Rechtbank DEN HAAG Team belastingrecht zaaknummer: SGR 15/8761 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 mei 2016 in de zaak tussen [eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. J.H. Weermeijer), en de inspecteur van de Belastingdienst/Belastingen, kantoor [kantoorplaats] , verweerder. Procesverloop Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2012 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 10 november 2015 de aanslag gehandhaafd. Eiser heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Eiser heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 april 2016. Namens eiser is verschenen zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door J.A. Harmsen en G. Lodder. Overwegingen Feiten 1. Eiser heeft de Nederlandse nationaliteit en woonde in 2012 in Nederland. Eiser werkte in 2012 in loondienst op een binnenschip binnen de Europese Gemeenschap, voornamelijk in het [locatie] . 2. Eiser heeft in 2012, naar hij in zijn aangifte IB/PVV over dat jaar heeft vermeld, achtereenvolgens op de loonlijst gestaan van [bedrijf 1] te Luxemburg, [bedrijf 2] te Luxemburg en [bedrijf 3] te Duitsland. 3. Eiser heeft voor het jaar 2012 aangifte IB/PVV gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 36.733. In de aangifte is het voor het hele jaar verzocht om vrijstelling van de premieheffing volksverzekeringen. 4. Bij de aanslagregeling is de gevraagde vrijstelling niet verleend. Eiser heeft, met dagtekening 22 juli 2015, tegen de aanslag IB/PVV 2012 een bezwaarschrift ingediend. Bij e-mailbericht van 2 september 2015 heeft eiser voorts het standpunt ingenomen dat hij in aanmerking komt voor een aftrek ter voorkoming van dubbele belasting. 5. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 10 november 2015 het bezwaar gegrond verklaard en de verzochte vrijstelling van premieheffing volksverzekeringen alsnog verleend. De gevraagde aftrek ter voorkoming van dubbele belasting is niet verleend. Geschil 6. In geschil is of eiser recht heeft op aftrek ter voorkoming van dubbele belasting. 7. Eiser neemt het standpunt in dat verweerder op basis van artikel 15 van het belastingverdrag tussen Nederland-België geen aanslag inkomstenbelasting mag opleggen. Tevens stelt eiser dat verweerder geen uitspraak heeft gedaan op zijn verzoek om een vergoeding van kosten voor de juridische bijstand in de bezwaarfase. Hij verzoekt hierbij om een integrale proceskostenvergoeding. 8. Verweerder neemt het standpunt in dat eiser niet in aanmerking komt voor een aftrek ter voorkoming van dubbele belasting en evenmin recht heeft op een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase. Beoordeling van het geschil 9. Het verdrag ter voorkoming van dubbele belastingheffing gesloten tussen Nederland en België (Verdrag Nederland-België) luidt - voor zover hier van belang - als volgt: Artikel 15. Niet-zelfstandige beroepen (…) (…) Niettegenstaande de voorgaande bepalingen van dit artikel is de beloningverkregen ter zake van een dienstbetrekking uitgeoefend aan boord van een schip, binnenschip of luchtvaartuig, slechts belastbaar in de verdragsluitende Staat waar de plaats van de werkelijke leiding is gelegen van de onderneming die dat schip, binnenschip of luchtvaartuig exploiteert. 10. Het verdrag ter voorkoming van dubbele belastingheffing gesloten tussen Nederland en Luxemburg (Verdrag Nederland-Luxemburg) luidt - voor zover hier van belang - als volgt: Artikel 16. Niet-zelfstandige arbeid (…) (…) Niettegenstaande de voorgaande bepalingen van dit artikel is de beloning genoten door een inwoner van een van de Staten ter zake van een dienstbetrekking, uitgeoefend aan boord van een schip of luchtvaartuig in internationaal verkeer, of aan boord van een schip dat dient voor het vervoer in de binnenwateren, slechts in die Staat belastbaar. 11. Het verdrag ter voorkoming van dubbele belastingheffing gesloten tussen Nederland en Duitsland (Verdrag Nederland-Duitsland) luidt - voor zover hier van belang - als volgt: Artikel 10 Niet-zelfstandige arbeid (…) (…) Indien een natuurlijk persoon voortdurend of overwegend aan boord van schepen of luchtvaartuigen van een scheepvaart- of luchtvaartonderneming diensten verricht, wordt de arbeid geacht te zijn uitgeoefend in de Staat, waar de plaats van de leiding van de onderneming zich bevindt. Zolang deze Staat de inkomsten uit zodanige arbeid niet belast, heeft de woonstaat het recht tot belastingheffing voor deze inkomsten. 12. Artikel 1, onder c, van de Overeenkomst krachtens artikel 16, eerste lid, van verordening (EG) 883/2004 betreffende de vaststelling van de op rijnvarenden toepasselijke wetgeving 883/2004 (de Overeenkomst) luidt als volgt: “Voor de toepassing van deze overeenkomsta) (…)
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.