RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 16/177 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 juni 2016 in de zaak tussen [eiser] , te [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. R.A. Wiche), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) (gemachtigde: drs. P.F.G. Hermans). Procesverloop Bij besluit van 25 maart 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder de uitkering die eiser ontving op grond van de Ziektewet (ZW) per 26 april 2015 beëindigd. Bij besluit van 1 december 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Eiser heeft een nadere reactie ingediend. Het beroep is op 10 juni 2016 ter zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1.1. De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiser, voorheen werkzaam als program delivery manager voor gemiddeld 39,85 uren per week, heeft zich op 10 februari 2010 ziek gemeld met rechter schouderklachten als gevolg van een ongeval. Bij de ‘einde wachttijd beoordeling’, na een loonsanctietermijn, is eiser per 6 februari 2013 geschikt geacht voor zijn eigen werk. Eiser ontving aansluitend een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Eiser heeft zich vervolgens op 23 juli 2013 ziek gemeld met toegenomen klachten. Een beoordeling ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) werd niet gedaan. Eiser werd per 17 februari 2014 geaccepteerd in de ZW. Thans is een Amber beoordeling per 23 juli 2013 aan de orde en tevens de eerstejaars ZW beoordeling per 21 juli 2014, wat heeft geleid tot de onder ‘Procesverloop’ genoemde besluitvorming. 1.2. Bij besluit van 24 maart 2015 is aan eiser per 23 juli 2013 na de Amber beoordeling geen uitkering ingevolge de Wet WIA toegekend. Dit besluit is gestoeld op het rapport van de verzekeringsarts van 26 januari 2015 en het rapport van de arbeidsdeskundige van 23 maart 2015. 1.3 De rechtbank stelt vast dat eiser het tegen dit besluit van 24 maart 2015 ingediende bezwaar bij brief van 22 juni 2015 heeft ingetrokken. Derhalve behoeven de gronden voor zover gericht tegen dit besluit geen bespreking. 2. Het bestreden besluit berust op het standpunt dat eiser op 21 juli 2014 meer dan 65 % van het maatmanloon kan verdienen. Om die reden heeft verweerder de ZW-uitkering van eiser met in achtneming van een uitlooptermijn van een maand en een dag na de datum van het primaire besluit, te weten op 26 april 2015 beëindigd. 3. Eiser is het niet eens met dit besluit en voert hiertegen aan dat zijn uitkering niet had mogen worden beëindigd, omdat hij in het kader van de re-integratie onvoldoende is begeleid door het Uwv en voorts heeft er ten onrechte geen deskundigenoordeel plaatsgevonden. Eiser kon op 12 juli 2014 nog niet geschikt geacht worden voor de arbeidsmarkt omdat hij toen een intensief revalidatieprogramma volgde. Tevens is er bij de functieduiding uitgegaan van een onjuist uurloon. Ook is het niet mogelijk dat de functionele mogelijkhedenlijst (FML), zoals geduid op 26 januari 2015, met terugwerkende kracht van toepassing is verklaard. Eiser heeft verder aangevoerd dat de geduide functies niet passend zijn. De functie leerplichtambtenaar is niet geschikt omdat eiser niet kan omgaan met stressvolle werkzaamheden. De functie van arbeidsdeskundige is niet passend in verband met overschrijding van repetitieve handelingen, toetsenbord / muis bediening en reiken. De functie arbeidsdeskundige is evenmin geschikt vanwege de voorkomende conflicten in deze functie. Omdat eiser een beperking heeft in het onderhand gebruik van de arm en het voor hem niet mogelijk is om te schakelen is de functie chauffeur personenbusje niet geschikt. De functie acquisiteur is niet passend omdat met aan die functie verbonden werkzaamheden eisers mogelijkheden ten aanzien van reiken worden overschreden. Tevens is de functie leidinggevende archivaris, bibliothecaris niet geschikt in verband met het reiken, kortcyclisch buigen en torderen. 4.1. Op grond van artikel 19aa ZW, voor zover hier van belang, heeft de verzekerde die geen werkgever heeft jegens wie hij, bij ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte recht heeft op loon, nadat na de eerste dag van de ongeschiktheid tot werken een tijdvak van 52 weken van ongeschiktheid tot werken is verstreken, recht op ziekengeld indien de verzekerde: a. ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid, als bedoeld in artikel 19 en b. als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. 4.2. Op grond van artikel 19ab ZW, voor zover hier van belang, wordt het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen, als bedoeld in artikel 19aa, vastgesteld op basis van een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. 5.1. In het kader van de eerstejaars ZW-beoordeling is eiser uitgenodigd voor het spreekuur op 30 september 2014 bij de (primaire) verzekeringsarts waar hij zowel lichamelijk als psychisch is onderzocht. De (primaire) verzekeringsarts heeft tevens dossierstudie verricht en informatie gevraagd bij de behandelend revalidatie-arts. Na bestudering van de medische gegevens en het eigen onderzoek is de (primaire) verzekeringsarts tot de conclusie gekomen dat eiser objectiveerbare beperkingen heeft van de rechter schouder. Hij acht eiser voorts verminderd psychisch belastbaar. Er is geen sprake van een urenbeperking. De (primaire) verzekeringsarts heeft de beperkingen vastgelegd in een FML. 5.2. De verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.