RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht zaaknummer: AWB 16 / 7451 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 mei 2016 in de zaak tussen [eiseres] , eiseres (gemachtigde: mr. A. Habib-Portier), en de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder (gemachtigde: mr. J. Raaijmakers). Procesverloop Bij besluit van 11 april 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) niet in behandeling genomen. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 april
(2)of the Dublin Regulation III with regards to an effective remedy, concerns also stem from the status of the individual, who is regarded as a subsequent applicant and required to bring forth new evidence to the protection claim. Detention is likely to last a significant period of time in these cases given that release is often conditional upon evidence of a place of residence. Indeed, release of subsequent applicants is highly unlikely since these applicants are not entitled to reception provided by the State during the admissibility assessment. De rechtbank is van oordeel dat in voormelde passage geen grondslag kan worden gevonden voor het standpunt van eiseres dat haar asielprocedure in Bulgarije is beëindigd. Verweerder heeft er in dit verband terecht op gewezen dat de Bulgaarse autoriteiten het ten behoeve van eiseres ingediende claimverzoek uitdrukkelijk hebben gehonoreerd op grond van artikel 18, eerste lid, onder b, van de Dublinverordening, een acceptatiegrond die specifiek ziet op vreemdelingen waarvan een asielverzoek in behandeling is. Gelet hierop mag verweerder er van uitgaan dat het (eerste) asielverzoek van eiseres in Bulgarije nog in behandeling is en dit niet als ingetrokken wordt beschouwd. Daarbij heeft verweerder op zitting niet althans onvoldoende bestreden gesteld dat Bulgarije, evenals andere Dublinlanden, de juistheid van de claimgrondslag toetst, zodat er daadwerkelijk ook van mag worden uitgegaan dat sprake is van een in behandeling zijnde aanvraag. In de omstandigheid dat de autoriteiten binnen de in onder punt 13 van voormelde onderzoeksnotitie relevant geachte termijn van drie maanden na het vertrek van eiseres uit Bulgarije hebben laten weten dat zij akkoord zijn met de terugname van eiseres, ziet de rechtbank een bevestiging van haar oordeel dat geen sprake is van aanknopingspunten dat de asielprocedure van eiseres in Bulgarije is beëindigd. Nu de (eerste) asielaanvraag van eiseres geacht moet worden nog in behandeling te zijn, kan hetgeen in voormelde onderzoeksnotitie is vermeld over de situatie waarin vreemdelingen komen te verkeren na een hernieuwde inbehandelingname van de aanvraag, buiten beschouwing blijven. Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook niet gebleken dat eiseres bij terugkeer heeft te vrezen voor een asielprocedure die ernstige gebreken vertoont, voor zover de in de onderzoeksnotitie vermelde situatie al als zodanig kan worden aangemerkt.
- De rechtbank is vervolgens van oordeel dat verweerder kan worden gevolgd in zijn standpunt dat ten aanzien van Bulgarije voor wat betreft de opvangfaciliteiten en voorzieningen nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan en dat Bulgarije op die punten zijn verdragsverplichtingen nakomt. Uit de door eiseres overgelegde stukken, voor zover die zien op Dublinclaimanten, blijkt weliswaar dat de opvangfaciliteiten en voorzieningen in Bulgarije (op onderdelen) tekort schieten en verbetering behoeven, de conclusie dat de situatie voor claimanten in Bulgarije op die punten in zijn algemeenheid ernstige gebreken vertoont waardoor na overdracht een met artikel 3 van het EVRM strijdige situatie zal ontstaan, kan hieruit niet worden getrokken. Zo volgt uit het UNHCR-rapport van april 2014 dat in het algemeen de situatie in de (gerenoveerde) asielcentra sterk verbeterd is. Asielzoekers hebben toegang tot medische zorg en ontvangen van overheidswege maaltijden en een uitkering. Het registratie-, aanmeld- en beslisproces is verbeterd. Naar aanleiding van die bevindingen trok de UNHCR haar oproep van januari 2014 om overdrachten naar Bulgarije op te schorten in en sindsdien is in dat standpunt geen wijziging gekomen. Voormeld UNHCR-standpunt maakt een voorbehoud voor bijzondere kwetsbare vreemdelingen. Naar aanleiding van dit standpunt heeft verweerder op 15 mei 2014 een brief aan de Tweede Kamer geschreven waarin is vermeld dat er bij de beslissing een vreemdeling aan Bulgarije over te dragen bijzondere aandacht zal zijn voor kwetsbare asielzoekers. Het gaat, aldus verweerder, dan (bijvoorbeeld) om zwangere vrouwen, gezinnen met zeer jonge kinderen en personen met ernstige ziekten. Eiseres kan, naar het oordeel van de rechtbank, als alleenstaande Iraakse vrouw, niet worden aangemerkt als een bijzonder kwetsbare asielzoeker. Haar beroep op verweerders brief van 15 mei 2014 faalt dan ook. Voor zover de stukken betrekking hebben op zogenoemde “push-backs” en andere incidenten bij de Bulgaarse grens met Turkije heeft verweerder niet ten onrechte het standpunt ingenomen dat die situatie niet ziet op Dublinclaimanten zoals eiseres. Dat de verwachting is dat de instroom van asielzoekers in Bulgarije (aanzienlijk) zal toenemen en niet duidelijk is welke invloed dit heeft op de asielprocedure en de opvangvoorzieningen, zoals aan de orde in diverse door eiseres overgelegde stukken, vormt, naar het oordeel van de rechtbank, onvoldoende grond om (op voorhand) systeemgerelateerde tekortkomingen aan te nemen. Verweerder heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat niet blijkt dat eiseres bij overdracht een reëel risico op een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling loopt.
- Hetgeen eiseres gedurende haar verblijf in Bulgarije stelt te hebben meegemaakt, vormt, nog daargelaten dat een onderbouwing achterwege is gebleven, geen aanleiding om in weerwil van het vorenstaande niet langer uit te gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dat eiseres na aankomst in Bulgarije gedurende negen dagen in detentie zou hebben gezeten, betekent op zichzelf nog niet dat zij aldaar een reëel risico zal lopen op een onmenselijke of vernederende behandeling. Van een onrechtmatige of een met internationale verdragen strijdige gevangenschap is immers niet gebleken. In het reizen met een vals visum van Turkije naar Bulgarije, een omstandigheid die zich bij terugkeer niet zal voordoen, kan een reden voor de detentie zijn gelegen. De verklaring van eiseres dat zij niets heeft gegeten tijdens die detentie is op zichzelf niet relevant. Relevant zou slechts kunnen zijn dat eiseres gedurende die tijd geen voeding is aangeboden, hetgeen eiseres niet heeft verklaard. Van belang is voorts dat eiseres na haar verblijf in detentie opvang heeft gekregen. Gesteld noch gebleken is bovendien dat eiseres zich voor problemen in het opvangcentrum of anderszins niet had kunnen wenden tot de (hogere) Bulgaarse autoriteiten.
- Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet blijkt dat eiseres bij overdracht een reëel risico op een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling loopt. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om in navolging van de door eiseres overgelegde uitspraken nader onderzoek door een meervoudige kamer noodzakelijk te achten.
- Het beroep is ongegrond en voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. N.J.J. Derks-Voncken, rechter, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 mei
- griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: 18 mei 2016 Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.