vonnis RECHTBANK DEN HAAG Team handel zaaknummer / rolnummer: C/09/495322 / HA ZA 15-998 Vonnis van 25 mei 2016 in de zaak van [eiseres] , gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres, advocaat mr. A.M. Nijboer te Den Haag, tegen DE GEMEENTE KATWIJK, gevestigd te Katwijk, gedaagde, advocaat mr. M.E. Gelpke te Den Haag. Partijen zullen hierna [eiseres] en de Gemeente genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 20 augustus 2015 met producties; de conclusie van antwoord van 25 november 2015 met producties; het tussenvonnis van 30 december 2015 waarbij een comparitie van partijen is gelast; de akte van [eiseres] van 8 april 2016 met productie; de akte van de Gemeente van 8 april 2016 met producties; het proces-verbaal van comparitie van 8 april 2016. 1.2. Het proces-verbaal van de comparitie is buiten aanwezigheid van partijen opgemaakt. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om opmerkingen te maken over het proces-verbaal voor zover het feitelijke onjuistheden betreft. Partijen hebben van deze gelegenheid gebruik gemaakt. De brieven van [eiseres] van 18 april 2016 en van de Gemeente van 19 april 2016 zijn aan het proces-verbaal gehecht en maken onderdeel uit van het procesdossier. 1.3. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. 3 [eiseres] is eigenaar van het kadastrale perceel [plaats] (ZH) [nummer 1] , plaatselijk bekend als [adres] te [plaats] , gelegen in de Gemeente (hierna: het perceel). Het perceel is door water omgeven. Op het perceel heeft [eiseres] in overleg met en na het verkrijgen van een omgevingsvergunning van de Gemeente een kantorencomplex met horecafaciliteiten gerealiseerd (hierna: het kantoorgebouw). Het perceel werd – ook bij de voorgaande agrarische bestemming – ontsloten door een dam met duiker, op een locatie nader aan te duiden als A. Tijdens de bouw van het kantoorgebouw was er daarnaast tijdelijk een ontsluiting op locatie B. 2.2. Op 23 juli 2014 heeft [A] B.V. (hierna: [A] ), door [eiseres] als aannemer ingeschakeld, een omgevingsvergunning aangevraagd bij het college van burgemeester en wethouders (hierna: het college) van de Gemeente voor de bouw van een brug (hierna: de brug) op locatie A, ter vervanging van de dam met duiker. Als projectomschrijving is in de aanvraag (met zaaknummer [nummer 2] ) vermeld: “Het realiseren van een toegangsbrug (i.p.v. een dam) t.b.v. het pand aan op kavel [nummer 1] aan de [straat] te [plaats] in de gemeente Katwijk.” Ter beantwoording van vragen waarvoor het bouwwerk momenteel wordt gebruikt en zal worden gebruikt, is in het aanvraagformulier het volgende opgenomen: “ Op dit moment ligt er een dam om het terrein te ontsluiten. (…) De brug is bedoeld om het terrein te ontsluiten.” In één van de bij de aanvraag behorende constructieberekeningen (bijlage 2 bij de vergunning) is onder meer vermeld: “De brug is geschikt voor fietsers en voetgangers (5kN/m2) en tevens voor gestandaardiseerde dienstvoertuigen en/of strooiwagens voorzien van twee assen, met een maximale aslast van 2,5 ton per as.” In de berekeningen is opgenomen dat de breedte van de te bouwen brug 4,220 meter is. 2.3. Op 15 september 2014 heeft de Gemeente [A] onder meer als volgt bericht: “Wij hebben uw aanvraag beoordeeld en constateren dat de brug wordt aangelegd over de watergang op de plek waar nu een dam met duiker ligt (…). Deze dient om de nieuwe functie van het perceel te ontsluiten. Een brug geniet de voorkeur vanuit de beeldkwaliteit en is goed voor de waterkwaliteit. Verkeerskundig is er echter een bezwaar tegen de locatie van de brug. De nieuwe functie betreft een gebouw met een kantoor- en horecafunctie. Deze nieuwe functies genereren veel meer verkeer dan de oude functie. (…) Het heeft daarom de voorkeur om de ontsluiting van het perceel ter hoogte van locatie B [i.p.v. locatie A] te laten plaatsvinden. (…)” 2.4. De omgevingsvergunning is op 26 september 2014 verleend conform de aanvraag, dus op locatie A, en op 7 november 2014 onherroepelijk geworden. De volgende (deels hierboven geciteerde) documenten maken onderdeel uit van de vergunning: het aanvraagformulier, de tekening van de brug, de sondering, en twee constructieberekeningen. 2.5. In de omgevingsvergunning is onder meer vermeld: “Op 23 juli 2014 hebben wij uw aanvraag om een omgevingsvergunning ontvangen voor het realiseren van een toegangsbrug op het perceel [adres] in [plaats] .” In bijlage I bij de omgevingsvergunning is onder meer het volgende opgenomen: “2.1 Bouwbesluit De aanvraag en de daarbij versterkte gegevens en bescheiden zijn getoetst aan en in overeenstemming bevonden met het Bouwbesluit (pag. 3/6) (…) Bestemmingsplan (…) Voor het perceel is een vergunning verleend voor de bouw van een kantoorgebouw. De functie van agrarisch productiegebied is hiermee vervallen. Om het perceel toegankelijk te maken is het gewenst om een goede toegangsweg te maken. Een toegangsbrug past bij de totale inrichting van het gebied en ontmoet ruimtelijk geen bezwaren. De gekozen locatie voor de ontsluiting van het perceel is op een locatie die voorheen werd gebruikt voor toegang naar het vroegere weiland. Het is ook de meest verkeersveilige locatie voor het ontsluiten van het perceel. Op dit punt rijdt het verkeer langzamer dan aan de andere zijde van het perceel. Vanuit verkeerskundig oogpunt hebben wij daarom geen bezwaar. (op pag.5/6)” 2.6. De brug is conform de verleende vergunning gebouwd en was eind november 2014 gereed. Bij de brug is een verbodsbord geplaatst waaruit volgt dat het verboden is om de brug te betreden met voertuigen waarvan de aslast hoger is dan 2,5 ton. 2.7. Op 28 november 2014 berichtte de heer [B] van de Gemeente per e-mail aan [e-mailadres] (de aannemer van het kantoorgebouw van [eiseres] ): “Hierbij het artikel uit het bouwbesluit inzake bereikbaarheid van het gebouw [X] . Ik verzoek je met spoed de toegankelijkheid van het terrein te waarborgen zodat wordt voldaan aan de eisen van het onderhavige artikel. Ik wijs je er op de tijdelijke ontsluiting op termijn dient te worden opgeheven.” [met tijdelijke ontsluiting wordt locatie B bedoeld, rechtbank] Het bijgevoegde artikel 6:37 van het Bouwbesluit 2012 (hierna: het Bouwbesluit) ziet op de bereikbaarheid van een bouwwerk voor hulpdiensten en luidt, voor zover hier van belang: “ Artikel 6.37 Bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten 1. Tussen de openbare weg en ten minste een toegang van het bouwwerk voor het verblijven van personen ligt een verbindingsweg die geschikt is voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten. (…) 3. Tenzij het bestemmingsplan of een gemeentelijke verordening anderszins bepaalt heeft een verbindingsweg als bedoeld in het eerste lid: een breedte van ten minste 4,5 meter; een verharding over een breedte van ten minste 3,25 meter, die geschikt is voor motorvoertuigen met een massa van ten minste 14,600 kilogram; (…)” 2.8. Op 3 december 2014 heeft de Gemeente telefonisch geïnformeerd bij [eiseres] of de brug een gewicht van 14.600 kilogram kan dragen. [eiseres] heeft in antwoord hierop dezelfde dag een herberekening toegezonden waarin is vermeld dat bij belasting van de brug met een incidenteel maximaal voertuiggewicht van 14.600 kg geen problemen te verwachten zijn, maar dat bij regelmatige belasting met dat gewicht de brug zal bezwijken ten gevolge van vermoeiing. 2.9. Per e-mail van 11 maart 2015 heeft de Gemeente bericht dat de toegangsbrug tot het kantoorgebouw niet voldoet aan de eisen van het Bouwbesluit en gevraagd om een gesprek om na te gaan of een oplossing kon worden gevonden. [eiseres] heeft daarop, onder verwijzing naar de toegezonden draagkrachtberekening, bericht dat haars inziens geen sprake is van een met het Bouwbesluit strijdige situatie. 2.10. Op 5 juni 2015 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen [eiseres] en de Gemeente. Hetgeen daar is besproken, is door de Gemeente per aangetekende brief van 24 juni 2015 (verzonden op 26 juni), getiteld “Sluiten handhavingsdossier toegangsbrug”, bevestigd aan [eiseres] : “ Als verbindingsweg tussen uw kantoorgebouw en de [straat] heeft u met een omgevingsvergunning een toegangsbrug gerealiseerd. (…) Omgevingsvergunning verleend in strijd met het Bouwbesluit 2012 Op 23 juli 2014 hebben wij uw aanvraag voor het realiseren van een toegangsbrug naar het kantoorgebouw op het perceel [adres] te [plaats] ZH ontvangen. Het rapport “Berekening en ontwerp” d.d. 9 juli 2014, gewijzigd d.d. 14 juli 2014, is bij de aanvraag verstrekt. Hierin staat beschreven dat de constructie een maximale veranderlijke belasting door een dienstvoertuig aankan van 50 kN bij twee assen; elk 25 kN (ci. 2.500 kilogram). Volgens artikel 6.35, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012 dient een bouwwerk zodanig bereikbaar voor hulpverleningsdiensten te zijn dat tijdig bluswerkzaamheden kunnen worden uitgevoerd en hulpverlening kan worden geboden. Volgens artikel 6.35, tweede lid, van het Bouwbesluit 2012 is artikel 6.37 van toepassing op gebouwen met een kantoorfunctie. Volgens artikel 6.37, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012 dient tussen de openbare weg en de toegang van een kantoorgebouw een verbindingsweg te liggen die geschikt is voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten. Volgens artikel 6.37, derde lid, aanhef en onder b, van het Bouwbesluit 2012 dient die toegangsweg geschikt te zijn voor motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kilogram. Op grond van artikel 2.10 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht moeten wij een aanvraag voor een omgevingsvergunning weigeren als sprake is van strijd met het bouwbesluit. Met ons besluit van 26 september 2014 (…) hebben wij een omgevingsvergunning voor deze toegangsbrug verleend conform de aanvraag. Wij hebben daarbij miskend dat dit een toegangsbrug conform artikel 6.35 in samenhang met artikel 6.37 van het Bouwbesluit is . De vergunde toegangsbrug is inmiddels door u gerealiseerd. (…) Het intrekken of wijzigen van een verleende omgevingsvergunning is slechts in een beperkt aantal situaties mogelijk. Deze zijn in uw geval niet aan de orde. Concreet betekent dit dat wij geen mogelijkheid hebben tot handhaving (…) over te gaan. Wij hopen u met het gesprek en deze brief voldoende te hebben geïnformeerd over de situatie en de mogelijke gevolgen daarvan mocht zich een calamiteit voordoen. Wij sluiten hierbij dan ook het handhavingsdossier. (…)” [onderstreping toegevoegd door rechtbank] Als bijlage bij deze brief is gevoegd een brief van (de afdeling Risicobeheersing van) de brandweer Hollands Midden van 22 juni 2015, die op verzoek van de Gemeente de gevolgen van de situatie heeft beschreven. Daarin staat, kort gezegd, dat de brug niet voldoet aan artikel 6:37 Bouwbesluit, met als consequentie dat de brandweer het kantoorgebouw niet met voertuigen kan bereiken en dat ook de primaire bluswatervoorziening gelegen op het perceel, niet bereikbaar is voor brandweervoertuigen. Dit leidt tot tijdverlies, hetgeen onder meer gevolgen kan hebben voor de veiligheid van in het gebouw aanwezige personen en van het brandweerpersoneel. 2.11. 3 [eiseres] heeft de Gemeente daarop, bij brief van 7 juli 2015, aansprakelijk gesteld voor alle schade die zij heeft geleden en nog zal lijden ten gevolge van de onjuist verleende vergunning, onder gelijktijdige toezending van een tweetal nieuwe berekeningen van [A] over de draagkracht van de brug. Die aansprakelijkheid is door de Gemeente, bij brief van haar verzekeraar van 3 augustus 2015, van de hand gewezen. Op 4 augustus 2015 heeft de burgemeester met [eiseres] gesproken en toegezegd naar een oplossing te zullen zoeken. 2.12. De dagvaarding in deze procedure is op 20 augustus 2015 aan de Gemeente betekend. 2.13. Bij aangetekende brief van 1 maart 2016 (verzonden op 2 maart 2016) heeft (het college van) de Gemeente aan [eiseres] een last onder dwangsom opgelegd: “(…) Gewijzigde inzichten Gebleken is dat onderscheid moet worden gemaakt tussen (de omgevingsvergunning voor) de brug en (de omgevingsvergunning voor) het kantoorgebouw. De omgevingsvergunning voor de brug kon niet worden geweigerd en is terecht verleend. (…) Het kantoorgebouw voldoet, als gevolg van het weghalen van de dam met duiker, die was gesitueerd op de plek waar de toegangsbrug is gerealiseerd, niet meer aan het Bouwbesluit 2012. (…) Het vereiste voor een verbindingsweg ten behoeve van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten als bedoeld de artikelen 6.35 en 6.37 van het Bouwbesluit 2012 geldt voor het kantoorgebouw als zodanig. Het kantoorgebouw voldoet thans niet meer aan dat vereiste. Wij hebben de aanvraag omgevingsvergunning voor de brug niet getoetst aan artikel 6.37 van het Bouwbesluit 2012. De onaantastbaarheid van de omgevingsvergunning voor de brug verhindert niet dat het kantoorgebouw niet (langer) voldoet aan de eisen zoals deze volgen uit artikel 6.35 en 6.37 van het Bouwbesluit 2012 (…). Tegen een dergelijke overtreding kunnen en moeten wij handhavend optreden. (…) In dit verband gelasten wij u om binnen vier maanden na verzending van dit besluit een verbindingsweg te realiseren die in overeenstemming is met de eisen zoals deze volgen uit de Woningwet in samenhang met het Bouwbesluit 2012 en in het bijzonder artikel 6.37, derde lid, onderdeel a en b, van het Bouwbesluit 2012. Daarbij vermelden wij dat hiervoor, afhankelijk van de gekozen optie, een of meerdere vergunningen kunnen zijn vereist. Wij adviseren u, indien dit het geval is, deze tijdig aan te vragen. Een eventuele vergunningsprocedure schorst de gestelde termijn niet. (…) Indien de overtreding niet wordt opgeheven, verbeurt u een dwangsom van € 25.000,-- ineens.(…)” 3Het geschil 3.1. 3 [eiseres] vordert – samengevat: Primair: I. te verklaren voor recht dat de brug voldoet aan de vereisten die in het Bouwbesluit worden gesteld; II. te verklaren voor recht dat het standpunt van de Gemeente dat de brug niet toegankelijk is voor hulpverleners onrechtmatig is; III. de Gemeente te bevelen de hulpdiensten te informeren dat de brug voldoet aan het Bouwbesluit en te instrueren om de brug bij calamiteiten te gebruiken, op straffe van een dwangsom; Subsidiair IV. te verklaren voor recht dat de Gemeente onrechtmatig heeft gehandeld door een vergunning voor de brug te verlenen die niet voldoet aan de vereisten van het Bouwbesluit voor de toegankelijkheid van hulpverleners; V. te verklaren voor recht dat de Gemeente aansprakelijk is voor de door [eiseres] geleden en te lijden schade als gevolg van deze onrechtmatige daad; VI. veroordeling van de Gemeente tot voornoemde schade, op te maken bij staat, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 26 september 2014, althans vanaf de dag der dagvaarding; een en ander vermeerderd met buitengerechtelijke incassokosten ter hoogte van € 904, rente en proceskosten, inclusief de nakosten. 3.2. Aan haar primaire vorderingen legt [eiseres] ten grondslag dat de omgevingsvergunning onherroepelijk is en dat de formele rechtskracht derhalve meebrengt dat ervan moet worden uitgegaan dat de inhoud van de vergunning in overeenstemming is met wettelijke voorschriften. Als aanvullende grondslag stelt zij dat de brug voldoet aan de voorschriften van artikel 6.37 Bouwbesluit omdat de brug incidenteel geschikt is voor voertuigen van hulpdiensten met een gewicht van 14.600 kg. Ter onderbouwing heeft zij een aantal berekeningen overgelegd van [A] . [eiseres] legt aan haar subsidiaire vorderingen ten grondslag dat de Gemeente jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld doordat zij, zoals zij heeft erkend, een fout heeft gemaakt bij de verlening van de omgevingsvergunning voor de brug door de regels van het Bouwbesluit die betrekking heb op een verbindingsweg voor hulpverleners niet toe te passen. Op die erkenning kan de Gemeente niet terugkomen. De Gemeente is voor door [eiseres] ten gevolge van de fout geleden en nog te lijden schade aansprakelijk. De Gemeente kan geen beroep doen op de formele rechtskracht ter afweer van haar aansprakelijkheid omdat zij heeft erkend een fout te hebben gemaakt. 3.3. De Gemeente voert verweer. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling Primaire vorderingen: voldoet de brug aan de eisen van het Bouwbesluit? 4.1. In het kader van de primaire vorderingen staat in de eerste plaats ter beoordeling of de brug voldoet aan de vereisten die in het Bouwbesluit worden gesteld. Partijen zijn het er over eens dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord, maar zij verschillen van mening over de betekenis daarvan, te weten over de vraag welke regels van het Bouwbesluit van toepassing zijn op de vergunning voor de brug. [eiseres] stelt dat de brug moet worden aangemerkt als een verbindingsweg voor het kantoorgebouw in de zin van artikel 6.35 juncto 6.37 Bouwbesluit en derhalve moet (worden geacht
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.