← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2016:7730

Rechtbank DEN HAAG Strafrecht Meervoudige strafkamer Parketnummers: 09/765004-14, 09/765014-14, 09/767057-13, 09/837078-15, 09/754156-12, 09/767052-14, 09/767103-13, 09/767058-13, 09/767129-13. Datum uitspraak: 12 juli 2016 Tegenspraak (Promisvonnis) De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlasteleggingen en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaken van de officieren van justitie tegen de verdachten: [verdachte 1] , geboren op [geboortedag 1] 1969 te [geboorteplaats 1] , [adres 1] , bijgestaan door mr. M.C. Huvers, advocaat te Den Haag; [verdachte 2] , geboren op [geboortedag 2] 1965 te [geboorteplaats 2] , thans uit anderen hoofde gedetineerd in een penitentiaire inrichting (bij de rechtbank bekend), bijgestaan door mr. S.V. Hendriksen, advocaat te Den Haag; [verdachte 3] , geboren op [geboortedag 3] 1971 te [geboorteplaats 3] ,[adres 2] , bijgestaan door mr. A.H.J.G. van Voorthuizen, advocaat te Ede; [verdachte 4] , geboren op [geboortedag 4] 1966 te [geboorteplaats 4] , thans uit anderen hoofde gedetineerd in de penitentiaire inrichting Krimpen aan den IJssel te Krimpen aan den IJssel, bijgestaan door mr. J.J.J. van Rijsbergen, advocaat te Breda; [verdachte 5] , geboren op [geboortedag 5] 1967 te [geboorteplaats 5] ,[adres 3] , bijgestaan door mr. M.R. Kok, advocaat te Rotterdam; [verdachte 6] , geboren op [geboortedag 6] 1986 te [geboorteplaats 6] , thans zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande, bijgestaan door mr. S.C. van Paridon, advocaat te Rotterdam; [verdachte 7] , geboren op [geboortedag 7] 1953 te [geboorteplaats 7] ,[adres 4] , bijgestaan door mr. R. Haze, advocaat te Rotterdam; [verdachte 8] , geboren op [geboortedag 8] 1965 te [geboorteplaats 8] ,[adres 5] , bijgestaan door mr. A.A. Boersma, advocaat te Amsterdam en [verdachte 9] , geboren op [geboortedag 9] 1971 te [geboorteplaats 9] ,[adres 6] , bijgestaan door mr. P.J.W. de Water, advocaat te Den Haag. De verdachten zijn hierna alleen met de achternaam aangeduid. 1De beschuldigingen Wat de verdachten wordt verweten is omschreven in de (deels gewijzigde) tenlasteleggingen, die als bijlagen A1 t/m A9 onderdeel uitmaken van dit vonnis. De beschuldigingen komen kort gezegd op het volgende neer: [verdachte 1] (09/765004-14) 1. medeplegen van) het voorbereiden en/of bevorderen van de productie en verkoop van amfetamine binnen of buiten Nederland; 2. ( medeplegen van) het voorbereiden en/of bevorderen van de productie en verkoop van amfetamine binnen of buiten Nederland; 3. deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. [verdachte 2] (09/765014-14) 1. medeplegen van) het voorbereiden en/of bevorderen van de productie en verkoop van amfetamine binnen of buiten Nederland; 2. voorhanden hebben van 774,3 gram amfetamine; 3. handelen, verkopen en/of vervoeren van 774,3 gram amfetamine; 4. ( medeplegen van) witwassen; 5. ( medeplegen van) valsheid in geschrifte, althans het leveren en/of voorhanden hebben van een vals geschrift. [verdachte 3] (09/767057-13) 1. medeplegen van) het voorbereiden en/of bevorderen van de productie en verkoop van amfetamine binnen of buiten Nederland; 2. ( medeplegen van) gewoonte-, althans witwassen; 3. ( medeplegen van) gewoonte-, althans witwassen; 4. ( medeplegen van) valsheid in geschrifte, althans het leveren en/of voorhanden hebben van een vals geschrift; 5. ( medeplegen van) valsheid in geschrifte, althans het leveren en/of voorhanden hebben van een vals geschrift; 6. ( medeplegen van) valsheid in geschrifte, althans het leveren en/of voorhanden hebben van een vals geschrift; 7. deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. [verdachte 4] (09/837078-15) 1. medeplegen van) het voorbereiden en/of bevorderen van de productie en verkoop van amfetamine binnen of buiten Nederland; 2. ( medeplegen van) het voorbereiden en/of bevorderen van de productie en verkoop van amfetamine binnen of buiten Nederland; 3. ( medeplegen van) valsheid in geschrifte, althans het leveren en/of voorhanden hebben van een vals geschrift; 4. deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. [verdachte 5] (09/754156-12) 1. medeplegen van) het voorbereiden en/of bevorderen van de productie en verkoop van amfetamine binnen of buiten Nederland; 2. ( medeplegen van) het voorbereiden en/of bevorderen van de productie en verkoop van amfetamine binnen of buiten Nederland; 3. ( medeplegen van) het voorbereiden en/of bevorderen van de productie en verkoop van amfetamine binnen of buiten Nederland; 4. ( medeplegen van) het voorbereiden en/of bevorderen van de productie en verkoop van amfetamine binnen of buiten Nederland; 5. ( medeplegen van) gewoonte-, althans witwassen; 6. ( medeplegen van) gewoonte-, althans witwassen; 7. ( medeplegen van) gewoonte-, althans witwassen; 8. ( medeplegen van) valsheid in geschrifte, althans het leveren en/of voorhanden hebben van een vals geschrift; 9. ( medeplegen van) valsheid in geschrifte, althans het leveren en/of voorhanden hebben van een vals geschrift; 10. ( medeplegen van) valsheid in geschrifte, althans het leveren en/of voorhanden hebben van een vals geschrift; 11. ( medeplegen van) valsheid in geschrifte, althans het leveren en/of voorhanden hebben van een vals geschrift; 12. deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. [verdachte 6] (09/767052-14) 1. medeplegen van) het voorbereiden en/of bevorderen van de productie en verkoop van amfetamine binnen of buiten Nederland; 2. ( medeplegen van) het voorbereiden en/of bevorderen van de productie en verkoop van amfetamine binnen of buiten Nederland; 3. ( medeplegen van) het voorbereiden en/of bevorderen van de productie en verkoop van amfetamine binnen of buiten Nederland. [verdachte 7] (09/767103-13) 1. medeplegen van) het voorbereiden en/of bevorderen van de productie en verkoop van amfetamine binnen of buiten Nederland; 2. ( medeplegen van) gewoonte-, althans witwassen; 3. ( medeplegen van) valsheid in geschrifte, althans het leveren en/of voorhanden hebben van een vals geschrift; 4. zonder vergunning het bedrijf van betaaldienstverlener uitoefenen; 5. deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. [verdachte 8] (09/767058-13) 1. medeplegen van) het voorbereiden en/of bevorderen van de productie en verkoop van amfetamine binnen of buiten Nederland; 2. ( medeplegen van) het voorbereiden en/of bevorderen van de productie en verkoop van amfetamine binnen of buiten Nederland; 3. ( medeplegen van) witwassen; 4. ( medeplegen van) valsheid in geschrifte, althans het leveren en/of voorhanden hebben van een vals geschrift; 5. ( medeplegen van) valsheid in geschrifte, althans het leveren en/of voorhanden hebben van een vals geschrift; 6. deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. [verdachte 9] (09/767129-13) 1. medeplegen van) het voorbereiden en/of bevorderen van de productie en verkoop van amfetamine binnen of buiten Nederland; 2. ( medeplegen van) het voorbereiden en/of bevorderen van de productie en verkoop van amfetamine binnen of buiten Nederland; 3. ( medeplegen van) gewoonte-, althans witwassen; 4. deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. 2. Het onderzoek ter terechtzitting 2.1 De behandeling van de zaken De pro forma-zittingen vonden plaats op 10 september 2013 en 18 november 2013 (beide data inzake [verdachte 5] , [verdachte 3] , [verdachte 7] , [verdachte 8] en [verdachte 9] ) en 26 augustus 2015 (in alle zaken). De inhoudelijke behandeling heeft plaatsgevonden op 30 mei 2016: behandeling van zaakdossiers 1A, 1B en 1E; 31 mei 2016: behandeling van zaakdossiers 1C en 1D; 2 juni 2016: behandeling van zaakdossiers 4A, 3A, 3B en 3C; 3 juni 2016: behandeling van zaakdossiers 4B, 4C, 3D en 4D en behandeling van de persoonlijke omstandigheden van [verdachte 2] alsmede het laatste woord van [verdachte 2] ; 6 juni 2016: behandeling van zaakdossiers 2 en 5 en behandeling van de persoonlijke omstandigheden van de overige verdachten; 8 juni 2016: het requisitoir; 9 en 10 juni 2016: de pleidooien; 14 juni 2016: repliek, dupliek en het laatste woord van de overige verdachten; 28 juni 2016: sluiting van het onderzoek ter terechtzitting. De zaken zijn niet gevoegd behandeld. De behandeling vond gelijktijdig plaats. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vorderingen van de officieren van justitie mr. J. Barensen en mr. D.M. van Gosen en van hetgeen door de raadslieden en de ter zitting verschenen verdachten [verdachte 1] , [verdachte 2] , [verdachte 3] , [verdachte 4] , [verdachte 5] , [verdachte 7] en [verdachte 9] naar voren is gebracht. 2.2 De vorderingen van de officieren van justitie De officieren van justitie hebben geconcludeerd tot gedeeltelijke bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten en tot vrijspraak van de overige ten laste gelegde feiten en gevorderd dat aan de verdachten de volgende gevangenisstraffen worden opgelegd, met aftrek van de tijd die zij reeds in voorarrest hebben doorgebracht. In de zaak van [verdachte 1] (09/765004-14) De officieren van justitie hebben geconcludeerd tot bewezenverklaring van de feiten 1 (voor zover dit ziet op 10.000 kilogram APAAN), 2 en 3. Zij vorderen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren. In de zaak van [verdachte 2] (09/765014-14) De officieren van justitie hebben geconcludeerd tot bewezenverklaring van de feiten 2, 4 en 5. Zij vorderen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden. In de zaak van [verdachte 3] (09/767057-13) De officieren van justitie hebben geconcludeerd tot bewezenverklaring van de feiten 1 (voor zover dit ziet op transporten 2 t/m 5), 3 (met uitzondering van de geldstroom rondom de zeefmachine), 4 (voor zover dit ziet op het voorhanden hebben van de stukken die bij hem thuis zijn aangetroffen), 5, 6 en 7. Zij vorderen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren. In de zaak van [verdachte 4] (09/837078-15) De officieren van justitie hebben geconcludeerd tot bewezenverklaring van de feiten 1, 2, 3 (met uitzondering van het gebruikmaken en/of opmaken van de kwitanties) en 4. Zij vorderen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren. In de zaak van [verdachte 5] (09/754156-12) De officieren van justitie hebben geconcludeerd tot bewezenverklaring van de feiten 1 (voor zover dit ziet op transport 1), 2 (voor zover dit ziet op 10.000 kilogram APAAN), 3 (voor zover dit ziet op transporten 1 t/m 4), 4, 5, 6, 7 (voor zover dit ziet op de Mercedes), 8, 9, 10, 11 (voor zover dit ziet op het medeplegen van gebruikmaken van valse stukken) en 12. Zij vorderen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren. In de zaak van [verdachte 6] (09/767052-14) De officieren van justitie hebben geconcludeerd tot bewezenverklaring van de feiten 1 (voor zover dit ziet op transport 1), 2 en 3 (voor zover dit ziet op transport 2). Zij vorderen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren. In de zaak van [verdachte 7] (09/767103-13) De officieren van justitie hebben geconcludeerd tot bewezenverklaring van de feiten 1, 2, 3, 4 en 5. Zij vorderen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren. In de zaak van [verdachte 8] (09/767058-13) De officieren van justitie hebben geconcludeerd tot bewezenverklaring van de feiten 1 (voor zover dit ziet op transporten 2 t/m 7), 4 (met uitzondering van het opmaken van de kwitanties en facturen en het voorhanden hebben van de telkens onder sub 6 en 7 genoemde kwitanties en facturen) en 6. Zij vorderen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren. In de zaak van [verdachte 9] (09/767129-13) De officieren van justitie hebben geconcludeerd tot bewezenverklaring van de feiten 1 (voor zover dit ziet op 10.000 kilogram APAAN), 2, 3 en 4. Zij vorderen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren. 2.3 De standpunten van de verdediging In de zaak [verdachte 1] De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat [verdachte 1] van al de hem ten laste gelegde feiten dient te worden vrijgesproken danwel dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. In de zaak [verdachte 2] De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de feiten 2 en 5. Voorts heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat [verdachte 2] van al de overige hem ten laste gelegde feiten dient te worden vrijgesproken. In de zaak [verdachte 3] De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat [verdachte 3] van al de hem ten laste gelegde feiten dient te worden vrijgesproken. In de zaak [verdachte 4] De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat [verdachte 4] van al de hem ten laste gelegde feiten dient te worden vrijgesproken. In de zaak [verdachte 5] De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank met betrekking tot feit 9. Voorts heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat [verdachte 5] van al de overige hem ten laste gelegde feiten dient te worden vrijgesproken. In de zaak [verdachte 6] De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat [verdachte 6] van al de hem ten laste gelegde feiten dient te worden vrijgesproken. In de zaak [verdachte 7] De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat [verdachte 7] van al de hem ten laste gelegde feiten dient te worden vrijgesproken. In de zaak [verdachte 8] De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank met betrekking tot feit 4 (voor zover dit ziet op het opmaken van de vrachtbrieven/CMR’s). Voorts heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat [verdachte 8] van al de overige hem ten laste gelegde feiten dient te worden vrijgesproken. In de zaak [verdachte 9] De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat [verdachte 9] van al de hem ten laste gelegde feiten dient te worden vrijgesproken. 3. Start van het onderzoek en wijze van behandelen Op 6 september 2011 is er naar aanleiding van meerdere CIE-meldingen, aangaande onder meer [verdachte 5] en [verdachte 9] , door de politie Eenheid Den Haag een onderzoek aangevangen onder de naam 161Bandung. Gelet op de contacten die [verdachte 5] gedurende de onderzoeksperiode onderhield met [verdachte 8] en [verdachte 3] en de omstandigheid dat zowel de verdachten uit onderzoek 161Bandung als [verdachte 8] en [verdachte 3] zich vermoedelijk bezighielden met de import van Alpha-Phenylacetoacetonitril (hierna: APAAN), heeft de Nederlandse justitie besloten om het reeds lopende onderzoek [bedrijf 69] van de Belgische autoriteiten over te nemen. Gedurende het verdere onderzoek is op basis van doorzoekingen en informatie van de belastingdienst het vermoeden ontstaan dat (een deel van) de verdachten zich eveneens schuldig maakte(

  1. n)aan fraude gerelateerde delicten alsmede aan (gewoonte)witwassen. Het onderzoek 161Bandung heeft geresulteerd in een zeer omvangrijk dossier dat is onderverdeeld in meerdere zaakdossiers. De rechtbank zal in het kader van de bewijsvraag achtereenvolgens de volgende onderwerpen behandelen. Allereerst zal zij responderen op namens een of meerdere van de verdachten aangevoerde verweren. Vervolgens zal de rechtbank meerdere algemene overwegingen plaatsen. Hierna zal zij de verschillende zaakdossiers behandelen. De rechtbank zal – gelet op de samenhang tussen bepaalde zaakdossiers – beginnen met een (gedeeltelijk gezamenlijke) behandeling van zaakdossier 3 (betreffende witwassen) en zaakdossier 4 (betreffende valsheid in geschrift). Aansluitend zal de rechtbank zaakdossier 1 (betreffende de invoer van APAAN) en zaakdossier 2 (betreffende het onbevoegd verlenen van financiële diensten) behandelen. Daarna komt in zaakdossier 5 aan de orde of er sprake is geweest van een criminele organisatie en wat de rol van de verschillende verdachten daarin is geweest. De rechtbank zal aan het een en ander conclusies verbinden bij beantwoording van de vraag of hetgeen aan de verschillende verdachten is ten laste gelegd bewezen kan worden verklaard. 4Verweren van de verdediging Ter terechtzitting zijn door verschillende raadslieden verweren gevoerd. Bij een of meer van die verweren hebben anderen zich aangesloten. De rechtbank zal die verweren ten aanzien van alle verdachten, tenzij anders vermeld, bespreken. 4.1 Overname van het Belgische onderzoek [bedrijf 69] Namens [verdachte 4] is aangevoerd dat de documenten uit het Belgische onderzoek [bedrijf 69] zijn overgedragen voor het instellen van strafvervolging tegen [verdachte 3] en [verdachte 8] en dus niet gebruikt kunnen worden tegen andere verdachten. Daartoe heeft de verdediging van [verdachte 4] aangevoerd dat de Belgische autoriteiten niet verzocht hebben de strafvervolging tegen andere verdachten over te nemen en evenmin expliciet toestemming hebben gegeven om bewijsmateriaal uit het onderzoek [bedrijf 69] in de Nederlandse strafprocedure tegen [verdachte 4] te gebruiken. Volgens artikel 39 lid 2 van de Schengen-Uitvoeringsovereenkomst mag van, in het kader van rechtshulp verkregen informatie en bewijsmiddelen, slechts na toestemming van de bevoegde autoriteiten van de aangezochte staat gebruik worden gemaakt voor het bewijs van het ten laste gelegde feit of de ten laste gelegde feiten. De Nederlandse autoriteiten hebben de vervolgingsafspraken, die zijn gemaakt met de Belgische autoriteiten, geschonden door de uit het onderzoek [bedrijf 69] ontvangen informatie eveneens te gebruiken tegen [verdachte 4] . Dit is in strijd met het specialiteitsbeginsel en het vertrouwensbeginsel. De Belgische onderzoeksresultaten dienen te worden uitgesloten van bewijs. De rechtbank overweegt dat het Belgische onderzoek [bedrijf 69] is aangevangen ter zake van het in België invoeren van APAAN door [verdachte 3] en [verdachte 8] . Dit is in België strafbaar gesteld ingevolge artikel 2 bis, 4 en 6 van de wet van 24/02/21 betreffende het verhandelen van de giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen en artikel 51 van het Strafwetboek. Ten tijde van het verzoek tot overname van de strafvervolging ter zake [verdachte 3] en [verdachte 8] was er in België geen strafvervolging tegen [verdachte 4] . Hieruit volgt logischerwijs dat er op dat moment ten aanzien van [verdachte 4] geen overname tot strafvervolging kon worden verzocht. Vervolgens is het volledige onderzoek [bedrijf 69] met toestemming van de bevoegde Belgische justitiële autoriteiten overgenomen door de Nederlandse autoriteiten. Daarmee heeft Nederland de rechtsmacht van België overgenomen en bepaalt Nederland op basis van de eigen regelgeving of de resultaten van de (Belgische) opsporingshandelingen in het inmiddels Nederlandse onderzoek als bewijsmiddel mogen worden gebruikt. In het vervolgonderzoek is er met betrekking tot [verdachte 4] verdere belastende informatie naar voren gekomen. Het vertrouwensbeginsel dat ten grondslag ligt aan het Europees Rechtshulpverdrag houdt in dat men zoveel vertrouwen heeft in elkaars rechtssystemen dat resultaten van strafrechtelijke onderzoeken in alle bij het verdrag aangesloten landen als bewijs kunnen en mogen worden gebruikt, indien die resultaten zijn verkregen met inachtneming van de in die landen geldende regelgeving, zonder dat de rechter in het land waar de strafzaak dient een onderzoek hoeft te doen naar de rechtmatigheid van dat bewijsmateriaal. De rechtbank oordeelt dat de met de Belgische autoriteiten gemaakte vervolgingsafspraken niet zijn geschonden en er geen strijd is met het specialiteitsbeginsel, aangezien er geen sprake is van een uitlevering van [verdachte 4] . Voorts merkt de rechtbank ten overvloede op dat [verdachte 4] geen beroep kan doen op het interstatelijke vertrouwensbeginsel, omdat dit geldt tussen de staten België en Nederland. Voor zover het beroep op het vertrouwensbeginsel impliceert dat sprake is van een flagrante inbreuk op de aan [verdachte 4] ingevolge artikel 6, eerste lid, EVRM toekomende rechten, wordt ook dat verweer verworpen. Er is immers geen sprake geweest van uitlevering van [verdachte 4] . Het verweer wordt verworpen. 4.2 Strafbaarstelling van de stof APAAN Namens [verdachte 3] , [verdachte 5] , [verdachte 6] , [verdachte 7] en [verdachte 8] is – kort gezegd – het verweer gevoerd dat APAAN in de ten laste gelegde perioden geen verboden stof betrof en APAAN dus legaal mocht worden ingevoerd, dat de verdachten geen kennis hadden van de illegale toepassing van APAAN en het invoeren van APAAN derhalve geen strafbare voorbereidingshandeling is in de zin van artikel 10a van de Opiumwet. De rechtbank overweegt als volgt. De stof APAAN, CAS nummer 4468-48-8, is een wit-gelig kristallijn poeder dat wordt vervaardigd uit benzylcyanide. Deze stof werd sinds eind 2010 in grote hoeveelheden (tientallen tonnen) ingevoerd vanuit voornamelijk China en komt of rechtstreeks of via België, danwel Duitsland of diverse andere landen naar Nederland. De rechtbank stelt voorop dat ten tijde van de ten laste gelegde periode APAAN niet voorkwam in de lijst van “geregistreerde stoffen” in de zin van artikel 2, onder a, van Verordering (EG) nr. 273/2004 of artikel 2, onder a, van Verordening (EG) nr. 111/2005, die in de relevante bijlage bij elk van die verordeningen is opgenomen. Bij gebreke van een expliciete vermelding van APAAN in de relevante bijlagen kan APAAN niet worden gekwalificeerd als “geregistreerde stof” of een daarmee gelijkgestelde stof ten tijde van de ten laste gelegde perioden (rechtbank: per 31 december 2013 is de stof wel onder categorie 1 van de geregistreerde stoffen opgenomen). Voorts was APAAN in de onderhavige perioden evenmin opgenomen in lijst I van de Opiumwet. Hieruit volgt dat APAAN in de ten laste gelegde perioden geen verboden stof was. In relatie tot de productie van verdovende middelen is bekend dat APAAN kan worden omgezet in benzylmethylketon (ook genoemd: 1-fenyl-2-propanon, hierna: BMK), dat een belangrijke precursor is voor de vervaardiging van amfetamines. De stof BMK staat wel vermeld op bijlage I van de Verordening nr. 273/2004 en de bijlage behorende bij de Verordening nr. 111/2005 en amfetamine is opgenomen op lijst I van de Opiumwet. De rechtbank stelt vast dat er in het onderzoek 161Bandung sprake is van het telkens invoeren van grote hoeveelheden APAAN variërend van 500 kilogram tot 10.000 kilogram per keer. Voorts stelt de rechtbank vast dat er in Nederland en België nagenoeg geen legale toepassing is voor zowel APAAN als BMK en als dat al zo is, dan gaat het om enkele grammen of in ieder geval ruim minder dan een kilogram per jaar. In geval bij het invoeren en transporteren van dergelijke grote hoeveelheden APAAN noch de daadwerkelijke afnemers noch een legale toepassing kunnen worden vastgesteld, is naar het oordeel van de rechtbank de conclusie gerechtvaardigd dat de ingevoerde partijen bestemd waren voor de vervaardiging van synthetische drugs. Hieruit volgt dat er sprake is van voorwaardelijke opzet ter zake van de ten laste gelegde strafbare voorbereidingshandelingen in de zin van artikel 10a van de Opiumwet. De rechtbank zal bij de bespreking van de afzonderlijke feiten – waar nodig – specifiek ingaan op de waarschijnlijkheid van een bonafide afnemer en/of legale toepassing van de verschillende transporten APAAN en de wetenschap van de verschillende verdachten. 4.3 ( On)mogelijkheid tot het horen van [verdachte 6] Namens [verdachte 5] is aangevoerd dat de verklaringen van [verdachte 6] gelet op hetgeen volgt uit het door het EHRM gewezen Vidgen-arrest niet voor het bewijs kunnen worden gebezigd, aangezien het ondervragingsrecht door de verdediging niet in voldoende mate kon worden uitgeoefend en er onvoldoende steunbewijs aanwezig is voor de betrokkenheid van [verdachte 5] bij de transporten waarover [verdachte 6] heeft verklaard. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat [verdachte 6] ten tijde van zijn verhoor bij de rechter-commissaris ontwijkende antwoorden formuleerde en nieuwe tegenstrijdige verhalen introduceerde als gevolg waarvan er geen behoorlijke ondervraging kon worden opgebouwd. Vervolgens heeft [verdachte 6] de volgende dag geweigerd te verklaren en is hij niet ter terechtzitting verschenen. De raadsman heeft voorts aangevoerd dat er na het verhoor van [verdachte 6] bij de rechter-commissaris nog stukken zijn verspreid door het openbaar ministerie waarover [verdachte 6] derhalve niet ondervraagd kon worden. Het verweer van de raadsman dat de verklaring van [verdachte 6] moet worden uitgesloten van het bewijs wordt verworpen. De zaken waarin het EHRM (en de Hoge Raad, vgl. HR 29 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX5539) heeft uitgemaakt dat de in het opsporingsonderzoek afgelegde (belastende) (getuigen)verklaring van het bewijs dient te worden uitgesloten, omdat de verdediging niet in enig stadium van het geding in de gelegenheid is geweest haar ondervragingsrecht uit te oefenen, betreffen situaties waarin een bewezenverklaring alleen of in beslissende mate ('solely or to a decisive degree') berust op de verklaring van die getuige. Zo’n situatie is in het onderhavige geding niet aan de orde. De door de verdediging gelaakte verklaringen vormen namelijk niet het enige en beslissende bewijs bij de onderhavige transporten van APAAN, zoals blijkt uit de overige voor deze transporten redengevende bewijsmiddelen welke nader aan de orde zullen komen. Daarnaast is [verdachte 6] door de rechter-commissaris, de officieren van justitie, de raadslieden van medeverdachten, alsmede de raadsman van [verdachte 5] (kritisch) ondervraagd. Met betrekking tot de door het openbaar ministerie na het verhoor van [verdachte 6] bij de rechter-commissaris verspreide stukken merkt de rechtbank op dat dit aanvullingen van zaakdossiers betreffen waarvan de inhoud (te weten: de verhoren van [verdachte 6] , [getuige 1] en de door [verdachte 6] verstuurde e-mail) reeds los van de zaakdossiers voor het verhoor bij de rechter-commissaris aan de verdediging was verstrekt. Van schending van de in het Vidgen-arrest omschreven norm is dan, naar het oordeel van de rechtbank, ook geen sprake. 4.4 Betrouwbaarheid van de verklaring van [verdachte 6] Namens [verdachte 4] en [verdachte 5] is aangevoerd dat de verklaringen van [verdachte 6] niet voor het bewijs kunnen worden gebezigd, omdat deze onvoldoende betrouwbaar zijn. [verdachte 6] heeft zijn eigen rol willen reduceren en mogelijk anderen buiten schot willen houden. Daarnaast zijn meerdere elementen van de verklaring van [verdachte 6] aantoonbaar tegenstrijdig. Namens [verdachte 5] is voorts aangevoerd dat de door [verdachte 6] verstuurde e-mail evenmin betrouwbaar en concreet is. De rechtbank volgt dit verweer niet. [verdachte 6] heeft meerdere zeer uitgebreide, gedetailleerde en – niet in de laatste plaats – voor zichzelf belastende verklaringen afgelegd. De rechtbank overweegt dat [verdachte 6] inderdaad niet op alle punten volledig juist heeft verklaard en dat hij er als verdachte zelf belang bij had zijn eigen rol als beperkt te schetsen. De door [verdachte 6] afgelegde verklaringen zijn echter in hoofdlijnen en op essentiële punten consistent, worden op onderdelen bevestigd door de verklaringen van andere verdachten of getuigen en vinden op punten steun in overige bewijsmiddelen in het dossier. Daarbij had [verdachte 6] ten tijde van het afleggen van zijn verklaringen nog geen kennisgenomen van het dossier. Met betrekking tot de door [verdachte 6] verstuurde e-mail overweegt de rechtbank dat deze juist aansluit bij de hoofdlijnen en essentiële punten in de door [verdachte 6] afgelegde verklaringen en dat deze e-mail eveneens wordt bevestigd door overige bewijsmiddelen in het dossier. De rechtbank oordeelt dat de door de verdediging aangevoerde inconsistenties in de verklaringen van [verdachte 6] van onvoldoende gewicht zijn om zijn verklaring en de door hem verstuurde e-mail op voorhand uit te sluiten van het bewijs. Het verweer wordt derhalve verworpen. Wel zal de rechtbank de verklaringen van [verdachte 6] kritisch beoordelen en per onderdeel bezien of de verklaring in voldoende mate wordt ondersteund door de overige bewijsmiddelen in het dossier. 4.5 Betrouwbaarheid van de overige verklaringen Namens meerdere verdachten is aangevoerd dat één of meerdere verklaringen van medeverdachten niet kunnen worden gebezigd als bewijs, omdat deze verklaringen onvoldoende duidelijk, onbetrouwbaar dan wel innerlijk of onderling tegenstrijdig zijn. Namens [verdachte 3] is bepleit dat de verklaringen van [verdachte 2] en [medeverdachte 1] buiten het bewijs moeten worden gelaten, aangezien [verdachte 2] een deel van zijn verklaring ter terechtzitting heeft ingetrokken en hij ‘ter verdediging lukraak op alles om hem heen is gaan schieten’ en aangezien [medeverdachte 1] vaag en niet uit eigen wetenschap heeft verklaard over de betrokkenheid van [verdachte 3] en [verdachte 8] . Namens [verdachte 4] is bepleit dat de verklaring die [medeverdachte 2] bij de rechter-commissaris heeft afgelegd dient te worden uitgesloten als bewijs, aangezien [medeverdachte 2] zelf heeft verklaard dat hij dagelijks morfinepillen gebruikt en hij problemen heeft omtrent zijn geheugen. Daarbij is de door [medeverdachte 2] bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring strijdig met zijn eerdere bij de politie afgelegde verklaringen. Namens [verdachte 5] is bepleit dat de verklaringen van [verdachte 7] niet kunnen dienen als bewijs, aangezien deze in strijd zijn met de verklaringen van [verdachte 8] en [getuige 2] . Namens [verdachte 8] is bepleit dat de verklaringen van [medeverdachte 3] niet kunnen dienen als bewijs, aangezien [medeverdachte 3] zijn verklaringen telkens wijzigt, hij zijn eigen rol wil reduceren en er aan de herkenning van [verdachte 8] door [medeverdachte 3] geen waarde moet worden gehecht. De rechtbank overweegt dat met de verklaringen van medeverdachten in het onderhavige onderzoek behoedzaam moet worden omgegaan, omdat zij er belang bij kunnen hebben hun eigen rol beperkt te schetsen en mogelijk daarom in sommige gevallen belastend hebben verklaard over andere verdachten. De rechtbank stelt echter vast dat de door de raadslieden bestreden verklaringen in meer of mindere mate eveneens belastend zijn voor de medeverdachten zelf die de desbetreffende verklaring hebben afgelegd. Gelet op de omvang van het dossier alsmede op het grote aantal feiten, verdachten en verklaringen, bevreemdt het niet dat de verklaringen van meerdere verdachten zowel onderling als ten opzichte van overige bewijsmiddelen op punten discrepanties vertonen. De rechtbank oordeelt echter dat het enkele feit dat de door de verdediging aangehaalde discrepanties zijn opgetreden nog niet maakt, dat reeds daardoor van de onbetrouwbaarheid van de verklaringen moet worden uitgegaan, met als gevolg dat de verklaringen op voorhand dienen te worden uitgesloten als bewijs. De verweren worden daarom verworpen. Wel brengt het voorgaande met zich dat er bij de bespreking van de afzonderlijke feiten zal moeten worden getoetst aan en aansluiting zal moeten worden gezocht bij de overige bewijsmiddelen. 5Beoordeling van de beschuldigingen 5.1 Inleiding De rechtbank zal alvorens zij op de verschillende zaakdossiers zal ingaan enkele meer omvattende onderwerpen bespreken. 5.1.1. Algemene overweging [adres 7] In het onderzoek 161Bandung wordt een centrale plaats ingenomen door het [adres 7] . Voor meerdere rechtspersonen die in het onderzoek naar voren zijn gekomen, werden op dit adres administratieve werkzaamheden verricht en/of was dit adres een post- of vestigingsadres. Dit waren onder meer [bedrijf 1] B.V. (hierna: [bedrijf 1] ) , [bedrijf 2] , [bedrijf 3] en [bedrijf 4] . [verdachte 4] was daarbij veelvuldig betrokken en hield ook kantoor aan genoemd adres. Verschillende verdachten bleken op verschillende tijdstippen verbonden aan of hadden een belang in één of meerdere van deze rechtspersonen of waren verbonden aan rechtspersonen die op hun beurt weer (zakelijk) contact hadden met één of meerdere van de op dit adres gevestigde of geadministreerde rechtspersonen. Voorts is er (zakelijk) contact met meerdere andere rechtspersonen die in het onderzoek 161Bandung in verband zijn gebracht met de invoer van APAAN, (gewoonte)wiswassen en/of fraude gerelateerde delicten, zoals de in België gevestigde vennootschappen (BVBA’s). Tussen de verschillende op de [adres 7] gevestigde en/of geadministreerde rechtspersonen werden met grote regelmaat (veelal ronde) bedragen overgemaakt. Wat verder opvalt, is dat frequent werd gewisseld van bestuurders en/of aandeelhouders. Hierdoor is niet eenvoudig om transacties op naam van deze rechtspersonen te koppelen aan achterliggende natuurlijke personen. De rechtbank heeft ook de indruk dat dit gevolg bewust werd beoogd: er werd gewerkt met katvangers. Dit wordt ondersteund door de verklaringen van de verdachten die als bestuurder en/of aandeelhouder optraden, aangezien daaruit blijkt dat zij niet goed wisten met wie zij zaken deden, welke zaken zij deden, wie de facturen maakte, wie de verantwoordelijkheid had voor de bankrekeningen en wie uiteindelijk verantwoordelijk was voor het bedrijf in welke periode. Zo werd een rechtspersoon tegen vergoeding wel op naam van een verdachte gezet, maar kreeg hij niet de beschikking over de bankrekening en de administratie, en mocht hij alleen tekenen voor door anderen opgemaakte facturen en/of vrachtbrieven en was er geen betrokkenheid of daadwerkelijk kennis van onderliggende transacties. De rechtbank oordeelt op grond van het voorgaande dat er sprake is van meerdere schimmige bedrijfsconstructies en ziet zich per onderdeel van de verschillende zaakdossiers gesteld voor de vraag of en zo ja, in welke mate de verdachten betrokken waren bij de rechtspersonen en de ten laste gelegde feiten. 5.1.2. Algemene overweging met betrekking tot [bedrijf 5] B.V. Een rechtspersoon die – gelet op de plaats die zij inneemt in het onderzoek 161Bandung – bespreking behoeft, is [bedrijf 5] B.V. (hierna: [bedrijf 5] ) . Zoals bij de behandeling van de zaakdossiers aan de orde komt, is deze rechtspersoon bij meerdere transporten APAAN betrokken als expediteur dan wel consignee. Daarnaast wordt [bedrijf 5] in meerdere zaakdossiers genoemd met betrekking tot witwasdelicten en fraude gerelateerde delicten. Wanneer er wordt gekeken naar de bedrijfsstructuur van [bedrijf 5] , zoals deze blijkt uit stukken van de Kamer van Koophandel, valt op dat deze weinig transparant is. Het is een besloten vennootschap welke is opgericht in 1997. In de periode van juli 1997 tot en met 6 oktober 2009 is [verdachte 7] enig aandeelhouder en directeur. Van 12 juni 2009 tot en met februari 2010 trad [bedrijf 6] als directeur van [bedrijf 5] in functie. Van [bedrijf 6] is [verdachte 7] echter de ‘company director’. Van 2 februari 2010 tot en met 8 februari 2011 was [bedrijf 7] de directeur van [bedrijf 5] . [bedrijf 7] werd op 8 februari 2011 opgeheven. Ook bij dit bedrijf is [verdachte 7] enige tijd directeur geweest. [verdachte 7] heeft wisselend verklaard over zijn rol bij [bedrijf 5] . Zo heeft hij op 4 juni 2013 eerst verklaard dat hij bij [bedrijf 5] in loondienst is als (tekenbevoegde) administratief medewerker. Daarnaast verklaarde [verdachte 7] bestuurder te zijn van de twee limiteds die aandeelhouder waren in [bedrijf 5] (al probeert [verdachte 7] hier naar het schijnt zijn rol kleiner te maken: “Ik ben directeur maar doe eigenlijk niets”). Later heeft [verdachte 7] verklaard dat [bedrijf 5] “van hem is”. [verdachte 7] heeft bovendien aangegeven dat hij nog steeds in [bedrijf 5] zit, hij leiding geeft aan [bedrijf 5] en dat er verder niemand werkt. De rechtbank oordeelt dat [verdachte 7] op grond van het voorgaande dient te worden aangemerkt als de feitelijk leidinggevende van [bedrijf 5] voor de gehele ten laste gelegde periode. De rechtbank merkt verder op dat [bedrijf 5] op haar beurt vanaf 10 maart 2010 de bestuurder is van [bedrijf 8] , een rechtspersoon die eveneens onderwerp is van het onderzoek 161Bandung. Alvorens bij de verschillende zaakdossiers specifiek in te gaan op de rol van [bedrijf 5] stelt de rechtbank in zijn algemeenheid vast dat [bedrijf 5] (met [verdachte 7] als feitelijk leidinggevende) gebruik heeft gemaakt van binnenlandse en buitenlandse rechtspersonen of vennootschappen, waarvan de zeggenschapsstructuur niet transparant is of die qua karakter of inrichting geschikt zijn om de identiteit van de achterliggende belanghebbende te verhullen. Voorts stelt de rechtbank vast dat [verdachte 7] – anders dan gebruikelijk is in het zakelijke verkeer – enkel (omvangrijke) contante betalingen wilde ontvangen van afnemers en dat er in de administratie van [bedrijf 5] geen offertes of correspondentie is aangetroffen, die erop duidden dat er handelsafspraken zijn gemaakt met de geadresseerden. 5.1.2 Algemene overweging met betrekking tot medeplegen De rechtbank overweegt dat voor medeplegen is vereist dat er sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de daders. De intellectuele en/of materiële bijdrage van de verdachte aan het delict moet hierbij van voldoende gewicht zijn. Bij de vorming van haar oordeel kan de rechtbank rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten, het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip en de onderlinge verdeling van de opbrengst. De bijdrage van de medepleger zal in de regel worden geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering van het feit. Indien de verdachte hoofdzakelijk gedragingen na de uitvoering van het strafbare feit heeft verricht, is in uitzonderlijke gevallen medeplegen denkbaar. Maar een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict zal dan wel moeten worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grote(
  2. re)rol in de voorbereiding, terwijl in de bewijsvoering in zulke uitzonderlijke gevallen ook bijzondere aandacht dient te worden besteed aan de vraag of wel zo bewust en nauw is samengewerkt bij het strafbare feit dat van medeplegen kan worden gesproken, in het bijzonder dat en waarom de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is geweest om de kwalificatie medeplegen te rechtvaardigen. Bij de bespreking van de afzonderlijke feiten zal – waar nodig – specifiek worden ingegaan op deze vereisten. 5.2 Zaakdossiers 3 en 4 5.2.1 Algemene overweging met betrekking tot witwassen Het verwijt dat meerdere verdachten in zaakdossier 3 wordt gemaakt betreft het verwerven, voorhanden hebben, overdragen, omzetten en/of gebruik maken van geld en/of goederen, terwijl zij wisten dat deze – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf, en daarvan een gewoonte maken. De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht opgenomen bestanddeel "afkomstig uit enig misdrijf", niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Ook indien van een voorwerp op grond van minder direct gerelateerde feiten en omstandigheden niet kan worden vastgesteld dat dit met legale middelen is verworven, kan bewezen worden geacht dat een voorwerp “uit enig misdrijf” afkomstig is. Van een verdachte die inkomsten heeft verworven of geld en/of voorwerpen voorhanden heeft gehad die niet passen bij zijn (bekende) reguliere bronnen van inkomen en vermogen, mag een concrete, verifieerbare en niet op voorhand als hoogst onwaarschijnlijk aan te merken verklaring worden verwacht. De rechtbank zal bij de beoordeling van de afzonderlijke feiten het navolgende toetsingskader hanteren. Toetsingskader 1. Allereerst dient de rechtbank vast te stellen of de aangedragen feiten en omstandigheden van dien aard zijn, dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. 2. Is dat het geval, dan mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft voor de herkomst van het geld of de goederen. 3. Zodra het door de verdachte geboden tegenwicht daartoe aanleiding geeft, ligt het vervolgens op de weg van het openbaar ministerie om nader onderzoek te doen naar de uit de verklaring van de verdachte blijkende alternatieve herkomst van het geld of de goederen. 4. Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal moeten blijken dat met een voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de geldbedragen en goederen, waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst hebben en dat dus een criminele herkomst als enige aanvaardbare herkomst kan gelden. 5. Als de verdachte, hoewel daarnaar gevraagd, een dergelijke verklaring niet verstrekt, dan wel uit nader onderzoek is gebleken dat die verklaring niet deugdelijk is, kan sprake zijn van witwassen. Ter verduidelijking merkt de rechtbank nog op dat de zaakdossiers 4A en 3A met elkaar in verband staan. Dit geldt eveneens voor de zaakdossiers 4B, 4C en 3D. De zaakdossiers 3B, 3C en 4D behandelen feiten die losstaan van de feiten in de andere zaakdossiers. 5.2.2 Zaakdossier 4A Vermeende valsheden rondom [bedrijf 9] BVBA (hiera: [bedrijf 9] ) en [bedrijf 5] Ten aanzien van [verdachte 3] (feit 4), [verdachte 5] (feit 8), [verdachte 7] (feit 3) en [verdachte 8] (feit 4) en Vermeende valsheden rondom [bedrijf 10] BVBA (hierna: [bedrijf 10] ) en [bedrijf 5] Ten aanzien van [verdachte 4] (feit 3) en [verdachte 7] (feit 3) Uit een analyse van de Rabobankrekening met [rekeningnummer 1] van [bedrijf 5] over de periode 1 oktober 2009 tot en met 31 oktober 2012 blijkt dat de rekening van [bedrijf 5] voor 86% is gevoed met contante stortingen. In 2011 en 2012 werd er voor meer dan € 2 miljoen per jaar gestort. Totaal werd er over de periode van 20 augustus 2009 tot en met 31 oktober 2012 € 4.832.865,-- contant gestort. Sinds de opening van de rekening heeft slechts één persoon de beschikking gehad over de rekening. Het betreft [verdachte 7] . Er zijn geen volmachten verstrekt. Zoals de rechtbank reeds onder 5.1.2 heeft overwogen dient [verdachte 7] voor de gehele ten laste gelegde periode als feitelijk leidinggevende van [bedrijf 5] te worden aangemerkt. Tijdens de doorzoeking op 22 mei 2013 is in het kantoor van [bedrijf 5] een grote hoeveelheid aan facturen, vrachtbrieven (CMR’s), vervoersverklaringen en kwitanties aangetroffen die met elkaar verband houden. De afscheurstroken van kwitanties van contante geldstortingen ten name van diverse bedrijven betroffen onder meer: Bedrijfsnaam Totaalbedrag [bedrijf 11] [bedrijf 10] [bedrijf 9] [bedrijf 12] [bedrijf 13] [bedrijf 14] [bedrijf 15] [bedrijf 16] [bedrijf 17] [bedrijf 18] [bedrijf 19] [bedrijf 20] € 1.995.235,31 € 1.509.258,93 € 1.201.431,67 € 607.133,75 € 484.278,63 € 438.047,63 € 420.617,35 € 412.605,61 € 395.900,57 € 346.665,82 € 323.843,03 € 159.492,33 € 124.678,03 De bij [bedrijf 5] aangetroffen facturen betreffen onder meer: Factuur nr. 201201107 van 14 november 2012 aan [bedrijf 9] ; Factuur nr. 201201105 van 12 november 2012 aan [bedrijf 9] ; Factuur nr. 201201108 van 16 november 2012 aan [bedrijf 9] ; Factuur nr. 201201095 van 31 oktober 2012 aan [bedrijf 9] ; Factuur nr. 20120111 van 21 november 2012 aan [bedrijf 9] ; Factuur nr. 201201076 van 3 september 2012 aan [bedrijf 10] ; Factuur nr. 201201074 van 3 september 2012 aan [bedrijf 10] ; Factuur nr. 201201069 van 2 augustus 2012 aan [bedrijf 10] ; Factuur nr. 201201067 van 27 juli 2012 aan [bedrijf 10] ; Factuur nr. 201201075 van 3 september 2012 aan [bedrijf 10] . De bij [bedrijf 5] aangetroffen kwitanties betreffen onder meer: Kwitantie van 6 november 2011, € 45.698,91 ontvangen van [bedrijf 9] , gestempeld [bedrijf 5] ; Kwitantie van 29 oktober 2012, € 44.196,61 ontvangen van [bedrijf 9] , gestempeld [bedrijf 5] ; Kwitantie van 13 en 19 november 2011, € 52.797,76 ontvangen van [bedrijf 9] , gestempeld [bedrijf 5] ; Kwitantie order 14192 van 22 oktober 2013, € 62.015,19, ontvangen van [bedrijf 9] , gestempeld [bedrijf 5] ; Kwitantie nr. 14222 van 8 november 2012, € 43.415,91, ontvangen van [bedrijf 9] , gestempeld [bedrijf 5] ; Kwitantie nr. 14230 van 7 september 2012, € 48.588,09, ontvangen van [bedrijf 10] , gestempeld [bedrijf 5] ; Kwitantie nr. 14193 van 23 augustus en 3 september 2012, € 47.584,11 ontvangen van [bedrijf 10] , gestempeld [bedrijf 5] ; Kwitantie nr. 14146 van 3 augustus 2012, € 75.048,97 ontvangen van [bedrijf 10] , gestempeld [bedrijf 5] ; Kwitantie nr. 14181 van 30 augustus 2012, € 53.420,36 ontvangen van [bedrijf 10] , gestempeld [bedrijf 5] . De bij [bedrijf 5] aangetroffen CMR’s / vervoersverklaringen betreffen onder meer: CMR van 19 november 2012, voor [bedrijf 9] , gestempeld [bedrijf 5] ; CMR van 15 november 2012, voor [bedrijf 9] , gestempeld [bedrijf 5] ; CMR van 29 november 2012, voor [bedrijf 9] , gestempeld [bedrijf 5] ; CMR van 24 oktober 2012, voor [bedrijf 9] , gestempeld [bedrijf 5] , met vermelding 14192; CMR van 22 november 2012, voor [bedrijf 9] , gestempeld [bedrijf 5] , met vermelding 14222; CMR van 7 september 2012, voor [bedrijf 10] , gestempeld [bedrijf 5] , met vermelding 14230; CMR van 4 september 2012, voor [bedrijf 10] , gestempeld [bedrijf 5] , met vermelding 14193; CMR van 3 augustus 2012, voor [bedrijf 10] , gestempeld [bedrijf 5] , met vermelding 14146; CMR van 10 juli 2012, voor [bedrijf 10] , gestempeld [bedrijf 5] , met vermelding 14084; CMR van 4 september 2012, voor [bedrijf 10] , gestempeld [bedrijf 5] , met vermelding 14189. [bedrijf 10] Ten aanzien van [bedrijf 10] zagen de afscheurstroken van kwitanties op een periode van 3 mei 2012 tot en met 7 november 2012. Het totaalbedrag is € 1.509.258,93. Blijkens de verkoopfacturen zijn door [bedrijf 5] aan [bedrijf 10] diverse containers met goederen verkocht. Blijkens de CMR’s is in de periode van 10 juli 2012 tot en met 7 september 2012 voor het vervoer verschillende malen gebruik gemaakt van een vrachtauto met kentekennummer [kenteken 1] , met oplegger [kenteken 2] . Uit onderzoek is gebleken dat de auto, behorende bij het kenteken [kenteken 1] een Daf betreft die op 27 augustus 2012 door [bedrijf 21] is uitgevoerd naar het buitenland. [bedrijf 10] betreft een Belgische besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (BVBA), gevestigd in Meer, België, met als hoofdactiviteit de handel in schoeisel. Op 27 maart 2012 werd [medeverdachte 4] de zaakvoerder van [bedrijf 10] . Zijn ontslag was op 7 november 2012. Op die datum trad [verdachte 2] aan als zaakvoerder. [bedrijf 10] is failliet verklaard op 13 maart 2013. [medeverdachte 4] verklaarde dat hij [verdachte 2] heeft leren kennen als een contact van [verdachte 4] . [medeverdachte 4] verklaarde dat hij een tijdje [bedrijf 10] op zijn naam heeft gehad. Toen het mis ging, werd dit bedrijfje overgenomen door [verdachte 2] . [verdachte 4] adviseerde hem contact met [verdachte 2] op te nemen. Toen [medeverdachte 4] begon (de rechtbank leest: met [bedrijf 10] ) had [verdachte 4] een financier. [verdachte 4] wilde met [bedrijf 10] landbouwmachines exporteren naar Ghana. [medeverdachte 4] zou provisie krijgen van elke transactie. [medeverdachte 4] verklaarde verder dat hij op enig moment gebeld werd door de Belgische Federale overheid, die hem vertelde dat er met [bedrijf 10] potten en pannen waren ingevoerd met een waarde van € 160.000,- tot € 180.000,-. [medeverdachte 4] verklaarde dat er bij zijn weten niets is gedaan met [bedrijf 10] , hij had geen potten en pannen gezien. Toen [medeverdachte 4] vervolgens naar [verdachte 4] ging, zei [verdachte 4] tegen hem dat er twee à vier containers met potten en pannen waren ingevoerd vanuit China. Later kwam [verdachte 4] met een aantal CMR's van vrachten die gedaan waren en die moest [medeverdachte 4] dan ondertekenen. Hij zag dat er allemaal nummers van zeecontainers op de documenten vermeld stonden. Deze papieren moesten na ondertekening naar de boekhouder. [verdachte 4] zou er een map van maken. In zo'n map zaten bijvoorbeeld de CMR, de factuur en de douanedocumenten en/of de Bill of Lading, aldus [medeverdachte 4] . [medeverdachte 4] verklaarde vijftien à zestien van deze CMR’s ondertekend te hebben op het kantoor van [verdachte 4] . De potten en pannen gingen naar België, aldus [medeverdachte 4] . Hij wist dat omdat het op de CMR’s stond vermeld. Wat er op de CMR’s stond, kwam overeen met de bijbehorende factuur die erachter zat. Deze papieren werden allemaal door [verdachte 4] opgesteld en door [medeverdachte 4] ondertekend. [medeverdachte 4] verklaarde verder dat hij geen bedragen aan [bedrijf 5] heeft betaald. Hij heeft geen facturen of kwitanties opgemaakt. [verdachte 2] verklaarde dat hij [bedrijf 10] had overgenomen van [medeverdachte 4] . Via [verdachte 4] was hem ‘dat ding’ (de rechtbank neemt aan: [bedrijf 10] ) aangeboden. [verdachte 2] verklaarde dat [bedrijf 10] ‘op z’n kont lag’ en dat er niets werd ingekocht. Er zijn ook geen betalingen gedaan, aldus [verdachte 2] . Hij kent [bedrijf 5] niet. Hij heeft nooit potten en pannen gezien. Ook heeft hij geen contante betalingen verricht namens [bedrijf 10] , of hebben anderen namens hem betaald. [bedrijf 9] Ten aanzien van [bedrijf 9] zagen de afscheurstroken van de kwitanties op een periode van 12 oktober 2012 tot en met 26 maart 2013. Het totaalbedrag is € 1.201.431,67. [bedrijf 9] is een Belgische besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (BVBA). [bedrijf 9] is opgericht op 30 april 2007 door [bedrijf 22] en [bedrijf 24] . Op 30 augustus 2012 trad (naast [betrokkene 1] die in functie bleef tot 30 oktober 2012) [verdachte 8] aan als bestuurder. Op 15 januari 2013 ging de bestuursfunctie over naar [verdachte 2] . Bij de doorzoeking op 22 mei 2013 van het perceel [adres 8] (België), de woning van [verdachte 8] , is een groot aantal documenten aangetroffen. Het betrof onder meer 29 kwitanties, 27 facturen en 28 CMR’s. Hierbij zaten ook een 25-tal kwitanties, verzonden door [bedrijf 5] aan [bedrijf 9] . De omschrijving betrof veelal ‘cookware sets’. Uit de facturen bleek dat in de periode van 15 oktober 2012 tot 29 februari 2013 in totaal € 948.320,70 door [bedrijf 9] is betaald aan [bedrijf 5] . Onder meer zijn aangetroffen: Kwitantie van 6 november 2012 van € 45.698,97; Kwitantie van 29 oktober 2012 van € 44.196,61; Kwitantie van 13 november 2012 en 19 april 2012 van € 52.797,76; Kwitantie van 22 oktober 2012, van € 62.015,19; Kwitantie van 8 november 2012 van € 43.415,91; Factuur nr. 201201108 van 16 november 2012 met bijbehorende CMR; Factuur nr. 20120111 van 21 november 2012, met bijbehorende CMR; Factuur nr. 201201107 van 14 november 2012, met bijbehorende CMR; Factuur nr. 201201105 van 12 november 2012, met bijbehorende CMR; Factuur nr. 201201095 van 31 oktober 2012, met bijbehorende CMR. Bij de doorzoeking op 22 mei 2013 van de woning gelegen aan de [adres 9] (België) (woning van [verdachte 3] ) en de Renault welke in gebruik was bij [verdachte 3] is (onder meer) aangetroffen: een briefje met daarop een stempel van [bedrijf 9] en de tekst: [kenteken 3] ; een factuur nr. 201300552 van [bedrijf 5] van 1 mei 2013 aan [bedrijf 9] voor € 33.330,02 voor 450crts/900 sets 12 pcs cookware; een handmatig ingevulde CMR/vervoersdocument, ondertekend op 29 april 2013, betrekking hebbende op 450 cartons cookware, onder vermelding van nummer 14357, gericht aan [bedrijf 9] , gestempeld door [bedrijf 5] ; een kwitantie nr. 14357 voor € 33.330,02 gesteld op naam van [bedrijf 9] , gedateerd 1 mei 2013, gestempeld [bedrijf 5] ; een factuur nr. 201300551 van 1 mei 2013 van [bedrijf 5] , gericht aan [bedrijf 9] . Betreft € 33.629,75 voor 450crts/900 sets 12 pcs cookware; een handmatig ingevulde CMR/vervoersdocument, ondertekend op 1 mei 2013, betrekking hebbende op 450 cartons cookware, onder vermelding van nummer 14360, gericht aan [bedrijf 9] , gestempeld [bedrijf 5] ; een kwitantie nr. 14360 van 1 mei 2013 betreffende een bedrag van €33.629,75, ontvangen van [bedrijf 9] , gestempeld [bedrijf 5] . De beide facturen van [bedrijf 5] aan [bedrijf 9] zijn aangetroffen in een groen mapje in het kantoor van de woning. Aan de binnenkant van dit mapje stond met de hand geschreven: “ [verdachte 5] ”. Ook het briefje voorzien van de stempel van [bedrijf 9] bevond zich in het kantoor. [verdachte 8] heeft verklaard dat hij [bedrijf 9] een paar maanden op zijn naam heeft gehad, sinds augustus 2012. Sinds begin januari 2013 heeft hij het bedrijf niet meer. Hij heeft het bedrijf verkocht aan [verdachte 2] . Over de bij hem thuis aangetroffen facturen verklaarde [verdachte 8] dat deze geboekt zijn op [bedrijf 9] . [bedrijf 9] heeft dat doorgefactureerd en [verdachte 8] kon dat weer doorfactureren naar het buitenland. [verdachte 8] verklaarde: “Die jongens doen in gereedschap en potten en pannen. [verdachte 5] . Die zoeken een bedrijf, die factureren erop en die factureren weer door naar het buitenland. (…) ik heb nooit niks geen geld gezien. (…) Jullie kunnen nagaan dat er naast [bedrijf 9] nog wel meer bedrijven zijn waarop doorgefactureerd wordt.” [verdachte 8] verklaarde verder dat hij woorden gehad had met [verdachte 5] over zijn inkomsten. [verdachte 8] verklaarde dat [verdachte 7] (de rechtbank neemt aan: [verdachte 7] ) het factureren deed. Hij heeft hem twee keer gezien en heeft twee keer facturen meegekregen voor [bedrijf 9] . Verder verklaarde [verdachte 8] dat er geen goederen van [bedrijf 5] naar [bedrijf 9] zijn gegaan en dat er nooit betalingen aan [bedrijf 5] hebben plaatsgevonden. De kwitanties zijn zo opgemaakt om dingen te omzeilen. De handtekeningen op de kwitanties zijn niet van [verdachte 8] . [verdachte 7] maakte de facturen op. [verdachte 8] verklaarde dat hij daar bij was. Het is een belastingtruc, aldus [verdachte 8] . [verdachte 7] of [verdachte 5] , een van de twee, heeft hem gevraagd hieraan mee te werken. Ze hebben gewoon een factuuradres nodig in het buitenland, verklaarde [verdachte 8] . Hij verklaarde dat hij bij [verdachte 7] zat, om die transportdingen te maken. De facturen werden door [verdachte 7] opgemaakt. In zijn zesde verhoor verklaarde [verdachte 8] dat [verdachte 7] hem had gevraagd of hij een bedrijf had waarop kon worden doorgefactureerd, dat [verdachte 5] hem had verteld over de potten en pannen en dat dat alleen handel op papier zou zijn. [verdachte 8] verklaarde dat hij op kantoor bij [verdachte 7] meteen gestempeld heeft. [verdachte 7] wilde dat hij die facturen stempelde en ondertekende. Hij heeft echter geen goederen gehad. Ook zijn er geen mensen geweest die namens hem betaald hebben aan, of voor, [verdachte 7] . In een nader verhoor heeft [verdachte 8] verklaard dat hij alleen de vrachtbrieven bij [verdachte 7] ondertekende. Over het hem getoonde kenteken verklaarde [verdachte 8] dat dat gewoon een kenteken van de straat was. De 1,2 miljoen euro heeft [verdachte 8] nooit gezien of in zijn bezit gehad. Verder verklaarde [verdachte 8] dat [bedrijf 10] waarschijnlijk ook gebruikt wordt voor deze truc. [verdachte 2] heeft verklaard dat hij [bedrijf 9] van [verdachte 8] had overgenomen. Hij heeft geen contante betalingen verricht namens [bedrijf 9] . Evenmin hebben anderen namens hem betaald. Hij heeft nooit potten en pannen gezien. Hij heeft er ‘nul komma nul’ van geweten en gezien. Hij herkent op een hem voorgehouden document een kenteken. Het is een valse Poolse vrachtwagen. Dat kenteken hebben ze gewoon van de weg gehaald, aldus [verdachte 2] . Ook verklaarde [verdachte 2] dat [verdachte 3] (de rechtbank neemt aan: [verdachte 3] ) tegen hem zei: “ik heb even een krabbeltje nodig”. [verdachte 3] zei: “teken dit en dan krijgen we die 21% terug”. [verdachte 2] geeft aan dat hij op een dergelijk formulier heeft gekrabbeld. [verdachte 3] zei dat het voor de handel was, dat ze het nodig hadden voor de teruggave van BTW. De bankkaart stond nog op naam van [verdachte 8] (de rechtbank neemt aan: [verdachte 8] ). [verdachte 8] zou dat nog overzetten naar mij, aldus [verdachte 2] . [verdachte 3] zei dat ik even moest tekenen, omdat [verdachte 8] al betaald had. We zouden dan de BTW die we zouden terugkrijgen met z’n drieën delen. [verdachte 8] zou dan die week de bankpas overzetten op mij. Maar dat is dus nooit gebeurd. [verdachte 2] verklaarde dat hij tekende zonder dat hij wist of het transport had plaatsgevonden. Algemeen / [bedrijf 5] [getuige 2] , de loodsbaas van [bedrijf 25] , heeft verklaard, kort gezegd, dat hij een ingevulde CMR van [verdachte 7] kreeg, maar dat het ook voorkwam dat hij zelf een CMR moest opmaken. [verdachte 7] gaf hem instructies over hoe de CMR moest worden opgemaakt. Het kwam voor dat hij minder dozen op de CMR moest schrijven dan er daadwerkelijk de loods uitgingen. De goederen gingen naar Estonia en naar een adres in België. Hij had van [verdachte 7] een papiertje gekregen met daarop twee adressen, waaronder [bedrijf 9] te [adres 10] (België). Het vreemde was wel, zo verklaarde [getuige 2] , dat de chauffeur die deze goederen kwam ophalen altijd zei dat hij voor Heerhugowaard kwam. [verdachte 7] had hem gezegd dat, als een chauffeur kwam voor de partijen van Heerhugowaard, [getuige 2] hem moest bellen. Het zou dus kunnen dat de goederen gewoon naar Heerhugowaard gingen, verklaarde [getuige 2] . De chauffeurs keken vreemd op als er Estonia of Hoogstraten op de CMR stond. Hij verklaarde verder dat [bedrijf 10] een adres is zoals het adres in België ( [bedrijf 9] ) of Estland. Er waren tussen de vier of zes adressen geweest zoals dat van [bedrijf 9] . 80% van de CMR’s met deze adressen heeft [getuige 2] in opdracht van [verdachte 7] opgemaakt. [getuige 2] verklaarde voorts dat hij het kenteken [kenteken 3] – wat meerdere keren is genoteerd op een CMR ten behoeve van [bedrijf 5] – niet kent. Hij kan zich geen buitenlandse (vracht)auto herinneren en weet alleen dat (bestel)auto’s met Nederlandse kentekens vracht kwamen halen. [verdachte 7] heeft verklaard, kort samengevat, dat de klanten van [bedrijf 5] allemaal via [verdachte 5] zijn aangebracht. Ook [bedrijf 9] was aangebracht door [verdachte 5] . [verdachte 5] zit achter het doorfactureren waarover [verdachte 8] verklaarde. Hierbij is gebruik gemaakt van [bedrijf 9] . [verdachte 5] bracht alle klanten aan en gaf aan naar wie de goederen toe moesten. [verdachte 5] , maar ook andere mensen, brachten het geld. [verdachte 5] regelde dat de goederen werden opgehaald. [verdachte 7] maakte alleen maar de facturen op, in opdracht van [verdachte 5] . [verdachte 7] zorgt voor de kwitantie, de factuur, de CMR in viervoud en de vervoersverklaring. [verdachte 5] neemt dit mapje dan mee naar de klant en zorgt dat het gestempeld wordt bij de grossier (bijvoorbeeld [bedrijf 9] ). Het groene mapje komt met de ondertekende CMR terug. Dit doet [verdachte 5] . Het is met [verdachte 5] besproken dat de klant ICL-aangifte zou doen (de rechtbank neemt aan: Intracommunautaire leveringen; goederen die worden geleverd aan een btw-plichtige ondernemer uit een ander EU-land). Dan is de zaak klaar en op papier klopt alles, aldus [verdachte 7] . [verdachte 7] verklaarde verder dat hij de niet kloppende of afwijkende CMR’s heeft ontvangen van [verdachte 5] , dat hij geen kentekens controleert en het kenteken [kenteken 3] niet kent. [verdachte 7] verklaarde dat hij alles in goed vertrouwen heeft gedaan. Kritische vragen aan [verdachte 5] heeft hij echter niet gesteld, “als er maar betaald werd”. Overwegingen ten aanzien van [verdachte 3] Zoals hiervoor is beschreven, zijn er door [bedrijf 9] geen betalingen gedaan, noch zijn er goederen ontvangen. Bij [verdachte 3] , in zijn woning, zijn verschillende stukken aangetroffen in een groen mapje. Het betreft, kort gesteld, de kwitanties, facturen en CMR’s die hem onder feit 4 onder sub a (6 en 7), sub b (6 en 7) en sub c (6 en 7) telkens cumulatief /alternatief ten laste zijn gelegd. Daarnaast heeft [verdachte 2] belastend verklaard over de rol van [verdachte 3] . Zo zou hem uitgelegd zijn dat “het” nodig was voor de teruggave van BTW. [verdachte 3] heeft gesteld dat de stukken niet zijn gevonden in zijn woning, maar in de auto die ook bij anderen in gebruik was. De rechtbank stelt nogmaals vast dat uit het dossier blijkt dat de documenten allemaal in een groen mapje in de woning van [verdachte 3] zijn aangetroffen. De rechtbank stelt daarmee ook vast dat [verdachte 3] geen verklaring heeft gegeven, of heeft willen geven, voor de aanwezigheid van de documenten in zijn woning. Conclusie ten aanzien van [verdachte 3] Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat [verdachte 3] , in vereniging, een aantal kwitanties, verkoopfacturen en CMR’s valselijk heeft opgemaakt of doen opmaken. Het betreft de kwitanties met nr. 14357 (€ 33.330,02) en nr. 14360 (€ 33.629,75), de facturen met nr. 201300552 en nr. 201300551, en de bijbehorende CMR’s waarop telkens de kwitantienummers vermeld staan. Aangezien deze documenten in zijn woning zijn aangetroffen, zal de rechtbank ook hetgeen over deze documenten in de alternatief/cumulatieve variant is ten laste gelegd, wettig en overtuigend bewezen verklaren. De rechtbank stelt echter vast dat beide kwitanties blijkens het dossier zijn opgemaakt op 1 mei 2013. In de tenlastelegging is aangegeven dat zij zijn opgemaakt op 2 mei 2013. De rechtbank gaat ervan uit dat het hier gaat om een verschrijving. Dit gelet op de eveneens in de tenlastelegging opgenomen specifieke omschrijving van de andere kenmerken van deze kwitanties (nummer, debiteur en crediteur). Voor wat betreft het voorhanden hebben van deze twee kwitanties, opgemaakt op 1 mei 2012 en eerst op 22 mei 2013 bij [verdachte 3] aangetroffen, heeft de rechtbank acht geslagen op de verklaringen van [verdachte 7] , die stelt dat het groen mapje naar de klant (zoals [bedrijf 9] ) gaat nadat de papieren in orde zijn gemaakt. Daarmee acht de rechtbank aannemelijk dat op de datum van het opmaken van de facturen, 1 mei 2013, deze in het groene mapje naar [verdachte 3] zijn gegaan. De rechtbank ziet in het dossier onvoldoende aanknopingspunten om wettig en overtuigend te kunnen vaststellen dat [verdachte 3] ook (in vereniging) de andere kwitanties, facturen en CMR’s heeft opgesteld of doen opstellen. Daarvan zal dan ook vrijspraak volgen. Omdat deze ook niet zijn aangetroffen bij [verdachte 3] zal ook vrijspraak voor deze documenten volgen in de alternatief/cumulatieve variant ‘voorhanden hebben’. Overwegingen ten aanzien van [verdachte 4] Zoals hiervoor weergegeven zijn er bij [bedrijf 5] facturen, kwitanties en CMR’s aangetroffen met betrekking tot de levering van goederen aan [bedrijf 10] . [medeverdachte 4] (zaakvoerder van [bedrijf 10] van 27 maart 2012 tot 7 november 2012) verklaarde echter, kort gesteld, dat hij geen potten en pannen had gezien en dat hij geen geld had betaald aan [bedrijf 5] . Bovendien verklaarde [medeverdachte 4] dat [verdachte 4] hem had gevraagd een aantal CMR’s te ondertekenen van vrachten die gedaan waren. [medeverdachte 4] verklaarde vijftien à zestien van deze CMR’s ondertekend te hebben op het kantoor van [verdachte 4] . Wat er op de CMR’s stond, kwam overeen met de bijbehorende factuur die erachter zat. Deze papieren werden allemaal door [verdachte 4] opgesteld en door [medeverdachte 4] ondertekend. Conclusie ten aanzien van [verdachte 4] Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de verklaringen van [medeverdachte 4] niet op zichzelf staan. De rechtbank overweegt dat de hierboven geschetste gang van zaken rondom het ondertekenen (‘krabbelen’) bij [bedrijf 9] overeenkomsten vertoont met de gang van zaken rond het ondertekenen bij [bedrijf 10] . Daarnaast vindt de verklaring van [medeverdachte 4] steun in hetgeen [getuige 2] naar voren heeft gebracht. Er werden geen goederen naar België vervoerd. Concluderend komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat [verdachte 4] , in vereniging, valselijk facturen en CMR’s heeft opgemaakt. Gelet op de verklaring van [medeverdachte 4] en hetgeen overigens in het dossier aanwezig is, in het bijzonder de beschrijving van de contante geldstroom, ziet de rechtbank geen aanknopingspunten om te komen tot een bewezenverklaring voor het opmaken van kwitanties. De rechtbank acht voldoende gronden aanwezig om te komen tot een bewezenverklaring van hetgeen [verdachte 4] hier alternatief/cumulatief ten laste is gelegd. [verdachte 4] heeft de facturen en CMR’s voorhanden gehad, wetende dat het hier om valse facturen en CMR’s ging. Voorts ziet de rechtbank onvoldoende grond om te komen tot een veroordeling voor het voorhanden hebben van valse kwitanties. Overwegingen ten aanzien van [verdachte 5] [verdachte 8] heeft belastend verklaard over [verdachte 5] . [verdachte 7] of [verdachte 5] , een van de twee, heeft hem gevraagd hieraan me te werken. Ze hebben gewoon een factuuradres nodig in het buitenland, verklaarde [verdachte 8] . [verdachte 5] had hem bovendien verteld over de potten en pannen, en dat dat alleen handel op papier zou zijn. Ook [verdachte 7] heeft belastend verklaard over [verdachte 5] . [verdachte 7] heeft, kort gesteld, aangegeven dat [verdachte 5] achter het doorfactureren zit waarover [verdachte 8] verklaarde. Hierbij is gebruik gemaakt van [bedrijf 9] . [verdachte 5] bracht alle klanten aan en gaf aan naar wie de goederen toe moesten. [verdachte 5] , maar ook andere mensen, brachten het geld. [verdachte 5] regelde dat de goederen werden opgehaald. De rechtbank acht de verklaringen van [verdachte 7] voldoende betrouwbaar. Niet alleen verklaart [verdachte 7] consistent, hij belast ook zichzelf met zijn verklaringen. Daar komt bij dat zijn verklaringen worden ondersteund door andere feiten en verklaringen, zoals de verklaringen van [verdachte 8] en [getuige 2] , en de financiële gegevens ten aanzien van (contante) geldstromen in het bedrijf van [verdachte 7] . De rechtbank heeft dan ook geen reden om aan de betrouwbaarheid van zijn verklaringen te twijfelen Daar komt bij dat de naam van [verdachte 5] in de binnenzijde van een groen mapje is aangetroffen in de woning van [verdachte 3] en uit observaties is gebleken dat er veel contacten zijn tussen [verdachte 5] en [verdachte 7] , waarbij [verdachte 5] ook regelmatig de locatie [adres 11] bezocht. Conclusie ten aanzien van [verdachte 5] Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat [verdachte 5] , in vereniging, valselijk heeft opgemaakt of heeft laten opmaken kwitanties, facturen en CMR’s, zoals omschreven in de tenlastelegging. Datzelfde geldt voor het gebruik en voorhanden hebben van deze stukken. Overwegingen ten aanzien van [verdachte 7] Allereerst heeft [verdachte 8] belastend verklaard over [verdachte 7] . Hij verklaarde, kort gesteld, dat [verdachte 7] hem had gevraagd of hij een bedrijf had waarop kon worden doorgefactureerd, dat [verdachte 5] hem had verteld over de potten en pannen en dat dat alleen handel op papier zou zijn. [verdachte 7] of [verdachte 5] , een van de twee, heeft hem gevraagd hieraan mee te werken. Het is een belastingtruc, aldus [verdachte 8] . [verdachte 7] maakte de facturen op. [verdachte 8] verklaarde dat hij op kantoor bij [verdachte 7] meteen gestempeld heeft. [verdachte 7] wilde dat hij die facturen stempelde en ondertekende. De rechtbank acht de verklaringen van [verdachte 8] voldoende betrouwbaar. Niet alleen verklaart [verdachte 8] consistent, hij belast ook zichzelf met zijn verklaring. Daar komt bij dat zijn verklaringen worden ondersteund door andere feiten en verklaringen uit het dossier, zoals de verklaringen van [medeverdachte 4] , [verdachte 2] en [getuige 2] , en de financiële gegevens ten aanzien van (contante) geldstromen in het bedrijf van [verdachte 7] . De rechtbank heeft dan ook geen reden om aan de betrouwbaarheid van zijn verklaringen te twijfelen. Daarnaast heeft ook [getuige 2] verklaard dat de gang van zaken rondom de CMR’s niet altijd juist was. [verdachte 7] gaf hem instructies over hoe de CMR moest worden opgemaakt. Hij had van [verdachte 7] een papiertje gekregen met daarop twee adressen, waaronder [bedrijf 9] te [adres 8] (België). Het zou echter kunnen dat de goederen gewoon naar Heerhugowaard gingen. Ook het op de CMR’s veel gebruikte Poolse kenteken [kenteken 3] kende hij niet. Tot slot heeft ook [verdachte 7] zichzelf belast. Hij verklaarde – kort gesteld – dat hij in goed vertrouwen slechts de instructies van [verdachte 5] , die al zijn klanten had aangebracht, opvolgde. [verdachte 5] zorgde voor de levering van het geld. [verdachte 7] zorgde voor de kwitantie, de factuur, CMR in viervoud en de vervoersverklaring. Kritische vragen aan [verdachte 5] heeft hij echter niet gesteld. “Als er maar betaald werd” zo verklaarde [verdachte 7] . De rechtbank overweegt dat door te handelen zoals [verdachte 7] handelde hij op z’n minst het voorwaardelijk opzet heeft gehad op de valsheid in geschrift. Daar komt bij dat van een professioneel opererend expediteur verwacht mag worden dat hij met grote nauwkeurigheid de betreffende stukken opmaakt. Het uitsluitend, in blind vertrouwen, opvolgen van instructies van [verdachte 5] , geeft blijk van een grove veronachtzaming van de verantwoordelijkheid voor het eigen handelen, welk risico uitsluitend bij [verdachte 7] gelegd kan worden. Ook ter zitting heeft [verdachte 7] bevestigd dat als hij z’n geld maar kreeg, voor hem de zaak gedaan was. Er was voor hem geen reden om zaken zoals kentekens en personen te controleren. Conclusie ten aanzien van [verdachte 7] Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat [verdachte 7] , in vereniging, valselijk heeft opgemaakt of heeft laten opmaken, kwitanties, facturen en CMR’s, zoals omschreven in de tenlastelegging. Datzelfde geldt voor het gebruik en voorhanden hebben van deze stukken. Overwegingen ten aanzien van [verdachte 8] is ten laste gelegd de valsheid in geschrift, in vereniging, van zeven kwitanties, zeven verkoopfacturen en zeven CMR’s, in de periode van 12 oktober 2012 tot en met 1 mei 2013. Bij de doorzoeking op 22 mei 2013 zijn in het kantoor van [bedrijf 5] facturen, vrachtbrieven (CMR’
  3. s)en kwitanties aangetroffen waaruit zou moeten blijken dat er leveringen van goederen (met name pannensets) van [bedrijf 5] aan [bedrijf 9] hebben plaatsgevonden. [verdachte 8] verklaarde dat het allemaal één grote belastingtruc was. Ze (de rechtbank begrijpt: [verdachte 7] en [verdachte 5] ) hadden gewoon een factuuradres in het buitenland nodig, zo verklaarde hij. Door [verdachte 7] was hem gevraagd of hij een bedrijf had waarop doorgefactureerd kon worden. In opdracht van [verdachte 7] heeft hij op het kantoor van [verdachte 7] vervoersdocumenten opgemaakt. De kwitanties/facturen werden door [verdachte 7] opgemaakt, zo verklaarde [verdachte 8] . Met [verdachte 5] had hij nog een woordenwisseling gehad over zijn aandeel. [verdachte 5] had hem ook uitgelegd dat het allemaal handel op papier zou zijn. Er zijn volgens [verdachte 8] geen goederen geleverd en er hebben ook geen betalingen plaatsgevonden. Deze gang van zaken wordt bevestigd door [verdachte 2] . Hij geeft specifiek aan dat het ging om het terugvragen van 21% BTW. [verdachte 4] had dat aan hem uitgelegd en hem gevraagd ‘te krabbelen’, wat hij ook gedaan had. [verdachte 2] had, met [bedrijf 9] , geen potten en pannen gezien. Evenmin had hij geld betaald. Ook loodsbaas [getuige 2] stelt dat hij in opdracht van [verdachte 7] valse gegevens invulde op CMR’s en dat de goederen feitelijk elders heengingen. Conclusie ten aanzien van [verdachte 8] Gelet op het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte 8] , in vereniging, alle zeven in de tenlastelegging genoemde CMR’s (vrachtbrieven), waarin sprake is van vervoer van [bedrijf 5] naar [bedrijf 9] , valselijk heeft opgemaakt. De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte 8] kwitanties en facturen heeft opgemaakt. In zoverre zal (partiële) vrijspraak volgen. Daarnaast is (cumulatief/alternatief) ten laste gelegd dat [verdachte 8] een aantal vals opgemaakte stukken voorhanden heeft gehad. De rechtbank stelt vast dat uitsluitend bij [verdachte 8] zijn aangetroffen de documenten (zoals cumulatief/alternatief is ten laste gelegd) onder: sub a, 1 tot en met 5; sub b, 1 tot en met 5; en sub c, 1 tot en met 5. Alleen deze elementen van de tenlastelegging kunnen derhalve wettig en overtuigend bewezen worden verklaard. Voor het overige zal vrijspraak volgen. 5.2.3 Zaakdossier 3A Witwassen Ten aanzien van [verdachte 3] (feit 2), [verdachte 5] (feit 5), [verdachte 7] (feit 2) en [verdachte 8] (feit 3) Aan [verdachte 5] , [verdachte 7] , [verdachte 8] en [verdachte 3] is in dit zaakdossier, kort gesteld, ten laste gelegd het (gewoonte)witwassen, in vereniging, in de periode van 12 oktober 2012 tot en met 1 mei 2013 van geldbedragen van: [verdachte 8] : € 1.201.431,67, althans € 315.084,21; [verdachte 3] : € 1.201.431,67, althans € 315.084,21; [verdachte 5] : € 1.201.431,67, althans € 315.084,21; [verdachte 7] : € 1.201.431,67 althans € 315.084,21 en/of € 1.509.258,93 althans € 271.262,82. Uit het dossier blijkt, zoals hierboven in het kader van de valsheid in geschrifte (zaakdossier 4A) reeds aangegeven, dat de bankrekening van [bedrijf 5] in de periode 20 augustus 2009 tot en met 31 oktober 2012 voor 86% werd gevoed door contante stortingen, met een totaal van € 4.832.865,--. De contante stortingen werden gedaan via een stortingsautomaat en via sealbags. In 2011 en 2012 bedroegen de contante stortingen meer dan € 2.000.000,-- per jaar. Hierboven (zaakdossier 4A) is eveneens reeds overwogen dat tijdens de doorzoeking op 22 mei 2013 in het gebouw van [bedrijf 5] een hoeveelheid aan afscheurstroken van kwitanties van contante geldstortingen ten name van diverse bedrijven is aangetroffen. Hieronder bevonden zich stortingsbewijzen van stortingen door of namens [bedrijf 9] en [bedrijf 10] . Voor [bedrijf 10] bedroeg het totaal aan stortingen € 1.509.258,93. Voor [bedrijf 9] bedroeg het totaal aan stortingen € 1.201.431,67. [verdachte 7] heeft verklaard dat de klanten van [bedrijf 5] allemaal door [verdachte 5] zijn aangebracht. Desgevraagd kan [verdachte 7] maar één klant noemen die niet door [verdachte 5] is aangebracht. Er werd cash geld bezorgd door [verdachte 5] , maar ook door diverse andere mensen. [verdachte 7] boekte dat op [bedrijf 9] en bracht dat naar de bank. Als het geld niet klopte, als er te weinig was of er valse briefjes tussenzaten, belde [verdachte 7] [verdachte 5] . “De spullen worden gekocht in China,” verklaarde [verdachte 7] . “ [verdachte 5] regelt dat. De container met goederen wordt betaald door [bedrijf 5] via de rekening van [bedrijf 5] . Dat geld komt van mensen die ik niet ken. Dit geld is contant. [verdachte 5] regelt dat er geld komt. [verdachte 5] komt ook wel eens geld brengen. (…) [verdachte 5] regelt dat de goederen worden opgehaald en regelt de adressen waar de goederen naar toegaan.” Over de handel met [bedrijf 10] verklaarde [verdachte 7] dat er door een ‘mannetje’ uit België contant werd betaald met een envelopje. [verdachte 7] weet niet wie dat is, schreef ook niet op wie er betaald had (alleen maar dát er betaald was) en stortte het geld vervolgens op de bank. Bij de doorzoeking van de woning van [verdachte 8] op 22 mei 2013 zijn onder meer facturen aangetroffen van [bedrijf 5] aan [bedrijf 9] over de periode 15 oktober 2012 tot 29 februari 2013 voor in totaal € 948.320,70. [verdachte 8] verklaarde hierover onder meer dat er geen betalingen hebben plaatsgevonden en dat hij geen afspraken had gemaakt over zijn verdienmodel in deze constructie. Hij heeft geen 1 miljoen euro in contanten afgegeven aan [verdachte 7] , weet niets van kwitanties en kreeg alleen het setje (de rechtbank neemt aan: het setje documenten zoals bij [verdachte 8] thuis aangetroffen). Bij de doorzoeking van de woning van [verdachte 3] op 22 mei 2013 zijn onder meer twee facturen aangetroffen voor de levering van goederen van [bedrijf 5] aan [bedrijf 9] ter waarde van € 33.330,02 en € 33.629,75. Conclusie ten aanzien van [verdachte 8] De rechtbank overweegt dat [verdachte 7] over de grote sommen contant geld die bij [bedrijf 5] binnenkwamen, heeft verklaard dat [verdachte 5] of anderen dat geld kwamen brengen. [verdachte 7] bracht het geld naar de bank, waarna dat geld vervolgens werd gebruikt om goederen in China te kopen. [verdachte 7] maakte de stukken op (factuur, CMR, vervoersbewijs, kwitantie) en deed deze in een mapje. Dat mapje werd door [verdachte 5] vervolgens naar de ‘klant’ gebracht. “Dan is de zaak klaar en op papier klopt alles”, aldus [verdachte 7] . De rechtbank overweegt in dit verband verder dat [medeverdachte 4] heeft verklaard dat hij (bij het opmaken van CMR’s voor leveringen aan [bedrijf 10] ten kantore van [verdachte 4] ) alleen facturen en CMR’s heeft gezien. Hij heeft geen kwitanties opgemaakt. Deze gang van zaken komt overeen met de beschrijving van [verdachte 8] . Hij stelt dat hij geen geld heeft gezien en dat hij alleen het ‘setje’ kreeg. Ook zijn er met hem geen afspraken gemaakt over zijn ‘verdienmodel’. De rechtbank heeft hiermee onvoldoende aanknopingspunten om te komen tot een bewezenverklaring van (betrokkenheid bij) witwassen door [verdachte 8] . [verdachte 8] is niet in contact gekomen met de contante bedragen. Ook heeft hij geen handelingen verricht die – in directe zin – hebben bijgedragen aan het storten van het geld bij [bedrijf 5] , de bank of het overmaken naar China. De bijdrage van [verdachte 8] heeft zich, naar het oordeel van de rechtbank, beperkt tot (het leveren van een bijdrage aan) het opzetten van een ‘papieren werkelijkheid’ gericht op het administratief kunnen verantwoorden van de bestellingen en leveringen van [bedrijf 5] . Van enige betrokkenheid bij het verhullen of verbergen van de (herkomst van) de contante bedragen is geen sprake. Ook overigens zijn daartoe in het dossier geen aanknopingspunten aangetroffen. [verdachte 8] zal daarom, conform het verzoek van de officier van justitie, worden vrijgesproken van het hem onder 3 ten laste gelegde feit. Conclusie ten aanzien van [verdachte 3] Het voorgaande is onverkort van toepassing op de betrokkenheid van [verdachte 3] bij het witwassen. Ook hier komt de rechtbank tot het oordeel dat de bijdrage van [verdachte 3] uitsluitend gericht was op het creëren van een ‘papieren werkelijkheid’ in de nasleep van het witwassen van de geldbedragen. [verdachte 3] zal daarom eveneens, conform het verzoek van de officier van justitie, worden vrijgesproken van hetgeen hem onder feit 2 is ten laste gelegd. Verdere overwegingen ten aanzien van [verdachte 7] Dat ligt naar het oordeel van de rechtbank anders wat betreft de betrokkenheid van [verdachte 7] . De rechtbank stelt voorop dat het structureel en in deze mate ontvangen van grote contante sommen geld in het betalingsverkeer zeer ongebruikelijk is. [verdachte 7] had reeds hierom, als professioneel deelnemer in het zakelijk verkeer, alert moeten zijn, te meer omdat het een feit van algemene bekendheid is dat diverse vormen van criminaliteit gepaard gaan met het voorhanden hebben van grote bedragen aan contant geld. Het zonder bescherming voorhanden hebben van grote hoeveelheden contant geld is immers ongebruikelijk, onder meer vanwege de veiligheidsrisico’s. Crimineel verkregen geld maakt het kennelijk de moeite waard om dat risico te lopen. Overigens is de rechtbank van oordeel dat in dat verband de door [verdachte 7] ter terechtzitting gemaakte vergelijking van [bedrijf 5] met een warenhuis waar telkens ook (grotere) contante bedragen worden ontvangen van onbekende klanten, geheel mank gaat. Ten aanzien van een warenhuis is het gebruikelijk dat de – per definitie veelal onbekende – klanten daar met contant geld betalen, in het professionele handelsverkeer waar [bedrijf 5] aan deelneemt (met onder andere facturen, kwitanties, CMR’s, leveringen van grotere partijen via vrachtwagens en verplichte vastlegging voor onder meer de belastingdienst) is dat naar het oordeel van de rechtbank geenszins het geval. Gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden, in combinatie met de extreem hoge bedragen die bij [bedrijf 5] contant werden betaald (in 2011 en 2012 meer dan 2 miljoen euro per jaar), mag van [verdachte 7] worden verlangd dat hij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft voor de herkomst van het geld (vgl. onder meer Hoge Raad 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0787). De verdediging heeft, kort gesteld, aangegeven dat deze bedragen van [verdachte 5] of de klanten van [verdachte 5] afkomstig waren. [verdachte 7] nam de bedragen in ontvangst, stortte deze bij de bank en maakte vervolgens in opdracht het papierwerk op. [verdachte 7] heeft naar het oordeel van de rechtbank het vermoeden van de criminele herkomst van het geld onvoldoende ontzenuwd. Zij overweegt daartoe als volgt. Uit de afscheurstrookjes van de kwitanties blijkt niet of nauwelijks op welke specifieke levering/transport de individuele stortingen betrekking hadden. [verdachte 7] heeft verklaard dat hij niet noteerde wie er betaalde. Het voorgaande roept bij de rechtbank het beeld op van het ontbreken van een adequate registratie inzake de geldstromen. Kennelijk was het voor [verdachte 7] / [bedrijf 5] niet noodzakelijk om de gelden, die uit verschillende bronnen kwamen, duidelijk te (kunnen) onderscheiden van elkaar, wat bevreemdt nu hij niet wist van wie die gelden afkomstig waren. Ook was het kennelijk niet nodig om de bestemming van de gelden te kunnen vastleggen. [verdachte 7] had ook hier alert moeten zijn. Immers, de (rechts)personen achter de betalingen van de bestellingen, die op het oog door [bedrijf 5] werden gedaan, werden hierdoor versluierd. Bovendien is vast is komen te staan (zaakdossier 4A) dat tegenover deze betalingen door [bedrijf 9] geen daadwerkelijke opdrachten hebben gestaan. Het papierwerk dat na de door, of namens, [bedrijf 9] gedane stortingen werd gedaan, is valselijk opgemaakt. [verdachte 7] heeft ook hier zijn rol als professioneel expediteur onvoldoende ingevuld. Van een professioneel deelnemer aan het economisch verkeer mag verwacht worden dat hij zijn handelspartners kent of zich ervan vergewist dat zijn handelspartners legitiem opereren. De gang van zaken bij de stortingen van [bedrijf 10] was overeenkomstig, zo blijkt uit (getuigen)verklaringen van [getuige 2] , [medeverdachte 4] , [verdachte 2] , [verdachte 7] en uit het ontbreken van aantekeningen op de afscheurstrookjes. Conclusie ten aanzien van [verdachte 7] De rechtbank is op grond van hetgeen hiervoor is overwogen van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat de sommen geld – onmiddellijk en/of middellijk – uit enig misdrijf afkomstig zijn en dat verdachte dit wist of had moeten vermoeden. In zoverre kan bewezenverklaring van het tenlastegelegde volgen. De rechtbank komt daarmee tot het oordeel dat [verdachte 7] (op z’n minst voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het witwassen van grote sommen geld, in vereniging met [verdachte 5] , in de ten laste gelegde periode. Het betreft alle bedragen die door of voor [bedrijf 9] en [bedrijf 10] zijn gestort, respectievelijk (afgerond) 1,2 en 1,5 miljoen euro. [verdachte 7] heeft bovendien van dit witwassen een gewoonte gemaakt. De rechtbank verklaart wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte 7] zich schuldig heeft gemaakt aan het hem onder 2 ten laste gelegde feit. Verdere overwegingen ten aanzien van [verdachte 5] [verdachte 7] verklaarde dat nagenoeg zijn gehele klantenkring was aangebracht door [verdachte 5] . Ook [bedrijf 9] was door [verdachte 5] aangebracht. [verdachte 5] of de klantenkring van [verdachte 5] bezorgden het geld van [bedrijf 9] . [verdachte 5] regelde dat er geld kwam, aldus [verdachte 7] . [verdachte 7] boekte dat geld op [bedrijf 9] en bracht dat naar de bank. Als het geld niet klopte, als er te weinig was of wanneer er valse briefje tussenzaten, belde [verdachte 7] . [verdachte 5] gaf vervolgens aan naar wie de goederen toe moesten. De verklaringen van [verdachte 7] over de – hiervoor geschetste – gang van zaken worden ondersteund door verklaringen van [verdachte 8] . Hij verklaarde dat hij door [verdachte 5] was verzocht of hij een bedrijf had waarop kon worden doorgefactureerd. De 1,2 miljoen euro die betrokken was bij het door factureren vanaf [bedrijf 9] had [verdachte 8] nooit gezien. Daar komt bij dat uit observaties is gebleken dat er veelvuldig contact is geweest tussen [verdachte 5] en [verdachte 7] , waarbij [verdachte 5] ook langskwam op de locatie [adres 11] . Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat alle hier besproken gelden, verbonden met [bedrijf 9] , ook verbonden zijn met [verdachte 5] . De rechtbank gaat er dan ook van uit dat [verdachte 5] grote sommen geld, met een totaal van 1,2 miljoen euro, voorhanden heeft gehad en heeft aangeboden aan [verdachte 7] / [bedrijf 5] . Zoals hiervoor bij [verdachte 7] reeds aangegeven, acht de rechtbank het voorhanden hebben van zeer grote sommen contant geld zeer ongebruikelijk. Het is een feit van algemene bekendheid dat diverse vormen van criminaliteit gepaard gaan met het voorhanden hebben van grote bedragen aan contant geld. Gelet hierop mag van [verdachte 5] worden verlangd dat hij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft voor de herkomst van het geld (vgl. onder meer Hoge Raad 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0787). [verdachte 5] heeft gedurende het onderzoek geweigerd een verklaring af te leggen over de herkomst van het geld. Eerst ter terechtzitting is namens [verdachte 5] naar voren gebracht dat het geld afkomstig was van ‘venters’, de feitelijk kopers van de goederen, die deze weer doorverkochten. De rechtbank stelt vast dat een onderbouwing van de stelling van [verdachte 5] is uitgebleven. [verdachte 5] heeft geen verklaringen van venters overgelegd waaruit deze gang van zaken blijkt, noch heeft hij (bijvoorbeeld) kwitanties of notities overgelegd waaruit van het ter hand stellen van deze gelden aan [verdachte 5] door deze ‘venters’ blijkt. Met deze verklaring is verder geen inzicht gegeven in de valse facturen voor potten, pannen en ‘cookware’ die zijn opgemaakt. Indien de venters achter [verdachte 5] deze goederen via [verdachte 5] zouden hebben willen bestellen, zou het voor de hand hebben gelegen dat de werkelijk facturen voorhanden zouden zijn. Bovendien is hiermee geen inzicht gegeven in de bijzondere wijze waarop [verdachte 5] , als ‘grootinkoper’, kennelijk [bedrijf 5] nodig had om deze bestellingen te plaatsen. Gelet hierop heeft [verdachte 5] naar het oordeel van de rechtbank het vermoeden van de criminele herkomst van het geld onvoldoende ontzenuwd. Conclusie ten aanzien van [verdachte 5] De rechtbank is dan ook van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat de sommen geld – onmiddellijk en/of middellijk – uit enig misdrijf afkomstig zijn en dat [verdachte 5] dit wist of behoorde te vermoeden. In zoverre kan bewezenverklaring van het tenlastegelegde volgen. [verdachte 5] heeft zich in de ten laste gelegde periode, in vereniging met [verdachte 7] , ten aanzien van een groot geldbedrag van in totaal €1,201.431,67 euro schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen door de werkelijk aard en herkomst van deze sommen geld te verhullen, terwijl hij wist dat die voorwerpen (sommen geld) – onmiddellijk of middellijk – uit misdrijf afkomstig waren. De rechtbank verklaart wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte 5] zich schuldig heeft gemaakt aan het hem onder 5 ten laste gelegde feit. 5.2.4 Zaakdossier 3B Witwassen Ten aanzien van [verdachte 5] (feit 6) [verdachte 5] heeft over de jaren 2007 tot en met 2011 gezamenlijk belastingaangifte gedaan met zijn partner [medeverdachte 5] . Uit de aangiftes inkomstenbelasting is gebleken dat [verdachte 5] in de periode van 1 januari 2007 tot en met 31 maart 2010 vanuit een dienstbetrekking bij [bedrijf 26] in totaal een bruto inkomen heeft genoten van € 174.408,-- en een vervreemdingsvoordeel van € 7.000,-- als gevolg van de verkoop van de aandelen van [bedrijf 26] in 2010. In 2010 heeft [verdachte 5] daarnaast resultaat uit overige werkzaamheden genoten van € 15.000,-- bij [bedrijf 27] . In het jaar 2011 had [verdachte 5] inkomen vanuit de buitenlandse rechtspersoon [bedrijf 28] voor in totaal € 24.000,--. Uit de gegevens van de belastingdienst is voorts naar voren gekomen dat zij ten tijde van het onderzoek 161Bandung op [verdachte 5] een vordering had van € 450.057,--, voortkomend uit gestelde bestuurdersaansprakelijkheid in het faillissement van [bedrijf 26] . Met betrekking tot het inkomen dat [verdachte 5] heeft genoten in 2012 beschikt de rechtbank enkel over een arbeidscontract tussen [bedrijf 28] en [verdachte 5] ingaande op 1 januari 2012 en een handgeschreven tekst waarop staat dat [verdachte 5] als handelsagent van [bedrijf 28] € 2.000,-- per maand verdiende. In de periode van 1 januari 2010 tot en met 22 mei 2013 is er op de bankrekening met [rekeningnummer 2] – die in die periode in gebruik was bij [verdachte 5] en waarvan [medeverdachte 5] gemachtigde was – in totaal € 91.340,-- contant gestort. De contante opnames voor deze periode bedroegen € 4.567,75 en er is € 2.113,64 afgeschreven voor levensonderhoud. In dezelfde periode is op de bankrekening met [rekeningnummer 3] – die in die periode in gebruik was bij [medeverdachte 5] – in totaal € 50.680,-- contant gestort. De contante opnames voor deze periode bedroegen € 5.340,-- en er is € 1.714,61 afgeschreven voor levensonderhoud. Uit het gebruik van bovengenoemde rekeningen – waarbij er met de rekening van [verdachte 5] betalingen/ontvangsten werden verricht door of namens [medeverdachte 5] en andersom – alsmede uit de gezamenlijke belastingaangiftes, kan worden vastgesteld dat [verdachte 5] en [medeverdachte 5] een economische eenheid vormden. Voorts stelt de rechtbank vast dat er van beide rekeningen relatief weinig geld is opgenomen en dat er van de beide rekeningen weinig geld is uitgegeven aan levensonderhoud (in totaal gemiddeld ruim € 90,- per maand). In de periode van april 2012 tot en met juni 2013 hebben [verdachte 5] en [medeverdachte 5] hun woning, gelegen aan de [adres 12] te Leiden , laten verbouwen en opnieuw laten inrichten. Ten behoeve hiervan hebben zij € 75.879,73 contant betaald voor verschillende goederen en diensten. Op 11 mei 2013 heeft [verdachte 5] contant € 3.141,-- betaald voor een zevendaagse all-inclusive vakantie naar Turkije. Bij elkaar is dit een bedrag van € 79.020,73. In april 2013 heeft [verdachte 5] de verzekering van de Mercedes met kenteken [kenteken 4] omgezet naar de Audi met kenteken [kenteken 5] . Uit informatie van [bedrijf 29] blijkt dat [verdachte 5] deze Mercedes heeft ingeruild voor de Audi. [verdachte 5] moest daar € 10.000,-- voor bijbetalen, hetgeen hij voor de helft van het bedrag contant heeft gedaan. Gelet op de discrepanties tussen het inkomen dat [verdachte 5] heeft genoten blijkens de stukken van de belastingdienst en de grote contante stortingen en uitgaven zoals die zijn gebleken uit reeds genoemde bewijsmiddelen, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een vermoeden van witwassen. Gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden mag van [verdachte 5] en [medeverdachte 5] worden verlangd dat zij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geven voor de herkomst van het geld (vgl. onder meer Hoge Raad 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0787). [verdachte 5] heeft geen verklaring afgelegd over zijn inkomsten. [medeverdachte 5] heeft verklaard dat zij geen werk heeft en dat in het verleden ook niet heeft gehad. Soms krijgt zij kleine bedragen van haar vader. Eerst ter terechtzitting is namens [verdachte 5] aangevoerd dat een legale herkomst van minimaal € 237.681,-- aannemelijk is. Dit is opgebouwd uit een netto inkomen van € 107.531,-- in de periode van 2010 tot en met 2013, uit de verkoop van een boot voor een bedrag van € 45.000,--, uit de verkoop van een woonwagen voor een bedrag van € 40.000,--, de winst op de verkoop van enkele voertuigen voor een bedrag van in totaal € 15.150,-- en uit een geschat contant (aanvangs)vermogen van € 30.000,--. De raadsman heeft voorts bepleit dat de maandelijkse uitgaven aan levensonderhoud ongeveer € 350,-- per maand bedroegen, aangezien ook de contante opnames hiertoe zijn aangewend. De rechtbank overweegt als volgt. Uit de gegevens van de belastingdienst is niet gebleken dat [verdachte 5] voorafgaand aan of ten tijde van de ten laste gelegde periode beschikte over grote bedragen aan contant geld, noch is dit met stukken door de verdediging aangetoond. Daarnaast ziet de rechtbank dat er gedurende de ten laste gelegde periode wel grote contante bedragen zijn gestort op de rekeningen van [verdachte 5] en [medeverdachte 5] en dat er weinig contante opnames hebben plaatsgevonden. Daarnaast zijn er grote contante uitgaven gedaan voor de verbouwing van de woning en bij de aanschaf van een nieuwe auto. Naar het oordeel van de rechtbank is er door of namens [verdachte 5] onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de geldbedragen een legale herkomst hebben. Bij koopovereenkomsten van roerende goederen, zoals woonwagens en boten, mag bij dergelijke bedragen worden verwacht dat dit op enigerlei wijze wordt vastgelegd. Dat de boot voor een bedrag van € 45.000,-- is overgegaan op een ander is op geen enkele wijze onderbouwd of verifieerbaar. Daarenboven blijkt uit de door de raadsman – en met name ook uit door het openbaar ministerie – overgelegde stukken dat vergelijkbare of grotere boten dan de onderhavige voor aanzienlijk lagere bedragen ter verkoop worden aangeboden. Met betrekking tot de woonwagen acht de rechtbank het aankoopbedrag – gelet op het vereiste dat [verdachte 5] dit bedrag met voldoende mate van zekerheid dient aan te tonen – evenmin genoegzaam met stukken onderbouwd. Zij heeft tevens meegewogen dat dit bedrag eerst ter terechtzitting is aangevoerd, terwijl het onderzoek in 2012 is aangevangen, dat [getuige 3] ter terechtzitting heeft aangegeven dat dit bedrag niet controleerbaar is en dat er rondom de verkoopdatum geen bedrag van rond de € 40.000,-- van één van de rekeningen is afgehaald dan wel na de verkoopdatum op één van de rekeningen is gestort. De stelling van de raadsman dat de contante opnames zijn aangewend voor kosten van levensonderhoud is evenmin met stukken onderbouwd. Daarbij overweegt de rechtbank – indien zij zou uitgaan van het door de raadsman geschetste scenario – dat ook een gemiddeld bedrag van € 350,-- per maand voor een vierpersoonsgezin geenszins aannemelijk is, gelet ook op het uitgavenpatroon van [verdachte 5] en [medeverdachte 5] zoals dit uit het dossier naar voren is gekomen. In de door de raadsman gemaakte rekensom zijn bovendien niet alle uitgavenposten meegenomen. Als voorbeeld noemt de rechtbank dat er in deze rekensom geen rekening wordt gehouden met vakanties, terwijl [verdachte 5] volgens de verklaring van [verdachte 6] een huis in Marbella heeft en [verdachte 5] in ieder geval eenmaal op vakantie is gegaan voor een bedrag van € 3.141,--. Conclusie De rechtbank is gelet op het vorenstaande van oordeel dat [verdachte 5] zich tezamen en in vereniging met [medeverdachte 5] schuldig heeft gemaakt aan het gewoontewitwassen van de geldbedragen, zodat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen acht dat [verdachte 5] het hem onder feit 6 primair tenlastegelegde heeft begaan. Wel zal de rechtbank [verdachte 5] partieel vrijspreken van het onder sub e ten laste gelegde gewoontewitwassen van een contante betaling omtrent een Audi A6 voorzien van kenteken [kenteken 6] , omdat daarvoor onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is. 5.2.5 Zaakdossier 3C Witwassen Ten aanzien van [verdachte 9] (feit 3) Uit onderzoek naar de bankrekening van de rechtspersoon [bedrijf 30] zijn onder meer de volgende geldstromen naar voren gekomen: Op 6 september 2012 werd € 11.000,-- contant gestort op de rekening van [bedrijf 30] . Dezelfde dag werd er € 10.650,-- overgemaakt naar [bedrijf 31] te Hong Kong; Op 15 oktober 2012 werd, in vier delen, € 13.000,-- contant gestort op de rekening van [bedrijf 30] . Dezelfde dag werd € 13.000,-- overgeschreven naar [bedrijf 31] te Hong Kong; Op 16 oktober 2012 werd, in vier delen, € 13.000,-- contant gestort op de rekening van [bedrijf 30] . Dezelfde dag werd € 13.000,-- overgeschreven naar [bedrijf 31] te Hong Kong; Op 17 oktober 2012 werd, in twee delen, € 13.780,-- contant gestort op de rekening van [bedrijf 30] . Dezelfde dag werd € 12.700,-- overgemaakt naar [bedrijf 31] te Hong Kong; Op 11 december 2012 werd, in drie delen, € 12.080,-- contant gestort op de rekening van [bedrijf 30] . Dezelfde dag werd € 12.000,-- overgemaakt naar [bedrijf 32] ; Op 12 december 2012 werd, in drie delen, € 11.900,-- contant gestort op de rekening van [bedrijf 30] . Dezelfde dag werd € 9.900,-- overgemaakt naar [bedrijf 32] . Uit onderzoek naar de bankrekening van de rechtspersoon [bedrijf 33] zijn onder meer de volgende geldstromen naar voren gekomen: Op 11 december 2012 werd, in drie delen, € 12.800,-- contant gestort op de rekening van [bedrijf 33] . Dezelfde dag werd € 12.000,-- overgemaakt naar [bedrijf 32] ; Op 12 december 2012 werd, in drie delen, € 11.900,-- contant gestort op de rekening van [bedrijf 33] . Dezelfde dag werd € 11.900,-- overgemaakt naar [bedrijf 32] ; Op 20 december 2012 werd € 11.875,24 teruggeboekt (in verband met een foute tenaamstelling op de overboeking). Op 2 januari 2013 werd wederom geprobeerd € 11.900,-- over te maken. Ditmaal werd het geld overgeschreven naar de [bedrijf 34] . Ten tijde van de stortingen was [medeverdachte 6] eigenaar van [bedrijf 30] . [medeverdachte 6] was tevens rekeninghouder van de bankrekening van [bedrijf 30] . Opvallend gegeven is dat de rechtspersoon [bedrijf 30] met ingang van 1 november 2012 is opgeheven, terwijl er na deze datum gebruik is gemaakt van de rekening. Sinds 2 juli 2010 is [bedrijf 35] de enig aandeelhouder en directeur van [bedrijf 33] . Van [bedrijf 35] is [verdachte 1] de enig aandeelhouder en directeur. Per 7 november 2012 is [medeverdachte 6] bestuurder van [bedrijf 33] . Daarnaast is [medeverdachte 6] per begin december 2012 rekeninghouder van de bankrekening van [bedrijf 33] . In de woning van [verdachte 9] zijn onder het tapijt van de woonkamer elf stortingsbewijzen aangetroffen. De bedragen variëren van € 1.460,-- tot € 4.470,-- en de stortingsbewijzen komen overeen met stortingen die zijn gedaan op 11 en 12 december 2012. Op 1 oktober 2012 heeft [medeverdachte 7] een e-mailbericht ontvangen van [bedrijf 36] waaruit blijkt dat er een betaling moest worden gedaan van € 10.207,77 voor een container met 11.440 kilogram Alpha Acetyl en Edta-4N, bestemd voor het bedrijf [bedrijf 33] . Getuigen [medeverdachte 8] , [getuige 9] en [medeverdachte 10] (respectievelijk directeur, administratief medewerkster en creditcontroller bij [bedrijf 37] en betrokken bij deze betaling) bevestigen allen dat dit bedrag contant is betaald. [medeverdachte 6] heeft verklaard dat hij met [medeverdachte 7] en met ‘ene [verdachte 9] uit Leiden’ in december 2012 naar de ING bank in Leiden is geweest. [medeverdachte 7] en [verdachte 9] hadden geld gestort op hun eigen rekening, maar er zat een daglimiet op hun rekeningen. Aangezien er meer geld moest worden overgemaakt naar Hong Kong hadden zij [medeverdachte 6] hiervoor gevraagd. Het geld zou bedoeld zijn voor de import van aggregaten en het was afkomstig van [verdachte 9] . [verdachte 9] had een papiertje bij zich waarop stond waar het geld heen moest. [medeverdachte 7] heeft tegen [medeverdachte 6] gezegd dat het overmaken kon, omdat het onder een bepaald bedrag bleef.Op 15 oktober 2012 was dit hetzelfde verhaal, aldus [medeverdachte 6] . [medeverdachte 6] heeft toen zijn zorgen geuit, omdat het te storten geld van in totaal ongeveer € 13.000,-- bestond uit briefjes van 20 euro en zat in een soort toilettas. Met betrekking tot de stortingen en overboekingen op 16 oktober 2012 heeft [medeverdachte 6] verklaard dat hij daar niet bij was, maar dat [medeverdachte 7] zijn bankpas had. [medeverdachte 7] was altijd met [verdachte 9] met betrekking tot ‘die betalingen aan Hong Kong’ en [medeverdachte 7] en [verdachte 9] zijn zelfs tezamen aan de deur van [medeverdachte 6] geweest om de bankpas op te halen. Ook heeft [medeverdachte 6] weleens zijn tan-codes naar [medeverdachte 7] ge-sms’t. Over de stortingen op 11 december 2012 op de bankrekening van [bedrijf 33] heeft [medeverdachte 6] verklaard dat [verdachte 9] het geld had in briefjes van 50 euro. Begin december heeft [verdachte 9] de telefoon en het bankpasje van [medeverdachte 7] gekregen. [medeverdachte 6] denkt dat [verdachte 9] de stortingen op 12 december 2012 zelf heeft gedaan, want daar was [medeverdachte 6] zelf niet bij. Over de teruggeboekte storting op 20 december 2012 heeft [medeverdachte 6] verklaard dat het bankrekeningnummer verkeerd was en dat hij het bedrag heeft overgemaakt om [medeverdachte 7] te helpen. Met betrekking tot de betaalde inklaringskosten heeft [medeverdachte 6] verklaard dat hij samen met [medeverdachte 7] en [verdachte 9] naar Rotterdam is gereden, maar dat hij in zijn eigen auto buiten heeft staan wachten tot [medeverdachte 7] en [verdachte 9] weer naar buiten kwamen. In zijn verhoor op 23 juli 2013 vult [medeverdachte 6] zijn eerdere verklaring als volgt aan. Hij herkent ‘ [verdachte 9] ’ als [verdachte 9] op een aan hem getoonde foto. Verder heeft [medeverdachte 6] verklaard dat hij met [medeverdachte 7] en [verdachte 9] diverse betalingen heeft verricht in Uithoorn, Leiden en Nieuw-Vennep. Toen [medeverdachte 7] vast zat (de rechtbank begrijpt: vanaf 10 december 2012), moest [medeverdachte 6] samen met [verdachte 9] in Amstelveen een betaling verrichten voor Hong Kong. De bij [verdachte 9] aangetroffen stortingsbewijzen hebben betrekking op stortingen die [medeverdachte 6] samen met [verdachte 9] heeft gedaan net nadat [medeverdachte 7] vast zat. [verdachte 9] kwam dan met het geld naar de ING bank. In totaal zijn er vijf of zes transacties naar Hong Kong gedaan. Per keer bedroeg dit ongeveer € 20.000,- à € 30.000,-. Over de wijze van betalen heeft [medeverdachte 6] verklaard: “Bij de geldontvangstautomaat van de bank stak ik de betaalpas van [bedrijf 33] in de automaat. Dan gaat er zo'n luikje open. [verdachte 9] stopte dan het geld erin. Dan krijg je een stortingsbewijs uit de muur en [medeverdachte 7] (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 7] ) of [verdachte 9] hield deze bij zich. Dan liepen we met zijn drieën naar een computer van de bank en daar werd er geld overgemaakt naar Hong Kong.” [medeverdachte 7] heeft verklaard dat het geld rechtstreeks op de rekening van [bedrijf 33] werd gestort door [medeverdachte 6] en dat [verdachte 9] en [medeverdachte 7] hierbij aanwezig waren. In totaal moest er € 45.000,-- euro worden overgemaakt en [verdachte 9] heeft het geld in drie verschillende bedragen en verdeeld over meerdere dagen aan [medeverdachte 6] gegeven. Verder heeft [medeverdachte 7] verklaard dat hij samen met [verdachte 9] en [medeverdachte 6] naar de haven van Rotterdam is gereden om de inklaringskosten van de container te betalen. Deze kosten bedroegen ongeveer € 11.000,-- en het geld kreeg [medeverdachte 7] van [verdachte 9] overhandigd. [medeverdachte 7] heeft vervolgens de inklaringskosten betaald met het geld. Hierbij zijn [verdachte 9] en [medeverdachte 6] mee naar binnen gegaan, aldus [medeverdachte 7] . Bij het uiteindelijke openen van de container zag [medeverdachte 7] dat er geen aggregaten in de container zaten maar zakken met daarin een poeder. Over zijn inkomen heeft [verdachte 9] op 28 mei 2015 verklaard dat hij de laatste paar jaar zijn geld heeft verdiend met venten. Daar kon hij de ene keer wel en de andere keer niet van rondkomen. De gemiddelde inkomsten hieruit konden de ene keer € 200,-- per week en soms ook € 400,-- à € 500,-- per week zijn. De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat [verdachte 9] in vereniging zowel de stortingen op de rekeningen van [bedrijf 30] en [bedrijf 33] als de contante betaling van de inklaringskosten heeft gedaan. Voorts kan naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend worden bewezen dat [verdachte 9] de persoon was die de grote geldbedragen heeft aangeleverd alvorens deze werden gestort. Gelet op de discrepanties tussen het inkomen dat [verdachte 9] blijkens zijn eigen verklaring heeft genoten en de grote contante stortingen, zoals die zijn gebleken uit reeds genoemde bewijsmiddelen, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een vermoeden van witwassen. De rechtbank weegt eveneens mee dat het contante geld blijkens de verklaring van [medeverdachte 6] eenmaal werd aangeleverd in een toilettas, dat [medeverdachte 7] tegen [medeverdachte 6] heeft gezegd dat ze telkens onder een bepaald bedrag dienden te blijven om niet op te vallen en dat het geld bedoeld zou zijn voor de aanschaf van aggregaten, terwijl is gebleken dat de container deze niet bevatte. Hieruit volgt dat het aan [verdachte 9] is om hiervoor een (niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke) verklaring te verstrekken. [verdachte 9] heeft aanvankelijk geen verklaring willen geven. Over de stortingsbewijzen heeft [verdachte 9] verklaard dat hij hier niets mee te maken heeft en dat ze misschien wel door de politie in de woonwagen zijn gelegd. In zijn verhoor op 20 augustus 2013 heeft [verdachte 9] verklaard dat de verklaringen van [medeverdachte 6] en [medeverdachte 7] tegenstrijdig zijn en dat zij mogelijk hun verklaringen op elkaar hebben afgestemd. Eerst ter terechtzitting zijn er namens [verdachte 9] stukken overgelegd waaruit volgens de raadsman indirect blijkt dat [verdachte 9] voldoende inkomsten heeft genoten. Daarnaast heeft de raadsman bepleit dat [verdachte 9] niet beschikt over bankafschriften vanaf 2010, aangezien deze door het openbaar ministerie in beslag zijn genomen. Het openbaar ministerie heeft ook geen bank- en inkomensanalyse betreffende [verdachte 9] overgelegd. De rechtbank overweegt als volgt. Uit de door de verdediging aangeleverde stukken is op geen enkele wijze af te leiden dat het door [verdachte 9] gestorte geld geen criminele herkomst heeft, aangezien de stukken zien op de jaren ver voor en na de ten laste gelegde periode. Evenmin blijkt uit deze stukken dat [verdachte 9] in de periode voorafgaand aan de ten laste gelegde periode inkomsten van dusdanige omvang heeft genoten dat hij een dergelijk vermogen heeft kunnen opbouwen. Met betrekking tot de stelling van de raadsman dat de administratie van [verdachte 9] (die zag op het jaar 2012) in beslag is genomen, overweegt de rechtbank dat dit op geen enkele wijze is gebleken noch dat deze stelling door iets is onderbouwd. Door of namens [verdachte 9] is derhalve onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de gestorte geldbedragen een legale herkomst hebben. Conclusie De rechtbank is gelet op het vorenstaande van oordeel dat [verdachte 9] zich tezamen en in vereniging schuldig heeft gemaakt aan het gewoontewitwassen van de geldbedragen, zodat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen acht dat [verdachte 9] het hem onder feit 3 primair tenlastegelegde heeft begaan. De rechtbank merkt daarbij op dat zij met betrekking tot de stortingen op de rekening van [bedrijf 30] in haar rekensom tot een hoger bedrag komt dan is ten laste gelegd. Derhalve zal de rechtbank ten aanzien van deze stortingen ‘geldbedragen’ bewezen verklaren. 5.2.6 Zaakdossier 4D Vermeende valsheid rondom werkzaamheden Ten aanzien van [verdachte 5] (feit 11) Tijdens de doorzoeking op 30 juli 2013 van het kantoor van [bedrijf 38] , gevestigd aan de [adres 13] te Leiderdorp, zijn onder meer de volgende facturen aangetroffen: Factuur nr. 12-197 van [bedrijf 1] van 10 september 2012, Oudshoorn Alphen aan den Rijn voor aangenomen werk, te weten het verwijderen van een dakopbouw/installatie voor € 32.368,--; Factuur nr. 12-131 van [bedrijf 1] van 12 april 2012, Project Groenoord Hallen Leiden, het herstellen van belending aan het Plaza gebouw, voor € 31.237,50; Factuur nr. 12-107 van [bedrijf 1] van 12 april 2012, Project Groenoord Hallen Leiden, verwijderen dakleer, voor € 29.750,--; Factuur nr. 12-175 van [bedrijf 1] van 12 april 2012, Project Groenoord Hallen, plaatsen anti- inbraak schutting circa 210 meter, voor € 14.280,--; Factuur nr. 12-143 van [bedrijf 1] van 12 april 2012, Project R.E.T. Rotterdam, herstel werkzaamheden aan de waterkering, voor € 27.548,50; Factuur nr. 93 van [bedrijf 39] van 27 september 2012, Project Verzetlaan te Gouda, stripwerk flatwoning, voor € 31.535,--; Factuur nr. 2012144 van [bedrijf 2] van 24 oktober 2012, Werk RDM Rotterdam, herstelwerkzaamheden, voor € 35.816,--; Factuur nr. 2012158 van [bedrijf 2] van 3 december 2012, Project Kaiserstraat te Leiden, verwijderen en veiligstellen kunstwerken en dichtzetten ramen, voor € 23.716,--. Nadat de projectadministratie van de projecten 5459 (Oudshoorn Alphen aan den Rijn), Groenoord Hallen Leiden en RET Rotterdam door de politie is geraadpleegd, is de naam van [bedrijf 1] in zijn geheel niet uit de administratie naar voren gekomen. Dat wil zeggen dat er geen correspondentie met betrekking tot [bedrijf 1] is aangetroffen in de projectadministraties van bovenstaande projecten. Voorts is er tijdens de doorzoeking bij [bedrijf 38] geen verdere correspondentie met betrekking tot [bedrijf 39] aangetroffen. Na de projectadministratie van de projecten 5676 Project Kaiserstraat Leiden en RDM Rotterdam te hebben geraadpleegd, is de naam van [bedrijf 2] evenmin uit de administratie naar voren gekomen. Dat wil zeggen dat er geen correspondentie omtrent [bedrijf 2] is aangetroffen in de projectadministraties van bovenstaande projecten. [bedrijf 38] is op 20 november 1989 ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Sinds 18 juli 2001 is [medeverdachte 11] bestuurder van [bedrijf 38] . Enig aandeelhouder is [bedrijf 40] [bedrijf 1] is een besloten vennootschap die is opgericht op 28 augustus 2009. De bestuurder was vanaf die datum [bedrijf 41] . In de periode van 21 maart 2012 tot 2 november 2012 was [medeverdachte 2] als directeur (en voor een gedeelte van deze periode eveneens als aandeelhouder) betrokken bij [bedrijf 41] . Vanaf 1 april 2012 tot en 23 mei 2012 was naast [medeverdachte 2] ook [medeverdachte 4] directeur van [bedrijf 41] . Hieruit volgt dat [medeverdachte 2] als bestuurder van [bedrijf 1] formeel verantwoordelijk was voor de factuur met nummer 12-197 en dat [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] als bestuurders van [bedrijf 1] formeel verantwoordelijk waren voor de facturen met nummers 12-131, 12-107, 12-175 en 12-143. Per 1 maart 2012 is [bedrijf 1] uitgeschreven uit de Kamer van Koophandel. Op deze datum zijn de activiteiten van [bedrijf 1] overgedragen aan [bedrijf 42] Vanaf 2 november 2011 was [medeverdachte 2] bestuurder van [bedrijf 42] Opvallend gegeven is dat er ook na de uitschrijving van [bedrijf 1] bedragen zijn gefactureerd onder de naam [bedrijf 1] . [bedrijf 3] is een besloten vennootschap die is opgericht op 10 augustus 2010. Vanaf 29 augustus 2012 was de bestuurder/directeur en enig aandeelhouder: [bedrijf 43] . In de periode van 26 juli 2012 tot 8 oktober 2012 was [betrokkene 2] bestuurder van deze stichting. In de periode van 29 augustus 2012 tot en met 2 november 2012 was [medeverdachte 4] betrokken bij deze stichting waarbij hij vanaf 8 oktober 2012 bestuurder was. Hieruit volgt dat [betrokkene 2] (via de stichting) formeel verantwoordelijk was voor [bedrijf 3] ten tijde van de factuur. [bedrijf 2] is op 15 juni 2011 ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Vanaf 14 juni 2011 tot 7 september 2011 is [medeverdachte 12] als bestuurder van [bedrijf 2] in functie. Voorts waren [verdachte 4] (in de periode van 17 augustus 2011 tot 30 november 2012) en [betrokkene 2] (in de periode van 16 augustus 2012 tot 6 december 2012) als bestuurders betrokken bij [bedrijf 2] . Hieruit volgt dat [betrokkene 2] formeel verantwoordelijk was voor de factuur met nummer 2012158. [medeverdachte 4] heeft verklaard dat hij de facturen van [bedrijf 1] aan [bedrijf 38] nooit heeft gezien en deze niet kent. Hij ontkent op enig moment te hebben gefactureerd namens [bedrijf 1] . [medeverdachte 4] verklaarde verder dat [verdachte 4] hem had gevraagd directeur te worden van [bedrijf 41] . Daar zou hij vervolgens geld voor krijgen, maar dat heeft [medeverdachte 4] nooit gehad. [medeverdachte 4] verklaart niet te weten dat [bedrijf 1] een onderdeel was van [bedrijf 41] . Over de factuur van [bedrijf 39] heeft [medeverdachte 4] verklaard dat hij deze nog nooit gezien heeft en er ook niets vanaf weet. Hij ontkent dat hij de factuur heeft opgemaakt of dat hij de handgeschreven verandering van het banknummer heeft geschreven. [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij de facturen van [bedrijf 1] aan [bedrijf 38] niet heeft opgemaakt, maar dat [medeverdachte 4] daarvoor verantwoordelijk was. Zelf heeft hij de facturen nooit gezien en het bedrijf [bedrijf 38] kent hij niet. Het project Groenoord Hallen kent hij ook niet. [medeverdachte 2] heeft [bedrijf 41] verkocht aan [medeverdachte 4] na bemiddeling door [verdachte 4] . [betrokkene 2] heeft verklaard dat hij [bedrijf 3] op 8 oktober 2012 heeft verkocht aan [medeverdachte 4] . Hij kan niets vertellen over de factuur van [bedrijf 3] naar [bedrijf 38] . Het is geen factuur van [betrokkene 1] , onder geen voorwaarde. Hij “kent het hele gebeuren niet” en zowel het logo op de factuur als het bedrijf [bedrijf 38] zijn hem onbekend. De factuur heeft hij niet opgesteld. Over [bedrijf 2] heeft [betrokkene 1] verklaard dat hij een paar dagen bestuurder is geweest. Verder heeft hij verklaard dat hij niets weet van de boekhouding van [bedrijf 2] , omdat die hem nooit is aangeleverd. Met betrekking tot de factuur van 24 oktober 2012 met nummer 2012144 heeft [betrokkene 1] verklaard dat dit hem niets zegt en dat hij deze niet heeft opgemaakt. Met betrekking tot de factuur van 3 december 2012 met nummer 2012158 heeft [betrokkene 1] gelijkluidend verklaard: “Ik heb deze factuur niet opgemaakt. Mij zegt deze factuur niks. [bedrijf 38] heeft voor mij die klus niet gedaan. Ik ken [bedrijf 38] ook niet. De factuur lijkt mij valselijk opgemaakt.” [verdachte 4] heeft eveneens verklaard dat hij de facturen van [bedrijf 2] aan [bedrijf 38] niet eerder heeft gezien. Voorts heeft hij hiervoor geen geld zien binnenkomen via de rekening van [bedrijf 2] . [medeverdachte 11] heeft op 30 juli 2013 verklaard dat hij de directeur is van [bedrijf 38] . Alleen hij en de boekhouder ( [getuige 5] ) kunnen op de rekening van [bedrijf 38] kijken. [medeverdachte 4] heeft hij nooit persoonlijk ontmoet. De afspraken met onderaannemers legt hij niet vast, maar de bedragen onthoudt hij wel. [medeverdachte 11] verklaarde dat hij niet weet wie er achter [bedrijf 3] zit en heeft in zijn verhoor aangegeven dat hij moet nazoeken waarom [bedrijf 3] niet in de projectadministratie voorkomt. Ten aanzien van [bedrijf 2] heeft [medeverdachte 11] verklaard dat hij [bedrijf 2] niet kent. Hij moet uitzoeken waar de opgave van de werkzaamheden zich in de administratie bevindt. Met [medeverdachte 13] spreekt [medeverdachte 11] niet over betalingen. [medeverdachte 11] heeft op 12 augustus 2013 verder verklaard dat [medeverdachte 13] de uitvoerder was van het project aan de Kaiserstraat te Leiden. Het is goed mogelijk dat de factuur niet is gestempeld, omdat dit niet altijd gebeurt. Het werk is geleverd, al weet [medeverdachte 11] niet of [bedrijf 2] dat heeft gedaan. [bedrijf 2] kent [medeverdachte 11] zoals eerder gezegd niet. Van [bedrijf 1] weet [medeverdachte 11] dat het een uitzendbureau is dat met hem contact heeft opgenomen. [medeverdachte 13] heeft in het project RET Rotterdam gezeten. Dat [bedrijf 1] niet in de projectadministratie naar voren is gekomen, komt omdat het onderaannemers zijn. Met betrekking tot het project Groenoord Hallen is [bedrijf 1] niet in het bestek naar voren gekomen, omdat leveranciers daar nooit in staan. Wederom heeft [medeverdachte 11] de toezegging gedaan dat hij het ging uitzoeken. De rechtbank stelt vast dat – ondanks dat [medeverdachte 11] meermalen heeft toegezegd bepaalde zaken uit te zoeken in de administratie – [medeverdachte 11] geen antwoord heeft gegeven op de vraag waarom bepaalde zaken met betrekking tot [bedrijf 1] , [bedrijf 2] en [bedrijf 39] niet in de administratie voorkwamen. Tussenconclusie Op grond van het voorgaande acht de rechtbank het onaannemelijk dat de werkzaamheden die vermeld staan op de facturen aan [bedrijf 38] , daadwerkelijk zijn uitgevoerd door de op de factuur vermelde rechtspersonen. De rechtbank ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of [verdachte 5] deze facturen heeft opgemaakt/vervalst of laten opmaken/vervalsen, al dan niet in vereniging, dan wel (cumulatief/alternatief) of [verdachte 5] deze facturen, al dan niet in vereniging, heeft afgeleverd of voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist of behoorde te vermoeden dat deze facturen bestemd waren voor gebruik als waren zij echt. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Uit de analyse van de bankafschriften, bezien in samenhang met de getapte telefoongesprekken, blijkt dat [medeverdachte 13] op 31 oktober 2012 aan [verdachte 5] vraagt hem het goede nummer te sms-en, omdat er geld teruggestort wordt. [verdachte 5] antwoordt: “hij krijgt het terug gestort”. Op een overzicht van de betalingen van [bedrijf 38] is te zien dat op die dag een bedrag van € 31.535,-- (vanaf de rekening van [bedrijf 39] ) wordt betaald, onder vermelding van factuurnummer 93 27-09-2012, en vervolgens wordt teruggestort. De reden voor de terugstorting is dat het oorspronkelijk gebruikte rekeningnummer onbekend is. Vervolgens wordt € 31.535,-- op 1 november 2012, onder vermelding van hetzelfde factuurnummer 93 27-09-2012, vanaf [bedrijf 38] naar een ander rekeningnummer gestort. De rechtbank is van oordeel dat de betrokkenheid van [verdachte 5] vaststaat bij de factuur 93 van 27 september 2012 (inhoudende dat [bedrijf 38] aan [bedrijf 3] een bedrag van € 31.535,-- diende te betalen voor het door [bedrijf 3] uitgevoerde sloopwerk aan een flatwoning). Gelet op de inhoud van het hiervoor weergegeven gesprek, het terugstorten van het bedrag op dezelfde dag als dat gesprek en het vervolgens storten van dat bedrag op een ander rekeningnummer, kan het niet anders zijn dan dat dit gesprek tussen [medeverdachte 13] en [verdachte 5] zag op het bedrag van € 31.535,--. [verdachte 5] moet derhalve op de hoogte zijn geweest van de oorspronkelijke betaling en, g

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.