 5] dat hij gisteren heeft ingebroken bij de [auto] met [medeverdachte 1 ] , [medeverdachte 2 ] en [medeverdachte 3] . Bewoners van [adres] in Honselersdijk zijn in bezit van een [auto] . Aangever heeft verklaard dat normaliter deze auto voor zijn woning staat. Deze auto zou gezien bouwjaar en model aangezien kunnen worden voor een oldtimer. Ook vertellen [medeverdachte 2 ] , [medeverdachte 3] en [bijnaam] dat de dag ervoor veel goud/horloges zijn buitgemaakt. [medeverdachte 5] is boos op [medeverdachte 3] , omdat [medeverdachte 3] hem heeft opgezadeld met een bezoek van zijn moeder aan Rotterdam, zodat [medeverdachte 3] wel en [medeverdachte 5] niet mee kon doen. [medeverdachte 2 ] noemt ook nog dat het best om een jonge man ging, waarna [medeverdachte 3] het heeft over foto’s van zijn trouwjaren. Naar het oordeel van de rechtbank is op basis van de daderinformatie ( [auto] , trouwfoto’s en buit) die tijdens deze gesprekken door de verschillende verdachten wordt genoemd, in combinatie met de informatie uit de aangifte, het feit dat [verdachte] zelf vertelt te hebben ingebroken, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] , [medeverdachte 1 ] , [medeverdachte 2 ] en [medeverdachte 3] deze inbraak hebben gepleegd. Ook hierbij weegt wederom mee dat ondanks dat de inhoud van de opgenomen gesprekken om een uitleg vraagt, geen van de verdachten een (aannemelijke) verklaring heeft afgelegd. Zaak 2.41 [adres] te Honselersdijk Op 15 december 2013 tussen 18:40 uur en 20.30 uur heeft in de vrijstaande woning aan [adres] in Honselersdijk een inbraak plaatsgevonden. [aangever] heeft verklaard dat de daders de woning zijn binnengekomen via het uitzetraam van de woonkamer aan de achterzijde van de woning dat met behulp van een breekijzer is opengebroken. In nagenoeg elke ruimte van de woning zijn de kasten en lades doorzogd. De laders zijn leeggehaald en de daders hebben een enorme puinhoop in de woning achtergelaten. Weggenomen zijn onder meer 2 zilverkleurige dameshorloges, geld (meerdere enveloppen van Rabo en ING met 5.000 euro), antieke koperen bel, gouden ring met hematiet steen en 20 overschrijvingsformulieren van de Rabobank. Op 15 december 2013 zijn in de auto met [kenteken] gesprekken opgenomen. Door [verbalisant ] zijn de stemmen van [medeverdachte 5] , [verdachte] , [medeverdachte 1 ] en [medeverdachte 2 ] herkend. De stemherkenning wordt (deels) ondersteund doordat de deenemers aan het gesprek door elkaar worden aangesproken bij hun (bij)namen. Tijdens het gesprek is te horen hoe de inbraak wordt voorbereid ( [medeverdachte 1 ] deelt handschoenen uit) , dat ze een koevoet pakken, dat [medeverdachte 5] en [medeverdachte 2 ] in de auto wachten en bespreken dat ze met een koevoet naar binnen zijn gegaan, dat het om een villa gaat, en dat ze rond 19.30 uur klaar zijn en dat er telefonisch contact is tussen [medeverdachte 1 ] en [medeverdachte 5] en later ook [medeverdachte 2 ] om ze weer op te halen. Als ze weer in de auto zitten vertellen [verdachte] en [medeverdachte 1 ] hoe het is gegaan en wat de buit is: twee lepeltjes, enveloppen met geld (in een Rabobankding), goud, ringen, en dat het om oude mensen ging en dat [medeverdachte 1 ] zijn jas heeft gescheurd. Bij de doorzoeking van de woning van [medeverdachte 1 ] is in de kledingkast in zijn slaapkamer een jas aangetroffen met daarin een scheur. Uit onderzoek naar de bakengegevens van de auto met [kenteken] is gebleken dat de auto op 15 december 2013 tussen 18:39 uur en 19:35 uur zich in de directe en nabije omgeving van de woning aan [adres] in Honselersdijk bevond

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.