vonnis RECHTBANK DEN HAAG Team handel Zaaknummer / rolnummer: C/09/501590 / HA ZA 15-1384 Vonnis van 20 juli 2016 in de zaak van [eiseres] , wonende te [woonplaats 3] , eiseres, advocaat mr. F.M. Hooijmans te Rotterdam, tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats 2] , gedaagde, advocaat mr. J.J. Dekker te Lisse. Partijen zullen hierna eiseres en gedaagde genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 2 december 2015, met producties; de conclusie van antwoord; het tussenvonnis van 10 februari 2016, waarbij een comparitie van partijen is bevolen; het proces-verbaal van comparitie van 30 mei 2016 en de daarin genoemde stukken, te weten de akte houdende eiswijziging tevens akte overlegging producties van de zijde van eiseres en de akte beantwoording vragen rechtbank, met producties, van de zijde van gedaagde. 1.2. Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. Partijen zijn schoonzussen van elkaar. 2.2. Uit het huwelijk tussen [de vader] (hierna: de vader) en [de moeder] (hierna: de moeder) zijn geboren twee kinderen: eiseres en [de broer] (hierna: de broer). Gedaagde is in 1988 gehuwd met de broer. 2.3. Gedaagde heeft op 5 juli 1996 een bedrag van ƒ 186.000,-- (€ 84.403,12) (hierna: de geldlening) geleend van de vader. In de onderhandse akte van geldlening (hierna: de geldleningsovereenkomst) is onder meer het volgende opgenomen: “Terzake van deze geldlening zijn de ondergetekenden, handelend als gemeld, overeengekomen als volgt: over de hoofdsom of het restant daarvan moet een rente worden betaald van 7% per jaar, maandelijks te voldoen bij achterafbetaling op de laatste werkdag van de maand, voor het eerst op 31 juli 1996 over het alsdan sedert heden verschenen tijdvak; de schuldenaar is niet verplicht doch wel bevoegd tot (boetevrije) aflossing op de hoofdsom; de hoofdsom of het restant daarvan is slechts opeisbaar bij wanbetaling of verzuim in de stipte voldoening van de rente, bij overtreding, niet-nakoming van een of meer der bij deze gemaakte bedingen, bij faillissement, overlijden, onder curatele-stelling van- of boedelafstand door de schuldenaar, bij haar aanvrage om sursèance van betaling of wanneer executoriaal beslag wordt opgelegd op goederen van de schuldenaar; alle betalingen zullen moeten geschieden in goed gangbaar Nederlands geld en ten huize van de schuldeiser of zijn gemachtigde, zonder enige korting of verrekening; zolang de hoofdsom met rente en eventuele kosten nog niet volledig door de schuldenaar is afgelost verbindt de schuldenaar zich jegens de schuldeiser tot het volgende: het is de schuldenaar zonder schriftelijke toestemming van de schuldeiser niet toegestaan de thans aan de schuldenaar toebehorende registergoederen en de eventueel nog door de schuldenaar te verkrijgen registergoederen geheel of ten dele te verkopen, in huurkoop te geven, te ruilen, te schenken of op andere wijze te vervreemden (waaronder begrepen zich verbinden tot vervreemding), te verhuren, te verpachten of op enige wijze in gebruik te geven, met hypotheek of andere beperkte rechten te bezwaren; om op eerste vordering van de schuldeiser onder de gebruikelijke voorwaarden, te zijnen behoeve hypotheek te vestigen op de hiervoor onder A bedoelde registergoederen, zulks tot zekerheid voor de voldoening van al hetgeen de schuldeiser van de schuldenaar, uit welken hoofde ook, te vorderen mocht hebben, tot het bedrag van genoemde schuld of het resterende bedrag daarvan, vermeerderd met 30% daarvan voor rente, boeten en kosten; de kosten dezer akte en alle kosten welke de schuldeiser tot behoud en ter uitoefening van zijn rechten nodig heeft geoordeeld en die op de opeising vallende komen voor rekening van de schuldenaar. Getekend te Leiden, op 5 juli 1996.” 2.4. De vader en de moeder waren in gemeenschap van goederen getrouwd. Dit huwelijk is ontbonden door het overlijden van de vader op 7 augustus 2002. De vader heeft bij testament van 7 augustus 2001 over zijn nalatenschap beschikt. Daarin heeft hij zijn echtgenote en zijn kinderen voor gelijke delen tot erfgenamen benoemd. De vader heeft zijn nalatenschap voorts verdeeld door middel van een ouderlijke boedelverdeling als bedoeld in artikel 4:1167 BW (oud). Hij heeft zijn echtgenote tot executeur benoemd. 2.5. In 2003 is een door de echtgenoot van eiseres geëntameerde procedure gevoerd tussen de moeder (advocaat: mr. J.J.M. van Lint) en gedaagde (advocaat: mr. W.G.M. Nannings), waarin onder meer nakoming werd gevorderd van de geldleningsovereenkomst. Die procedure is door de advocaat van de moeder ingetrokken. 2.6. In voormelde procedure heeft mr. J.J.M. van Lint aan gedaagde en haar echtgenoot (de zoon) bij brief van 3 april 2003 het volgende geschreven: “Naar aanleiding van uw faxbrief van 1 april 2003 bericht ik u het volgende. (…) Overigens lijkt mij een inhoudelijke reactie weinig zin hebben. Feit is namelijk dat er een geldlening is verstrekt, en feit is ook dat daar al geruime tijd geen rente voor is betaald, en dat de geldlening afgelost dient te worden!” 2.7. In een handgeschreven verklaring van 6 mei 2003 verklaart de moeder dat zij geen proces tegen gedaagde is begonnen en dat zij geen vordering heeft op gedaagde. 2.8. Bij brief van 15 mei 2003 heeft mr. W.G.M. Nannings aan mr. J.J.M. van Lint in voormelde procedure onder meer het volgende geschreven: “Arag Rechtsbijstand N.V. heeft mij opdracht gegeven verweer te voeren tegen de vordering die U namens mevrouw [de moeder] aanhangig maakte tegen mevrouw [gedaagde] . U heeft gedagvaard tegen woensdag 21 mei a.s. In mijn dossier bevindt zich een verklaring waarin mevrouw [de moeder] stelt, dat zij geen opdracht heeft gegeven een procedure tegen haar schoondochter aan te vangen, tevens verklaart zij dat de vordering als zodanig niet meer bestaat. Deze verklaring voeg ik bij.” 2.9. Bij brief van 19 mei 2003 heeft mr. J.J.M. van Lint aan de moeder onder meer het volgende geschreven: “U gaf aan de verklaring van 6 mei 2003 (die is opgesteld door uw zoon [de broer] ) te hebben ondertekend, louter en alleen om de rust binnen de familie te bewaren c.q. te bereiken. U heeft aangegeven daarbij niet de inhoud daarvan te beseffen. U gaf aan met de tweede mededeling in uw verklaring van 6 mei 2003 ook geen notie te hebben van de hoogte van de vorderingen. U gaf aan zelfs niet op de hoogte te zijn van een lening. Het enige wat u met de verklaring wilde bereiken was het trachten te bewaren van de rust binnen de familie. Ik heb eerder begrepen, mede uit de stukken, dat u wel wist van de lening en wel instemde met de procedure. Blijkbaar hebt u daar achteraf spijt van c.q. was u zich daarvan niet of onvoldoende bewust. Nu in ieder geval thans geen instemming meer van u bestaat met een gerechtelijke procedure betreffende de nalatenschap, kan ik die procedure ook niet voortzetten. Ik zal de dagvaarding die is uitgebracht, weer intrekken.” 2.10. Bij e-mail van 5 augustus 2008 heeft de broer aan eiseres onder meer het volgende geschreven: “Sinds 29 juli 2008 is je moeder verhuist naar zorginstelling Bloemswaard te Hillegom. Dit naar aanleiding van het advies van het CIZ (…) en de huisarts. Ze is dermate dement, dat ze is geplaatst op etage 3. Dat wil zeggen, met beperkte bewegingsvrijheid en volledige verzorging voor wat betreft eten en drinken.” 2.11. Bij e-mail van 7 oktober 2014 heeft [X] van HOZO (de zorginstelling) aan de echtgenoot van eiseres onder meer bericht: “Mw. [de moeder] is op 24 juni 2008 in Bloemswaard komen wonen op appartement 348 op de psycho-geriatrische afdeling. Vanaf deze datum werd mevrouw volledig verzorgd door de zorg in Bloemswaard. Vanaf 01 juli 2010 tot en met 19 augustus 2010 heeft mevrouw tijdelijk in een verpleeghuis verbleven en is daarna weer terug gekomen in Bloemswaard. Op 29 maart 2011 is mevrouw [de moeder] definitief naar den Weeligenberg verhuisd.” 2.12. De moeder is overleden op 1 juli 2011. De moeder heeft bij testament van 19 mei 2004 haar zuster, mevrouw [Y] , tot executeur benoemd. Eiseres en de broer zijn de wettelijke erfgenamen van de moeder, ieder voor de helft van haar nalatenschap. 2.13. Mevrouw [Y] heeft bij brief van 26 september 2011 aan de erfgenamen en aan mr. Kamps van Teekens Karstens Notarissen bericht dat zij afziet van haar rol als executeur. 3Het geschil 3.1. Eiseres vordert, na wijziging van eis, bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van gedaagde tot: primair nakoming van de geldleningsovereenkomst door gedaagde, althans (terug)betaling van het (gehele) door gedaagde geleende bedrag uit hoofde van de geldlening van € 84.403,12, vermeerderd met contractuele rente van 7% vanaf 3 april 2003, dan wel vanaf een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum en/of te bepalen rente, tot aan de dag van de algehele voldoening aan eiseres ten behoeve van de nalatenschappen van de vader en/of de moeder; subsidiair gedeeltelijke nakoming van de geldleningsovereenkomst door gedaagde, althans (terug)betaling van de helft van het door gedaagde geleende geldbedrag uit hoofde van de geldlening van € 42.201,56, vermeerderd met contractuele rente van 7% vanaf 3 april 2003, dan wel vanaf een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum en/of te bepalen rente, tot aan de dag van de algehele voldoening aan eiseres, al dan niet ten behoeve van de nalatenschappen van de vader en de moeder; meer subsidiair betaling aan eiseres van € 21.100,--, dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf primair 30 mei 2016 en subsidiair een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum, tot aan de dag der algehele voldoening; vergoeding van de buitengerechtelijke kosten van eiseres conform de staffel buitengerechtelijke incassokosten; betaling van de kosten van deze procedure, die van de gemachtigde daaronder begrepen en de nakosten; een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en – voor het geval voldoening daarvan niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening. 3.2. Eiseres legt aan haar (primaire en subsidiaire) vordering ten grondslag dat gedaagde tekortschiet in de nakoming van de geldleningsovereenkomst. Gedaagde heeft de geldlening niet afgelost, noch heeft zij de verschuldigde rente betaald, waardoor sprake is van wanprestatie ex artikel 6:74 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Eiseres vordert primair als erfgenaam in de nalatenschappen van haar ouders, in hoedanigheid van rechtsopvolger onder algemene titel, ten behoeve van de nalatenschappen van haar ouders nakoming van de geldleningsovereenkomst, aangezien deze geldvordering in de nalatenschappen valt. Subsidiair vordert eiseres, voor zover haar niet het vorderingsrecht toekomt om ten behoeve van de nalatenschappen algehele nakoming van de geldleningsovereenkomst te vorderen, (terug)betaling van de helft van de geldlening. Meer subsidiair stelt eiseres dat door het bewust laten verjaren van de vordering sprake is geweest van een voor inkorting vatbare gift van de moeder aan gedaagde ten bedrage van € 84.403,12. De legitimaire aanspraak van eiseres bedraagt 1/4e deel daarvan zijnde € 21.100,--. Gedaagde is op de voet van artikel 4:90 BW verplicht om in ieder geval € 21.100,-- aan eiseres te vergoeden. 3.3. Gedaagde voert gemotiveerd verweer. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling Ontvankelijkheid 4.1. Gedaagde heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van eiseres in haar (primaire en subsidiaire) vordering, vanwege het feit dat deze niet overeenkomstig artikel 4:145 lid 2 BW is ingesteld door de executeur. 4.2. De moeder heeft in haar testament haar zuster, [Y] , tot executeur benoemd. Het al dan niet aanvaarden van het executeurschap is vormvrij. Dat [Y] in de periode tussen 1 juli 2011 en haar brief van 26 september 2011 executeurswerkzaamheden heeft verricht is door eiseres gemotiveerd betwist en door gedaagde niet nader onderbouwd. Met haar brief van 26 september 2011 heeft mevrouw [Y] aangegeven dat zij het executeurschap niet aanvaardt. Daarmee staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat er op het moment van indienen van de dagvaarding geen executeur was, zodat de vordering niet kon worden ingesteld door de executeur. 4.3. Op grond van artikel 3:171 BW is eiseres als deelgenoot zelfstandig bevoegd tot het instellen van een rechtsvordering ter verkrijging van een rechterlijke uitspraak ten behoeve van de gemeenschap (de nalatenschap van de moeder). Eiseres is dan ook ontvankelijk in haar vorderingen. Eiswijziging 4.4. Gedaagde heeft bezwaar gemaakt tegen de eiswijziging, stellende dat – hoewel de eiswijziging tijdig is ingediend – eiseres de eiswijziging doet in haar hoedanigheid van legitimaris, terwijl zij in de dagvaarding aangeeft dat zij procedeert als rechtsopvolger onder algemene titel van haar ouders. Gedaagde is van mening dat eiseres het hiermee “ineens over een heel andere boeg gooit”. Ter zitting heeft gedaagde verklaard af te zien van het verzoek nog nader schriftelijk te mogen reageren op de eiswijziging. 4.5. Zoals ter zitting aan partijen is medegedeeld, accepteert de rechtbank de eiswijziging. Er is voldoende samenhang aanwezig met de oorspronkelijk ingediende vordering en gedaagde heeft inhoudelijk kunnen reageren. Er is dan ook geen strijd met de eisen van een goede procesorde. De rechtbank zal dus beslissen op de vordering zoals deze na de eiswijziging luidt. Lening afgelost? 4.6. Partijen twisten over de vraag of de geldlening is afgelost, al dan niet door verrekening. De rechtbank is van oordeel dat de beantwoording van deze vraag in het midden kan blijven en gaat er in het navolgende veronderstellenderwijs vanuit dat de geldlening niet is afgelost. Verjaring 4.7. Gedaagde betoogt dat de (primaire en subsidiaire) vordering is verjaard, omdat de termijn van vijf jaar als bedoeld in artikel 3:307 lid 1 BW is verlopen en de verjaring niet binnen die termijn is gestuit. 4.8. Eiseres betoogt dat, mocht de verjaringstermijn al zijn aangevangen, op grond van artikel 3:315 BW sprake is van een verjaringstermijn van twintig jaar. 4.9. De primaire en subsidiaire vordering van eiseres strekken tot nakoming van betalingsverplichtingen uit hoofde van een overeenkomst van geldlening. Eiseres is als erfgenaam in hoedanigheid van rechtsopvolger onder algemene titel van haar ouders in beginsel bevoegd tot het innen van de vordering. Artikel 3:315 BW, waar eiseres zich op beroept, ziet op een rechtsvordering tot opeising van een nalatenschap. Aangezien daar geen sprake van is, is artikel 3:315 BW niet van toepassing. Het feit dat de vordering krachtens erfrecht is overgegaan op eiseres en de broer doet niets af aan de algemene regels voor verjaring die ook op de onderhavige vordering van toepassing zijn. 4.10. Krachtens artikel 3:307 lid 1 BW verjaart een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis uit overeenkomst tot een geven of doen na vijf jaar. Een uitzondering geldt voor verbintenissen tot nakoming na onbepaalde tijd (lid 2), waarvoor een verjaringstermijn van twintig jaar geldt. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat bij deze bijzondere bepaling met name ook is gedacht aan renteloze geldleningen voor onbepaalde tijd (Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1410 en 1411). 4.11. De rechtbank stelt vast dat de vader en gedaagde destijds met elkaar zijn overeengekomen dat de geldlening niet opeisbaar is, tenzij zich één van de situaties voordoet als omschreven in de geldleningsovereenkomst onder het derde aandachtsstreepje. Dus bij wanbetaling of verzuim in de stipte voldoening van de rente, bij overtreding, niet-nakoming van een of meer van de in de overeenkomst gemaakte bedingen, bij faillissement, overlijden, onder curatele-stelling van- of boedelafstand door de schuldenaar, bij haar aanvrage om surséance van betaling of wanneer executoriaal beslag wordt opgelegd op goederen van de schuldenaar. 4.12. Ingevolge artikel 3:307 lid 1 BW is de verjaringstermijn van vijf jaar van toepassing op de vordering tot nakoming van de betalingsverplichtingen uit hoofde van de geldleningovereenkomst. Nu er betaling van rente is overeengekomen en de geldlening opeisbaar is in de situaties als hiervoor omschreven, is artikel 3:307 lid 2 BW niet van toepassing. 4.13. Op grond van artikel 3:307 lid 1 BW vangt de verjaringstermijn van vijf jaar aan op de dag, volgende op die waarop de vordering opeisbaar is geworden. 4.14. Uit de geldleningsovereenkomst volgt dat de geldlening onder meer opeisbaar is bij verzuim in de stipte voldoening van de rente. Uit de brief van 3 april 2003 van mr. Van Lint blijkt dat op dat moment al geruime tijd geen rente was betaald, zodat de vordering in ieder geval op 3 april 2003 opeisbaar was. Niet is gesteld of gebleken dat een van de andere opeisbaarheidsgronden zich voor die datum heeft voorgedaan. 4.15. In de in 2003 gevoerde procedure heeft de moeder nakoming gevorderd van de geldleningsovereenkomst. Gedaagde stelt zich op het standpunt dat de lening al was afgelost of verrekend toen die procedure werd gevoerd. Wat daar ook van zij, de rechtbank constateert dat de lening kennelijk voor 1 april 2003 door de moeder is opgeëist, gelet op de brief van 3 april 2003 van mr. Van Lint aan gedaagde en de broer, waarin hij reageert op hun faxbrief van 1 april 2003. De rechtbank maakt daaruit op dat de moeder de procedure voor 1 april 2003 is begonnen. Nu geen stukken in het geding zijn gebracht waaruit blijkt wanneer de moeder de procedure is begonnen en partijen zich daarover niet hebben uitgelaten, houdt de rechtbank het ervoor dat de verjaringstermijn van vijf jaar is aangevangen op 1 april 2003. 4.16. Krachtens artikel 3:316 lid 1 BW wordt de verjaring van een rechtsvordering gestuit door het instellen van een eis. Nu de procedure is ingetrokken en de ingestelde eis niet tot toewijzing heeft geleid, diende de moeder op grond van artikel 3:316 lid 2 BW binnen zes maanden nadat het geding was geëindigd, derhalve binnen zes maanden vanaf 19 mei 2003, een nieuwe eis in te stellen om de verjaring van de rechtsvordering op gedaagde te stuiten op de voet van artikel 3:316 BW. De moeder heeft geen nieuwe eis ingesteld, zodat zij het profijt van de eerst ingestelde eis niet heeft behouden en de stuiting geacht wordt niet te hebben plaatsgevonden. 4.17. Niet is gesteld of gebleken dat de moeder de verjaring voor 1 april 2008 heeft gestuit, zodat de vordering tot nakoming van de verplichtingen uit hoofde van de geldleningsovereenkomst in beginsel is verjaard. Beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar? 4.18. Eiseres voert aan dat het beroep op verjaring in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. In dat verband heeft zij betoogd dat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.