Rechtbank den haag Team Handel - voorzieningenrechter zaak- / rolnummer: C/09/507370 / KG ZA 16/336 Vonnis in kort geding van 2 juni 2016 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Base Consultancy B.V., gevestigd en kantoorhoudende te Den Haag, eiseres, advocaat mr. A.C.M. Fischer-Braams te Rijswijk, tegen: de publiekrechtelijke rechtspersoon de Staat der Nederlanden, Ministerie van Binnenlandse Zaken, Rijksvastgoed-bedrijf, gevestigd te Den Haag, gedaagde, advocaat mr. A.L.M. de Graaf te Den Haag, waarin zich heeft gevoegd: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Eurosafe Solutions B.V. gevestigd te Zwolle, advocaat mr. J.F. van Nouhuys te Rotterdam. Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘Base’, ‘ het RVB’ en ‘Eurosafe’. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding met daarbij en nadien overgelegde producties; - de door het RVB overgelegde producties; - de incidentele conclusie tot voeging, met producties; - de op 19 mei 2016 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door alle partijen pleitnotities zijn overgelegd. 1.2. Ter zitting is vonnis bepaald op heden. 1.3. In de in deze procedure aan de orde zijnde aanbesteding heeft Eurosafe ook zelf een kort geding aanhangig gemaakt (zaak met nummer C/09/507302 / KG ZA 16/327). De mondelinge behandeling in dat kort geding heeft eveneens op 19 mei 2016 plaatsgevonden en ook in die zaak wordt heden vonnis gewezen. 2Het incident tot voeging 2.1. Eurosafe heeft gevorderd zich te mogen voegen aan de zijde van Base. Ter zitting hebben Base en het RVB verklaard geen bezwaar te hebben tegen de voeging. Eurosafe is vervolgens toegelaten als gevoegde partij, aangezien zij aannemelijk heeft gemaakt dat zij daarbij voldoende belang heeft. Voorts is niet gebleken dat de toewijzing van de gevorderde voeging in de weg staat aan de vereiste spoed bij dit kort geding en de goede procesorde in het algemeen. 3De feiten Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan. 3.1. Het RVB is op 1 juli 2014 ontstaan na een fusie van diverse organisaties, waaronder de Rijksgebouwendienst. 3.2. Het RVB heeft als taak het beheren van de vastgoedportefeuille van de Staat en is verantwoordelijk voor het beheer en onderhoud, waaronder het (op grote hoogte) repareren van daken en schoonmaken van gevels en goten. Voor het werken op hoogte is het noodzakelijk dat valveiligheidsvoorzieningen worden aangebracht. 3.3. In 2010 is de Rijksgebouwendienst met het project “Veilig Werken op Hoogte Tranche I” gestart met tranche I voor het aanbrengen van valveiligheidsvoorzieningen. Base is in tranche 1 dienstverlener. 3.4. In januari 2014 is gestart met de openbare aanbestedingsprocedure voor tranche II, genaamd “Veilig Werken op Hoogte Tranche II” (hierna: de Aanbesteding 2014). De Aanbesteding 2014 bestond uit vijf percelen, ingedeeld naar type Rijksgebouwen. Onderdeel van de werkzaamheden in alle percelen waren de uitvoerende en onderhoudswerkzaamheden, alsmede de voorbereidende engineerings- en constructiewerkzaamheden. Onderdeel van de inschrijving vormde een uitgewerkte casus, met daarin constructieberekeningen (hierna: de casus). 3.5. Een medewerker van Base heeft in de Aanbesteding 2014 geadviseerd over het opstellen van de aanbestedingsdocumentatie. De casus ten behoeve van de Aanbesteding 2014 is gemaakt door twee medewerkers van [X] B.V. (hierna: [X] ). Één van deze twee medewerkers van [X] , alsmede de medewerker van Base zijn tevens betrokken geweest bij de beoordeling van de inschrijvingen in de Aanbesteding 2014. 3.6. De Aanbesteding 2014 is op 24 juli 2014 door het RVB gestaakt, omdat er geen, althans onvoldoende geldige inschrijvingen waren. 3.7. Het RVB is op 12 mei 2015 begonnen met heraanbesteding van tranche II en heeft daartoe een Europese onderhandelingsprocedure met voorafgaande bekendmaking gestart uit hoofdstuk 5 van het Aanbestedingsreglement Werken 2012 (“Veilig Werken op Hoogte 2”, hierna: de Aanbesteding 2015). De Aanbesteding 2015 betreft (evenals de Aanbesteding 2014) het ontwerpen en berekenen en daaropvolgend aanbrengen van valveiligheidsvoorzieningen op de panden die vallen onder tranche II. De Aanbesteding 2015 is onderverdeeld in drie percelen: - perceel 1: het “Denker”-perceel. De werkzaamheden in perceel 1 betreffen het maken van berekeningen en tekeningen voor de aan te brengen valveiligheidsvoorzieningen; - perceel 2 en 3: de “Doener”-percelen. De werkzaamheden in perceel 2 en 3 betreffen het daadwerkelijk realiseren en onderhouden van de valveiligheidsvoorzieningen voor kantoorpanden (perceel 2) en penitentiaire inrichtingen (perceel 3). 3.8. In de Aanbestedingsleidraad van 12 mei 2015 (hierna: de Aanbestedingsleidraad) is, voor zover nu relevant, het volgende opgenomen: “(…) 4.7 Belangenverstrengeling De aanbestedende dienst zal in alle fasen van de aanbestedingsprocedure aan de hand van de gedragscode “zo doen we zaken” als opgenomen in bijlage 3 nagaan of sprake is van belangenverstrengeling en vervolgens de daartoe geëigende stappen ondernemen. De aanbestedende dienst zal een belangstellende/inschrijver van (verdere) deelname uitsluiten als uit de gedragscode belangenverstrengeling volgt dat onder de omstandigheden van het concrete geval deelname niet is toegestaan. Dat is onder meer het geval als een belangstellende/inschrijver aan de zijde van de aanbestedende dienst betrokken is, of is geweest, bij de voorbereiding van de aanbesteding, dan wel die belangstellende/inschrijver zich in verband met de aanbesteding bedient van ondernemingen, adviseurs, medewerkers en andere (rechts)personen die aldus betrokken zijn of zijn geweest. Datzelfde geldt als (rechts)personen uit de groep van die belangstellende/inschrijver een dergelijke betrokkenheid hebben of hadden. De aanbestedende dienst zal een belangstellende/inschrijver niet van (verdere) deelname uitsluiten als uit de gedragscode belangenverstrengeling volgt dat onder de omstandigheden van het concrete geval deelname is toegestaan. Als aan die deelname de voorwaarde is verbonden van een door de aanbestedende dienst goedgekeurd belangenverstrengelingsplan, dan dient het belangenverstrengelingsplan uiterlijk bij de aanmelding/inschrijving ter goedkeuring te zijn aangeboden. De aanbestedende dienst zal een belangstellende/inschrijver evenmin van verdere deelneming uitsluiten als die belangstellende/inschrijver aantoont dat onder de omstandigheden van het concrete geval de mededinging door bedoelde betrokkenheid niet vervalst kan zijn. (…) 8.2 Slotbepalingen (...) Het Rijksvastgoedbedrijf behoudt zich het recht voor de gehele aanbesteding of een deel van de aanbesteding tijdelijk of definitief stop te zetten. Het Rijksvastgoedbedrijf heeft geen verplichting tot selectie, gunning of opdrachtverlening (…) (…)” 3.9. Bijlage drie bij de Aanbestedingsleidraad is de brochure “Zo doen we zaken, Gedragscode belangenverstrengeling Rijksgebouwendienst” (hierna: de gedragscode). In de gedragscode is, voor zover nu relevant, het volgende opgenomen: “(…) Uitgangspunt 6 Een marktpartij die betrokken is bij de inhoudelijke beoordeling van inschrijvingen, of de voorbereiding daarvan, mag nooit zelf inschrijven op dat project. Uitgangspunt 7 Een marktpartij die betrokken is in de pré-aanbesteding mag: a. inschrijven op aanbestedingsprojecten, mits de tijdens zijn betrokkenheid gedeelde informatie valt binnen de categorie 1 (niet-vertrouwelijk) of 2 (vertrouwelijk) en de vertrouwelijke informatie zodanig tijdig is gedeeld met de Rijksgebouwendienst en de overige betrokken marktpartijen, respectievelijk inschrijvers, dat recht wordt gedaan aan de eerder beginselen van gelijke behandeling, non-discriminatie en transparantie; b. nimmer inschrijven, indien de informatie valt binnen de categorie 3 (zeer vertrouwelijk). Uitgangspunt 8 Een marktpartij die met de inzet van een bepaalde persoon betrokken is geweest bij de voorbereiding van de aanbesteding mag niet met inzet van dezelfde persoon inschrijven op de aanbesteding. (…)” 3.10. In de Leidraad voor de Uitnodiging tot inschrijving van 13 juli 2015 (hierna: de Leidraad Uti) is, voor zover nu relevant, het volgende opgenomen: “(…) 3.5 Afbreken van de procedure Het Rijksvastgoedbedrijf behoudt zich het recht voor niet tot gunning over te gaan Het Rijksvastgoedbedrijf kan de aanbestedingsprocedure tussentijds afbreken. (…). (…) 4.2 Procedure inlichtingen/vragen (…) De contactgegevens voor het stellen van vragen zijn in de colofon aan het begin van deze leidraad UTI opgenomen. (…) Het is een deelnemer niet toegestaan met betrekking tot deze leidraad UTI, andere bij of ten behoeve van het Rijksvastgoedbedrijf werkzame personen op enigerlei wijze te benaderen. Overtreding van deze regel kan leiden tot uitsluiting van deelname. (…) 5.1 Inschrijvingsbescheiden (…) De documenten moeten omvatten: 1. Alle documenten die door de beoordelingscommissie beoordeelt worden dienen ingeleverd te worden zonder dat te herleiden is van welke inschrijver het document afkomstig is. 2. Logo’s, bedrijfsnaam of namen van medewerkers in de tekst zijn niet toegestaan, de te beoordelen documenten mogen niet herleidbaar zijn naar de inschrijver. (…) Indien de documenten die door de beoordelingscommissie worden beoordeeld toch herleidbaar zijn naar een inschrijvende partij worden deze als niet ontvangen beschouwd, de inschrijvende partij wordt uitgesloten van verdere deelname aan de aanbesteding. (…) 7 Beoordeling en gunning van de inschrijvingen (…) 7.4 Algemene methode Een beoordelingscommissie zal de kwaliteit van de inschrijvingen beoordelen aan de hand van de in dit hoofdstuk omschreven criteria. De beoordelaars beoordelen eerst de kwaliteit, wanneer deze beoordeling is afgerond worden de prijzen bekend gemaakt om te bepalen welke inschrijver de economisch meest voordelige inschrijving heeft gedaan. (…)” 3.11. In de 3e Nota van Inlichtingen Veilig Werken op Hoogte 2, Gunningsfase, van 2 september 2015 is, voor zover nu relevant, het volgende opgenomen bij vraag en antwoord 12 en 42: - Vraag 12: “In de derde alinea stelt u dat alle ingediende documenten niet mogen worden voorzien van logo’s, bedrijfnaam of namen van mederwerkers, zodat de beoordelingscommissie niet kan herleiden van welke inschrijvende partij de documenten afkomstig zijn. Kan er vanuit worden gegaan dat de afdeling inkoop & contractmanagement op compleetheid van de documenten controleerd en na akkoord de bescheiden selecteert voor de beoordelingscommissie? De bijlages welke ingediend dienen te worden, dienen namelijk volgens een rechtgedige vertegenwoordiger te worden ondertekend. Hierop wordt tevens gevraagd om bedrijfsnamen. Dus valt er d.m.v. de getekende bijlages te herleiden met welke inschrijvende partij de beoordelingscommissie te maken heeft en zou dan in strijd zijn met eerder gestelde. Kunt u hier meer duidelijkheid over geven?” Antwoord: “Het gaat erom dat de beoordelaars op de inhoudelijke stukken onafhankelijk van elkaar een beoordeling kunnen geven, stukken die rechtsgeldig ondertekend dienen te worden mogen wel voorzien zijn van bedrijfsnaam en de rechtgeldige vertegenwoordiger, deze stukken worden niet door de beoordelingscommissie beoordeeld.” - Vraag 42: “U beoordeelt de kwaliteitsplannen op onderscheidend vermogen t.o.v. overige dienstverleners. Enkele punten die wij willen aandragen zijn uniek maar daarmee wellicht herleidbaar. Vraag: hoe moeten wij hiermee omgaan?” Antwoord: “Er mogen geen logo’s, bedrijfsnamen of namen van werknemers (zie UTI art. 5.1) vermeld staan in de tekst. De inschrijver mag niet herleidbaar zijn.” 3.12. Op perceel 1 hebben Base, met als onderaannemer [X] , Grontmij Nederland B.V. (hierna: Grontmij) en een derde partij ingeschreven. Op de percelen 2 en 3 hebben Eurosafe, Dakbedekkingsbedrijf [A] B.V. (hierna: [A] ) en een derde partij ingeschreven. 3.13. Op 5 oktober 2015 heeft een medewerker van het RVB een e-mailbericht verzonden aan een medewerker van Eurosafe met als bijlage het bij de inschrijving op de Aanbesteding 2015 behorende Plan van Aanpak van Eurosafe, waarbij de vraag wordt gesteld: “Is dit het?”. Op deze mail reageert de medewerker van Eurosafe als volgt: “Bel me maar even Dit is een deel” Vervolgens heeft telefonisch contact plaatsgevonden tussen de medewerker van het RVB en de medewerker van Eurosafe. 3.14. Op zondagavond 25 oktober 2015 heeft de onder 3.13 bedoelde medewerker van het RVB inschrijfdocumenten van Eurosafe en [A] met daarin de door hen in de inschrijving opgegeven prijzen vanuit zijn RVB e-mailaccount doorgestuurd naar zijn persoonlijke e-mailadres. Vervolgens heeft deze medewerker de betreffende documenten vanuit zijn persoonlijke e-mailaccount, zonder nadere toelichting, doorgestuurd naar de onder 3.13 bedoelde medewerker van Eurosafe. Daaropvolgend heeft nog telefonisch contact plaatsgevonden tussen de betreffende medewerkers van het RVB en Eurosafe. 3.15. Bij gunningsbeslissing van 29 oktober 2015 heeft het RVB bekend gemaakt dat Base perceel 1 gewonnen heeft en Grontmij tweede is geworden. Eurosafe heeft perceel 2 en 3 gewonnen en komt voor gunning van perceel 2 in aanmerking. [A] is tweede geworden op perceel 2 en 3 en aan haar wordt perceel 3 gegund. 3.16. Grontmij is bij dagvaarding in kort geding van 18 november 2015 opgekomen tegen het voorlopige gunningsvoornemen zoals op 29 oktober 2015 bekend is gemaakt. Naar aanleiding van dit kort geding heeft het RVB bij brief van 22 december 2015 de gunningsbeslissing voor perceel 1 ingetrokken. Daarbij is medegedeeld dat het RVB zich beraadt over de verdere voortgang van de Aanbesteding 2015 en dat, nadat daarover een besluit is genomen, Base in de gelegenheid wordt gesteld daartegen in kort geding op te komen. 3.17. Bij brief van 25 februari 2016 heeft RVB, voor zover nu relevant, als volgt aan Base bericht: “(…) Zoals bekend heeft één van de afgewezen inschrijvers een kort geding tegen deze gunningsbeslissing aanhangig gemaakt en heeft de Staat aanleiding gezien de gunningsbeslissing aan u in te trekken voor nader beraad. In de dagvaarding werd onder meer het standpunt ingenomen dat u zou moeten worden uitgesloten van deelname aan de aanbesteding wegens belangenverstrengeling, althans wegens een ongeoorloofde kennisvoorsprong. Tevens werd in de dagvaarding opgemerkt dat een medewerker u in de beoordelingsfase per e-mail zou hebben gevraagd of het daarbij gevoegde plan van aanpak van u was. (…) In uw incidentele conclusie tot tussenkomst geeft u terecht aan dat u een dergelijke e-mail niet heeft ontvangen. Helaas heeft het Rijksvastgoedbedrijf echter moeten vaststellen dat een dergelijke e-mail wel degelijk door de betreffende medewerker is verstuurd, zij het aan de winnende inschrijver op perceel 2. Volgend op deze e-mail heeft nog telefonisch contact plaatsgevonden tussen de betreffende medewerker en deze inschrijver. Tenslotte is gebleken dat de medewerker vertrouwelijke inschrijfstukken (niet afkomstig uit uw inschrijving) aan de winnende inschrijver op perceel 2 heeft toegezonden in de beoordelingsfase. Het Rijksvastgoedbedrijf heeft passende maatregelen genomen. Het Rijksvastgoedbedrijf heeft zich ook genoodzaakt gezien de gehele aanbesteding nader te onderzoeken, waarbij tevens de vraag is gerezen of continuering van de aanbesteding nog wel aan de orde kan zijn. Bevindingen Opzet en verloop van de aanbestedingsprocedure Voornoemde medewerker heeft niet alleen een grote rol gespeeld bij de beoordeling maar ook bij de opzet en uitvoering van (alle percelen van) de aanbesteding. Reeds bij de marktconsultatie was de medewerker nauw betrokken bij de dialoog die met de markt is gevoerd. Daaropvolgend heeft de medewerker mede de uitvraag van het Rijksvastgoedbedrijf bepaald. Na ontvangst van de inschrijvingen heeft de medewerker een belangrijke rol gehad in de onderhandelingsfase van deze aanbesteding en tenslotte heeft hij de inschrijvingen op alle percelen beoordeeld. Door wat zich heeft voort gedaan in de beoordelingsfase en de grote betrokkenheid van de medewerker in de andere fasen, kan het Rijksvastgoedbedrijf niet langer garanderen dat alle fasen van de aanbesteding transparant en non-discriminatoir zijn verlopen. Een transparante en non-discriminatoire afronding van de aanbesteding kan niet worden gegarandeerd door uitsluitend een herbeoordeling. Hier komt bij dat de evaluatie heeft uitgewezen dat meerdere onzorgvuldigheden in de procedure zijn gebleken. Zo heeft het Rijksvastgoedbedrijf moeten concluderen dat anders dan bekendgemaakt in perceel 1 de uurtarieven die inschrijvers onder P2 moesten opgeven (paragraaf 7.7.1) niet zijn meegenomen bij de bepaling van de economisch meest voordelige inschrijving. Voorts heeft het Rijksvastgoedbedrijf moeten concluderen dat niet eenduidig en conform de bedoelingen van het Rijksvastgoedbedrijf is bekendgemaakt welk gewicht ten aanzien van prijs en kwaliteit zou worden toegepast. (…) Conclusie Op grond van voorgaande bevindingen heeft het Rijksvastgoedbedrijf besloten de aanbesteding (op alle percelen) af te breken en niet tot gunning over te gaan. Daar heeft het Rijksvastgoedbedrijf zich ook uitdrukkelijk het recht toe voorbehouden. (…) Betrokkenheid van Base Consultancy en [X] bij het voortraject Ten overvloede deel ik u mede dat het Rijksvastgoedbedrijf zich lopende het hierboven omschreven traject tevens een oordeel heeft gevormd omtrent het standpunt van Grontmij Nederland B.V. in de dagvaarding van het kort geding. Het Rijksvastgoedbedrijf is van oordeel dat de betrokkenheid van u en uw onderaannemer [X] B.V. bij het voortraject van deze aanbesteding maakt dat inderdaad sprake is van ongeoorloofde voorkennis, waardoor het u mede op basis van de Gedragscode “Zo doen we zaken” niet vrij stond om op deze aanbesteding in te schrijven. Althans, het voortraject waarin u relevante kennis heeft opgedaan, had voor u minstens aanleiding moeten zijn om conform deze Gedragscode een belangenverstrengelingsplan in te dienen en bij het opstellen van de inschrijving en het voeren van de onderhandelingsgesprekken andere personen in te zetten dan betrokken bij het voortraject. (…) Het voorgaande leidt op grond van uitgangspunten 6, 7 en 9 uit de Gedragscode belangenverstrengeling Rijksgebouwendienst “Zo doen we zaken” tot uitsluiting: (…) Uitgangspunt 7: “Een marktpartij die betrokken is in de pré aanbesteding mag: (…) b. nimmer inschrijven indien de informatie valt binnen categorie 3 (zeer vertrouwelijk).” Nb. Dit laatste uitgangspunt verwijst naar de in uitgangspunt 2 opgenomen categorieën informatiestromen. Categorie 3 wordt daarin als volgt aangeduid: “zeer vertrouwelijk: informatiebeveiliging noodzakelijk (bijvoorbeeld beoordeling van inschrijvingen)” (…) Ter zake uitgangspunt 8 merk ik nog op dat u exact dezelfde personen heeft ingezet bij het doen van uw inschrijving en bij de onderhandeling als die voorheen aan tafel zaten bij het Rijksvastgoedbedrijf als adviseur. De nauwe betrokkenheid van personen van Base Consultancy B.V en [X] B.V. in de voorbereiding van deze aanbesteding en de door hen opgedane informatie is niet verenigbaar met hun deelname aan inschrijverszijde. Als de aanbesteding zou worden gecontinueerd kan op basis van het voorgaande niet aan Base Consultancy B.v. worden gegund. Overigens zij daarbij opgemerkt dat onderdeel van het onderzoek binnen het Rijksvastgoedbedrijf is waarom de belangenverstrengeling niet eerder door het Rijksvastgoedbedrijf is opgemerkt en daar niet eerder maatregelen voor zijn genomen. Dit vormt mede reden om niet alleen uw inschrijving ongeldig te verklaren, maar ook om de aanbesteding niet te continueren. (…)” 4Het geschil 4.1. Base vordert – zakelijk weergegeven –: primair: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.