RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Rotterdam Team Bestuursrecht 3 zaaknummer: AWB 16/81 V-nummer: [nummer] uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 januari 2016 in de zaak tussen [eiser], eiser, gemachtigde: mr. M. Wiersma, en de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder, gemachtigde: drs. P.E.G. Heijdanus Meershoek. Procesverloop Eiser heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van de op 7 november 2015 aan hem opgelegde maatregel van bewaring en verzocht om schadevergoeding. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 januari
- Beide partijen zijn verschenen bij gemachtigde. Overwegingen
- Het betoog van eiser dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt, slaagt niet. Uit de door verweerder overgelegde voortgangsgegevens van 19 januari 2016 blijkt dat verweerder op 23 juli 2015 een laissez-passeraanvraag heeft ingediend bij de Marokkaanse autoriteiten. Deze aanvraag is in onderzoek genomen en loopt. Verweerder heeft bij de inbewaringstelling van eiser op 7 november 2015 de aanvraag geactualiseerd. Ter zitting is door verweerder in het kader van zicht op uitzetting medegedeeld dat op 12 januari 2016 door de Marokkaanse autoriteiten een laissez passer is afgegeven ten behoeve van vrijwillige terugkeer en op 11 december 2015 een laissez passer ten behoeve van gedwongen terugkeer. Voorts is door verweerder toegelicht dat op 14 januari 2016 een kennismakingsgesprek met de nieuwe consul in Rotterdam heeft plaatsgevonden. In dit gesprek heeft het Marokkaanse consulaat te Rotterdam toegezegd de presentaties in persoon bij het consulaat in februari 2016 te hervatten. Verweerder is met betrekking tot de volgorde van de presentaties en de hoeveelheid vreemdelingen die worden gepresenteerd afhankelijk van de Marokkaanse autoriteiten. Daarnaast blijkt uit het vertrekgesprek van 14 januari 2016 dat eiser geen activiteiten heeft ondernomen om aan documenten te komen die zijn identiteit en nationaliteit kunnen onderbouwen. Verweerder heeft zich verder op het standpunt gesteld dat eiser dan wel diens gemachtigde contact op kan nemen met het consulaat met het verzoek om eisers terugkeer te bespoedigen.
- De rechtbank volgt het betoog van eiser, dat verweerder kan volstaan met het opleggen van een lichter middel, niet. Gelet op het onttrekkingsgevaar van eiser, blijkend uit de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregel dan de inbewaringstelling kan worden toegepast. In de stelling van eiser dat zou kunnen worden volstaan met het opleggen van een meldplicht omdat eiser geen antecedenten heeft, medische beperkt is, goed Nederlands spreekt en in het verleden is aangetroffen op het door hem opgegeven adres, heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien om van het opleggen van de maatregel van bewaring af te zien en het risico te aanvaarden dat eiser zich niet meer zal melden zodra de uitzetting daadwerkelijk in zicht zal komen. De rechtbank verwijst hierbij tevens naar hetgeen zij heeft overwogen in haar uitspraak van 1 december 2015 (AWB 15/19801) onder rechtsoverweging 2.
- Niet is gebleken dat voortzetting van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vreemdelingenwet 2000 dan wel, bij afweging van alle daarbij betrokken belangen, ongerechtvaardigd is te achten. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om opheffing van de maatregel te bevelen of wijziging van de tenuitvoerlegging daarvan te gelasten.
- Het beroep is ongegrond.
- Er is geen grond voor schadevergoeding.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.J. Adriaansen, rechter, in aanwezigheid van mr. M.L.F. de Leeuw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 januari
- griffier rechter Afschrift verzonden op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.