Rechtbank den haag Team handel - voorzieningenrechter zaak- / rolnummer: C/09/512107 / KG ZA 16-677 Vonnis in kort geding van 11 juli 2016 in de zaak van [eiseres] , wonende te [woonplaats] , eiseres, advocaat mr. J. el Hannouche te Utrecht, tegen: DE STAAT DER NEDERLANDEN, zetelend te Den Haag, gedaagde, advocaat mr. M.E. de Boer te Den Haag. Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ' [eiseres] ' en 'de Staat'. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding met productie; - de brief van de Staat van 29 juni 2016, met producties; - de op 1 juli 2016 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door de Staat pleitnotities zijn overgelegd. 1.2. Ter zitting is vonnis bepaald op heden. 2De feiten Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan. 2.1. Aan [eiseres] zijn in totaal dertien sancties opgelegd ingevolge de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften ('WAHV'). Uit hoofde daarvan was [eiseres] ten tijde van de mondelinge behandeling nog een bedrag verschuldigd van in totaal € 6.413,63. 2.2. Nadat verhaal van de sancties niet mogelijk bleek, heeft de officier van justitie zich gewend tot de kantonrechter van de rechtbank Noord Nederland (locatie Leeuwarden) en op grond van de WAHV machtiging tot toepassing van het dwangmiddel gijzeling verzocht ter zake van de dertien sancties. De kantonrechter heeft de gevraagde machtigingen verleend, waaronder de navolgende: op 11 februari 2013 voor de duur van zeven dagen betreffende de sanctie met CJIB-nummer [CJIB-nummer] ter zake van een nog verschuldigd bedrag van € 1.176,--; op 18 februari 2014 voor de duur van zeven dagen betreffende de sanctie met CJIB-nummer [CJIB-nummer] ter zake van een nog verschuldigd bedrag van € 210,--. 2.3. [eiseres] is op 27 mei 2015 gegijzeld krachtens de verleende machtigingen. 2.4. Op 29 juni 2015 heeft [eiseres] de Staat in kort geding gedagvaard, waarbij zij vorderde de gijzeling met onmiddellijke ingang te beëindigen. 2.5. Op 30 juni 2015 zijn partijen een betalingsregeling overeengekomen ter zake van de dertien openstaande sancties, waarna [eiseres] direct in vrijheid is gesteld en het kort geding is ingetrokken De betalingsregeling is vastgelegd in een brief van het Centraal Justitieel Incassobureau (hierna 'CJIB') van 6 juli 2015. Voor zover hier van belang vermeldt de brief: "Ik heb uw voorstel voor een betalingsregeling ontvangen. Ik ga akkoord met een voorlopige betalingsregeling voor de volgende zaken: (…) De voorlopige betalingsregeling bestaat uit 9 maandtermijnen van € 10,00. Het termijnbedrag moet iedere maand op de 6e zijn bijgeschreven op IBAN NL78 RBOS 0569 9888 61 (BIC RBOSNL2A) van het CJIB onder vermelding van 6333000022975512 . De eerste vervaldatum is 6 augustus 2015 . Als u het restant na de voorlopige regeling niet in één keer kan betalen, kan u een nieuw voorstel doen. Hiervoor ontvangt u bijgaand het formulier Aanvraag betalingsregeling. Het ingevulde formulier moet samen met kopieën van de gevraagde stukken uiterlijk op 6 juli 2016 door ons zijn ontvangen. Als een termijnbedrag niet op tijd is bijgeschreven dan vervalt de regeling. U moet het volledig openstaande bedrag dan in een keer betalen. Bovendien komt u dan niet meer in aanmerking voor een nieuwe betalingsregeling." 2.6. Op 17 november 2015 heeft het CJIB het volgende bericht aan [eiseres] : "Op 6 juli 2015 heb ik u een brief gestuurd met daarin een akkoord voor een voorlopige betalingsregeling. Helaas heb ik in augustus, september en oktober geen betalingen van u ontvangen. Ik verzoek u deze betalingen binnen drie weken na dagtekening van deze brief over te maken op IBAN NL78 RBOS 0569 9888 61 (BIC RBOSNL2A) van het Centraal Justitieel Incassobureau onder vermelding van 6333000022975512 . De voorlopige betalingsregeling bestaat uit 9 maandtermijnen van € 10,00. Als het bedrag binnen de genoemde termijn niet op onze rekening is bijgeschreven, vervalt de regeling. Het resterende bedrag moet dan in een keer worden betaald. U dient naast de achterstallige termijnen ook de eerder met u overeengekomen betalingsregeling na te komen." 2.7. Bij brief van 19 april 2016 heeft het CJIB het volgende medegedeeld aan [eiseres] : "Op 6 juli 2015 heeft u een (voorlopige) betalingsregeling met het CJIB gesloten. U was op dat moment gegijzeld voor een aantal Wahv-sancties, waarna het CJIB de afgegeven machtigingen gijzeling retour heeft gevraagd en u in vrijheid bent gesteld. Het CJIB heeft gelet op de door u aangevoerde feiten en omstandigheden een betalingsregeling toegestaan van 10.00 per maand. U diende de eerste termijn voor 6 augustus 2015 te betalen. Op 17 november 2015 is vastgesteld dat u geen enkele betaling hebt verricht en is een herinneringsbrief aan u verzonden. In deze brief is vermeld dat indien het bedrag niet binnen de genoemde termijn op de rekening van het CJIB is bijgeschreven, de regeling zou komen te vervallen en het resterende bedrag in een keer zou moeten worden betaald. Ik stel vast dat tot op heden nog geen enkele betaling van u is ontvangen, zodat de betalingsregeling inmiddels is komen te vervallen. Omdat u ondanks de gesloten betalingsregeling tot op heden niet tot betaling bent overgegaan, is het CJIB genoodzaakt de reeds afgegeven machtigingen gijzeling alsnog ten uitvoer te leggen. De politie krijgt de opdracht om de machtigingen ten uitvoer te leggen. Dit betekent dat u na aanhouding gegijzeld wordt. U kunt deze gijzeling te allen tijde voorkomen door het betalen van de openstaande sancties." 2.8. Op 30 mei 2016 en 6 juni 2016 heeft [eiseres] (telkens) een bedrag van € 10,-- overgemaakt naar het CJIB ter zake van de openstaande sancties. 3Het geschil 3.1. [eiseres] vordert de Staat - op straffe van verbeurte van een dwangsom - te verbieden over te gaan tot haar gijzeling. 3.2. Daartoe voert [eiseres] - samengevat - het volgende aan. Nadat partijen (mondeling) een betalingsregeling hadden afgesproken, was [eiseres] in afwachting van de (schriftelijke) bevestiging ervan. De bevestiging van 6 juli 2015 heeft [eiseres] echter nooit ontvangen, evenmin overigens als de herinnering van 17 november 2015. Dat kan worden verklaard door de omstandigheid dat [eiseres] woonachtig is in een gebouw met veel bewoners, waar regelmatig poststukken zoekraken. Als gevolg daarvan was [eiseres] niet bekend met het rekeningnummer waarop de betalingen dienden plaats te vinden en het bij de betalingen op te geven betalingskenmerk en kon zij de overeengekomen betalingen niet verrichten. Nadat [eiseres] uiteindelijk (in mei 2016) op de hoogte raakte van de betreffende gegevens is zij onmiddellijk overgegaan tot nakoming van de betalingsregeling. Tenuitvoerlegging van machtigingen tot gijzeling kan slechts plaatsvinden in geval van betalingsonwil. Zoals uit het voorgaande volgt is daarvan voor wat betreft [eiseres] geen sprake. In de gegeven omstandigheden was zij betalingsonmachtig. In die situatie dient de gijzeling van [eiseres] geen enkel doel en is tenuitvoerlegging van de machtigingen onrechtmatig. 3.3. De Staat voert gemotiveerd verweer, dat - voor zover nodig - hierna zal worden besproken. 4De beoordeling van het geschil 4.1. [eiseres] grondt haar vordering op onrechtmatig handelen van de Staat. Daarmee is in zoverre de bevoegdheid van de burgerlijke rechter - in dit spoedeisende geval de voorzieningenrechter in kort geding - gegeven. 4.2. Bij de beoordeling van het onderhavige geschil staat het volgende voorop. (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.