vonnis RECHTBANK DEN HAAG Team handel Zaaknummer / rolnummer: C/09/478659 / HA ZA 14-1346 Vonnis van 27 januari 2016 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid STUWADOORSMAATSCHAPPIJ [X] B.V., gevestigd te Rotterdam, eiseres, advocaat mr. L.J. Becker, tegen de publiekrechtelijke rechtspersoon DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Financiën), zetelend te Den Haag, gedaagde, advocaat mr. J.L. Naves. Partijen zullen hierna [X] en de Staat genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken: - de dagvaarding van 17 november 2014 met producties; - de conclusie van antwoord met producties; - het tussenvonnis waarin een comparitie van partijen is gelast; - het proces-verbaal van de op 28 augustus 2015 gehouden comparitie van partijen en de daarin genoemde stukken; - de bij brieven van 18 en 21 september 2015 door de Staat respectievelijk [X] gemaakte opmerkingen over het buiten aanwezigheid van partijen opgemaakte proces-verbaal van de comparitie; - de akte van [X] ; - de akte van de Staat. 1.2 Tot slot is een datum voor het wijzen van vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. [X] verleent diensten op het gebied van laden en lossen van zeeschepen, op- en overslag van goederen en transport, waaronder de logistieke afhandeling en opslag van alcoholhoudende producten. [X] verzorgt daarbij de accijnsvrije overbrenging van accijnsgoederen naar andere landen met schorsing van de verplichting tot afdracht van accijns, die in dat geval uiteindelijk plaatsvindt in het land van ontvangst. [X] beschikt over een (vergunning voor een) accijnsgoederenplaats (hierna: AGP), een fysiek aangewezen plaats waar de goederen in kwestie mogen worden opgeslagen en afgehandeld. [X] stelt ook de voor een accijnsvrije overbrenging van accijnsgoederen naar een derde land benodigde documenten op, de administratieve geleide documenten (hierna: AGD’s). Bij de AGD’s hoort een derde exemplaar, het zogenoemde terugzendexemplaar dat voorzien van de juiste gegevens, dient te worden geretourneerd aan [X] . Na ontvangst van een juist ingevuld terugzendexemplaar zijn de goederen in Nederland gezuiverd en behoeft geen accijns te worden afgedragen. 2.2. Als zich tijdens het vervoer een onregelmatigheid voordoet, komt de vraag op welke lidstaat bevoegd is de accijns wegens een onttrekking aan de schorsingsregeling te innen. Op grond van de destijds geldende bepalingen uit de Wet op de Accijns werd, wanneer met betrekking tot accijnsgoederen die vanuit een AGP in Nederland onder schorsing van accijns naar een belastingentrepot in een andere lidstaat waren verzonden, op enig moment bleek dat deze goederen niet op de plaats van bestemming waren aangekomen en niet kon worden vastgesteld waar de onregelmatigheid of overtreding is begaan, deze onregelmatigheid of overtreding geacht te zijn begaan in Nederland. Dan was in Nederland accijns verschuldigd door de vergunninghouder ( [X] ) als verantwoordelijke voor een regelmatige afdracht van accijns van de door haar vanuit haar AGP overgebrachte zendingen. 2.3. In 2005 heeft [X] vanuit haar AGP drie zendingen wodka verzonden naar het Verenigd Koninkrijk. Deze worden hierna tezamen aangeduid als: ‘de Britse zendingen’. In 2006 heeft [X] twee zendingen wodka en een zending whisky verzorgd naar Italië. Deze drie zendingen tezamen worden hierna aangeduid als: ‘de Italiaanse zendingen’. [X] heeft de terugzendexemplaren van de AGD’s van deze zendingen terugontvangen. Deze waren bij ‘naam van de ondertekenaar’ voorzien van gegevens van de geadresseerden en bij ‘bevoegde autoriteiten of douanekantoor’ van een stempel met gegevens van de Engelse respectievelijk Italiaanse douaneautoriteiten en een handtekening. 2.4. De douane heeft twee boekenonderzoeken uitgevoerd naar de door [X] in 2005 en in 2006 afgegeven AGD’s. In het daarvan opgemaakte controlerapport d.d. 31 juli 2007 staat dat is komen vast te staan dat de AGD’s van de Britse zendingen waren voorzien van een vals douanestempel en dat de zendingen volgens mededeling van de Engelse douaneautoriteiten niet bij de geadresseerden zijn aangekomen. Het controlerapport d.d. 8 augustus 2007 vermeldt dat de derde exemplaren van de AGD’s van de Italiaanse zendingen vals zijn gestempeld en afgetekend en dat de zendingen volgens mededeling van de Italiaanse douaneautoriteiten evenmin bij de geadresseerden zijn aangekomen. Deze controlerapporten worden hierna tezamen aangeduid als: ‘de controlerapporten’. 2.5. Bij brief van 24 augustus 2007 heeft de inspecteur aangekondigd dat hij naar aanleiding van de controlerapporten naheffingsaanslagen zou opleggen aan [X] . 2.6. [X] heeft in een ongedateerde brief, die de inspecteur op 28 augustus 2007 heeft ontvangen, verzocht om schriftelijke bewijsstukken van de bevindingen, documentatie en informatie over de valsheid van de stempels en/of handtekeningen en informatie over het door de Britse en Italiaanse douane uitgevoerde onderzoek. 2.7. Op 5 september 2007 heeft de inspecteur aan [X] de aangekondigde naheffingsaanslagen accijns van overige alcoholhoudende producten opgelegd van in totaal € 503.248 (hierna: de naheffingsaanslagen). Daarnaast heeft de inspecteur verzuimboetes opgelegd aan [X] . 2.8. In de beslissingen op het door [X] ingestelde bezwaar zijn de naheffingsaanslagen gehandhaafd en zijn de boetes verminderd tot nihil. In de daaropvolgende beroepsprocedure heeft de rechtbank Den Haag het beroep van [X] tegen de beslissingen in bezwaar tegen de boetebeschikkingen gegrond verklaard en deze uitspraken met instandhouding van de rechtsgevolgen vernietigd. Voor het overige is het beroep ongegrond verklaard. Het gerechtshof heeft de uitspraak van de rechtbank bekrachtigd. 2.9. Bij arresten van 12 juli 2013 (ECLI:NL:HR:2013:56 en ECLI:NL:HR:2013:190) heeft de Hoge Raad de cassatieberoepen van [X] gegrond verklaard en de uitspraken van het gerechtshof, de rechtbank – behoudens de beslissingen over het griffierecht en de proceskosten –, de beslissing op bezwaar en de naheffingsaanslagen vernietigd. De Hoge Raad heeft daartoe overwogen – voor zover hier van belang: “3.4.1. Wanneer met betrekking tot accijnsgoederen die vanuit een accijnsgoederenplaats in Nederland onder schorsing van accijns naar een belastingentrepot in een andere lidstaat zijn verzonden, op enig moment blijkt dat deze goederen niet op de plaats van bestemming zijn aangekomen en niet kan worden vastgesteld waar de onregelmatigheid of overtreding is begaan, wordt ingevolge artikel 86a, lid 4, van de Wet (zoals die bepaling destijds gold, toevoeging rechtbank) deze onregelmatigheid of overtreding geacht te zijn begaan in Nederland met als gevolg dat in Nederland accijns is verschuldigd. Dit een en ander lijdt uitzondering indien binnen een termijn van vier maanden, te rekenen vanaf de datum van verzending van de goederen, wordt aangetoond dat de handeling regelmatig was of dat de onregelmatigheid of de overtreding zich heeft voorgedaan in een andere lidstaat dan Nederland. Voormelde wetsbepaling is in overeenstemming met het bepaalde in artikel 20, lid 3, van de Richtlijn waarin is vastgelegd welke lidstaat en wanneer die lidstaat bevoegd is tot invordering van de verschuldigde accijns over te gaan. In het arrest Cipriani heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat artikel 20, lid 3, van de Richtlijn ongeldig is voor zover daarin de gestelde termijn van vier maanden voor het leveren van bewijs wordt tegengeworpen aan een bedrijf dat zekerheid voor de betaling van accijns heeft gesteld, maar niet in staat is geweest om tijdig te vernemen dat geen zuivering van de schorsingsregeling heeft plaatsgevonden. Uit deze verklaring voor recht kan niet anders worden afgeleid dan dat ook in die gevallen blijft gelden dat alvorens ervan kan worden uitgegaan dat de overtreding of onregelmatigheid geacht wordt te zijn begaan in de lidstaat van vertrek en deze laatste bevoegd is tot invordering van accijns over te gaan, het betrokken bedrijf - in overeenstemming met artikel 20, lid 3, van de Richtlijn - gelegenheid moet worden geboden bewijs te leveren dat de handeling regelmatig was of dat de overtreding of de onregelmatigheid daadwerkelijk in een andere lidstaat werd begaan. Aangezien de Richtlijn noch de Wet in die gevallen voorziet in de duur van een termijn, ligt het in de rede daarvoor aansluiting te zoeken bij de wel in artikel 20, lid 3, van de Richtlijn geregelde termijn van vier maanden in gevallen waarin de houder van de accijnsgoederenplaats na verzending van de goederen het terugzendingsexemplaar niet (tijdig) ontvangt. De richtlijngever heeft rekening houdend met de tijd die verstrijkt tussen de dag van verzending van de goederen en de dag waarop de terugzendingsexemplaren zouden moeten zijn ontvangen, kennelijk het oogmerk gehad het bedrijf een termijn van ongeveer twee tot drie maanden te gunnen om het hiervoor bedoelde bewijs te leveren. Alvorens Nederland bevoegd wordt om als lidstaat van vertrek tot invordering van accijns over te gaan, dient de inspecteur een bedrijf dat ervan in kennis wordt gesteld dat de aftekeningen op een terugzendingsexemplaar van het geleidedocument vals of vervalst zijn, daarom alsnog een termijn van vergelijkbare duur te bieden. De hiervoor in 3.2.2 weergegeven oordelen van het Hof geven derhalve blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het middel slaagt in zoverre. 3.4.2 Gelet op hetgeen hiervoor in 3.4.1 is overwogen, kan ’s Hofs uitspraak niet in stand blijven. De middelen behoeven voor het overige geen behandeling. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. Uit de uitspraak van het Hof en de stukken van het geding blijkt dat het tijdsverloop tussen de datum waarop belanghebbende het controlerapport ontving, dat onder meer inhield dat de douanestempels op de terugzendingsexemplaren vervalst waren, en de datum waarop de naheffingsaanslag werd vastgesteld, ongeveer vijf weken heeft bedragen. In het licht van het hiervoor in 3.4.1 overwogene kan niet worden gezegd dat belanghebbende daarmee naar behoren tijd is geboden bewijs te leveren dat de handeling regelmatig was of bewijs te leveren van de plaats waar de onregelmatigheid daadwerkelijk werd begaan. Dit brengt mee dat de Inspecteur op het moment waarop hij de naheffingsaanslag oplegde, daartoe nog niet bevoegd was.” 2.10. [X] , aan wie uitstel van betaling was verleend, heeft de naheffingsaanslagen nooit feitelijk betaald. 3Het geschil 3.1. [X] vordert dat bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis: i.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.