Rechtbank DEN HAAG Strafrecht Meervoudige strafkamer Parketnummer: 09/827103-16 Datum uitspraak: 22 juli 2016 Verstek Vonnis De rechtbank Den Haag heeft op grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte: [Noureddin B.] , geboren op [geboortedag] 1993 te [geboorteplaats] , thans zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande. 1Het onderzoek ter terechtzitting Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 4 april 2016, 5 juli 2016 en 22 juli 2016. De verdachte is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter terechtzitting verschenen. 2De tenlastelegging Aan de verdachte is kort gezegd ten laste gelegd: Deelneming aan een organisatie (IS, Jabhat al Nusra, al-Qaeda of een gelieerde terroristische gewelddadige jihadistische strijdgroep) die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven (feit 1); Voorbereiding dan wel bevordering van moord, doodslag en/of het teweegbrengen van een ontploffing, telkens met een terroristisch oogmerk (feit 2, eerste variant); Voorbereiding en/of vergemakkelijking van terroristische misdrijven door deel te nemen aan training ten behoeve van de gewapende jihadstrijd in Syrië (feit 2, tweede variant). De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in bijlage I van dit vonnis en maakt daarvan deel uit. 3De vordering van de officieren van justitie De officieren van justitie mrs. H.A.C. Banning en S.A. Minks hebben gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde. Zij hebben gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren. 4Rechtsmacht Bij de tenlastegelegde gedragingen zijn als pleegplaatsen vermeld: Deelneming aan een terroristische criminele organisatie: Syrië en/of Irak; Voorbereiding en/of bevordering van moord, doodslag en het teweegbrengen van ontploffingen, telkens met een terroristisch oogmerk: Den Haag en/of elders in Nederland en/of Syrië en/of Irak; Voorbereiding en/of vergemakkelijking van terroristische misdrijven door deel te nemen aan training: Den Haag en/of elders in Nederland en/of Syrië en/of Irak. De onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten zijn blijkens artikel 83 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) terroristische misdrijven. Deze rechtbank heeft in haar uitspraak van 10 december 2015 reeds uitvoerig overwogen waarom Nederland ten aanzien van zulke misdrijven rechtsmacht heeft. Kort gezegd komen deze overwegingen op het volgende neer. Op 1 juli 2014 is de herziene regeling van de toepasselijkheid van de Nederlandse strafwet in werking getreden, in het bijzonder het nieuwe artikel 6 Sr en artikel 4, tweede lid van het Besluit internationale verplichtingen extraterritoriale rechtsmacht (Stb. 2014, 47) (hierna: het Besluit). Ingevolge de laatstgenoemde bepaling is de Nederlandse strafwet toepasselijk op de Nederlander (of de vreemdeling die een vaste woon- of verblijfplaats in Nederland heeft) die zich buiten Nederland schuldig maakt aan een terroristisch misdrijf. De rechtbank acht het, zoals gemotiveerd is uiteengezet in voormeld vonnis, gerechtvaardigd aan deze bepaling terugwerkende kracht toe te kennen. De tenlastegelegde training voor terrorisme betreft volgens artikel 83 Sr geen terroristisch misdrijf. Met ingang van 15 mei 2015 is in artikel 4, lid 2 van het Besluit bepaald dat de Nederlandse strafwet ook toepasselijk is op de Nederlander (of de vreemdeling die een vaste woon- of verblijfplaats in Nederland heeft) die zich buiten Nederland schuldig maakt aan training voor terrorisme, zoals strafbaar gesteld in artikel 134a Sr. De rechtbank acht het gerechtvaardigd ook aan deze uitbreiding van de extraterritoriale rechtsmacht terugwerkende kracht toe te kennen, omdat de wetgever hiermee uitvoering heeft gegeven aan een al langer bestaande verplichting op grond van het Kaderbesluit 2008/919/JBZ van de Raad van de Europese Unie van 28 november 2008 tot wijziging van Kaderbesluit 2002/475/JBZ inzake terrorismebestrijding. 5Enkele algemene bewijsoverwegingen 5.1 Ontwikkeling van de strijd in Syrië Uit de processtukken, meer in het bijzonder het rapport van [deskundige] en de daarin genoemde en ook elders – zonder noemenswaardige moeite – te raadplegen openbare bronnen, blijkt het volgende. Geïnspireerd door soortgelijke ontwikkelingen in andere Arabische landen kwam in het voorjaar van 2011 een groot deel van de bevolking van Syrië vreedzaam in verzet tegen het dictatoriale regime van president Bashar al-Assad. Gaandeweg ontwikkelde wat als een vreedzaam protest was begonnen zich tot een gewapende strijd, waarvan vooral de burgerbevolking het slachtoffer was, en uiteindelijk tot een humanitaire ramp. Het aantal doden dat tijdens het conflict in Syrië is gevallen werd in december 2014 geschat op meer dan 200.000. Op dat moment waren al meer dan drie miljoen Syriërs gevlucht naar het buitenland en bedroeg het aantal ontheemden in Syrië meer dan 7,5 miljoen. Blijkens talloze rapporten en publicaties heeft het regime van president Assad zich daarbij schuldig gemaakt aan systematische en grootschalige schendingen van mensenrechten en oorlogsmisdaden. Naarmate de strijd in Syrië vorderde, nam ook de invloed van jihadistische groepen hand over hand toe. Het doel van deze strijdgroepen was niet alleen - misschien zelfs niet eens in de eerste plaats – het ten val brengen van het regime van Assad, maar ook – of vooral – de vestiging van een streng islamitische staat op het grondgebied van Syrië, waar de door hen voorgestane versie van de sharia zou worden geïmplementeerd. Gezien de vele rapporten en publicaties over jihadistische strijdgroepen zoals Jabhat al-Nusra en ISIL (later: ISIS en IS) kan er geen twijfel over bestaan dat ook zij zich op grote schaal en systematisch hebben schuldig gemaakt aan gruwelijke misdaden. 5.2 Terroristische misdrijven Aan verdachte worden gedragingen verweten die zouden zijn gepleegd vóór eind mei 2014. Voor wie ook maar een beetje het nieuws over Syrië volgde en zijn ogen daarvoor niet sloot, moet het al ver voor die datum volstrekt duidelijk zijn geweest dat de jihadistische strijdgroepen systematisch en op grote schaal ernstige misdrijven pleegden. Veel van de misdaden van de jihadistische strijdgroepen stonden in geen enkele relatie tot de strijd tegen het leger van president al-Assad, maar kwamen voort uit de godsdienstig gemotiveerde wens van deze groepen hun radicale versie van de sharia op een gewelddadige wijze op te leggen aan de burgerbevolking van de door hen veroverde gebieden. Veel van deze misdaden werden bovendien gepleegd met het uitdrukkelijke doel de bevolking in deze gebieden vrees aan te jagen. Executies, onthoofdingen en kruisigingen vonden daarom bewust in het openbaar plaats. De bevolking werd opgeroepen dan wel gedwongen deze bij te wonen en soms werden video’s hiervan op het internet geplaatst. De IICIS meldt in haar rapport d.d. 12 februari 2014 dat Jabhat al-Nusra en ISIS publiekelijk executies uitvoerden “to assert their presence after taking control of an area and to instil fear among the population.” De wetgever heeft in artikel 83 Sr bepaald welke misdrijven als terroristische misdrijven hebben te gelden. Gemeenschappelijk daaraan is dat zij moeten zijn begaan met een terroristisch oogmerk. In artikel 83a Sr is dit omschreven als “het oogmerk om de bevolking of een deel van de bevolking van een land ernstige vrees aan te jagen, dan wel een overheid of internationale organisatie wederrechtelijk te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden, dan wel de fundamentele politieke, constitutionele, economische of sociale structuren van een land of een internationale organisatie ernstig te ontwrichten of te vernietigen”. In haar vonnis van 10 december 2015 heeft deze rechtbank vastgesteld dat de jihadistische strijdgroepen in Syrië zoals Jabhat al-Nusra en ISIS het regime van president al-Assad ten val willen brengen en een zuiver islamitische samenleving of staat willen vestigen en dat de misdrijven die zij daartoe, maar ook geheel los daarvan, plegen mede tot doel hebben grote delen van de bevolking van Syrië ernstige vrees aan te jagen. De misdrijven die deze strijdgroepen plegen, zoals moord, doodslag, het teweegbrengen van ontploffingen en dergelijke, worden dus begaan met een door en door terroristisch oogmerk en zijn daarmee terroristische misdrijven. Deelneming aan de gewapende strijd in Syrië aan de zijde van deze strijdgroepen houdt dus altijd in het plegen van terroristische misdrijven. 6Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 1 Aan verdachte wordt verweten dat hij vanaf 25 december 2012 tot en met 27 mei 2014 heeft deelgenomen aan IS, Jabhat al Nusra of al-Qaeda, althans een gelieerde terroristische gewelddadige jihadistische strijdgroep, zijnde een organisatie die tot oogmerk heeft terroristische misdrijven te plegen. Voor een uitgebreide beschrijving van het juridische kader van de criminele (terroristische) organisatie, verwijst de rechtbank naar haar eerdere vonnis van 10 december 2015. Deelneming aan een (terroristische) criminele organisatie is strafbaar gesteld in de artikelen 140 en 140a Sr. Aan deze strafbaarstelling ligt de gedachte ten grondslag dat de openbare orde beschermd dient te worden tegen organisaties die beogen misdrijven te plegen. Het gaat hier om een zelfstandig strafbaar feit. Het doet er niet toe of de misdrijven waarop de organisatie het oog heeft zijn gepleegd dan wel pogingen daartoe zijn ondernomen of zelfs maar strafbare voorbereidingen daartoe zijn getroffen. Evenmin is van belang of een deelnemer aan de organisatie heeft meegedaan aan misdrijven welke door andere deelnemers daaraan zijn gepleegd (of zijn gepoogd te plegen of voorbereid). Een persoon is strafbaar vanwege alleen maar zijn deelneming aan een misdadige organisatie. Organisatie Met een organisatie in de zin van de artikelen 140 en 140a Sr wordt bedoeld een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur tussen de verdachte en tenminste één andere persoon. Niet is vereist dat daarbij komt vast te staan dat men moet hebben samengewerkt met, althans bekend moet zijn geweest met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is. Aanwijzingen voor het bestaan van een dergelijk samenwerkingsverband kunnen bijvoorbeeld zijn: gemeenschappelijke regels, het voeren van overleg, gezamenlijke besluitvorming, een taakverdeling, een bepaalde hiërarchie en/of geledingen. Oogmerk Voor een bewezenverklaring van art. 140 Sr is daarnaast vereist dat de organisatie het oogmerk moet hebben om misdrijven te plegen. Met het oogmerk wordt primair gedoeld op het naaste doel: datgene dat men zich als direct gewild voorstelt. De criminele organisatie behoeft niet een louter misdadige hoofddoelstelling te hebben, zij kan ook – mede – een legaal doel hebben. De organisatie kan ook het oogmerk hebben om misdrijven te plegen indien deze misdrijven worden gepleegd ter verwezenlijking van een oorbaar of in de voorstelling van de organisatie edel einddoel. Het bijzondere aan artikel 140a Sr, de criminele terroristische organisatie, is dat er een dubbel oogmerk is vereist: er moet een oogmerk zijn tot het plegen van misdrijven met een terroristisch oogmerk. Voor een bewezenverklaring voor de criminele terroristische organisatie moet het naaste doel dus zijn gelegen in het plegen van terroristische misdrijven. Voor het bewijs van het oogmerk zal onder meer betekenis kunnen toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie reeds zijn gepleegd, aan het meer duurzaam of gestructureerde karakter van de samenwerking, zoals daarvan kan blijken uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie, en, meer algemeen, aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op dit doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie. Deelneming Vooropgesteld moet worden dat van deelneming aan een criminele (terroristische) organisatie slechts dan sprake kan zijn, indien de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk. Elke dergelijke bijdrage, ook wel deelnemingshandeling genoemd, aan een organisatie kan strafbaar zijn. Een deelnemingshandeling kan bestaan uit het (mede)plegen van enig misdrijf, maar ook uit het verrichten van hand- en spandiensten en (dus) het verrichten van handelingen die op zichzelf niet strafbaar zijn, zolang van hiervoor bedoeld aandeel of ondersteuning kan worden gesproken. Voorbeelden daarvan zijn het verlenen van geldelijke bijdragen of andere stoffelijk steun aan alsmede het werven van gelden of personen ten behoeve van de organisatie. Voor deelneming is voldoende dat de betrokkene in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van (terroristische) misdrijven. Enig vorm van opzet op de door de organisatie concreet beoogde concrete misdrijven is niet vereist. Conclusie Deze rechtbank heeft in haar vonnis van 10 december 2015 vastgesteld dat er in ieder geval vanaf juli 2012 sprake is van een niet-internationaal gewapend conflict op het gehele grondgebied van Syrië, tussen het Syrische regeringsleger en verscheidene georganiseerde gewapende groepen zoals ISIL/ISIS/IS en Jabhat al-Nusra. Op dat moment waren de gewapende groepen voldoende georganiseerd, waardoor zij de beschikking hadden over militaire wapens en voertuigen als tanks en artillerie en grootschalige militaire operaties konden uitvoeren. Er was aldus sprake van verschillende samenwerkingsverbanden met een grote mate van duurzaamheid en structuur. Zoals reeds overwogen, was het naaste doel van deze verscheidene jihadistische strijdgroepen het plegen van terroristische misdrijven en kunnen zij derhalve worden beschouwd als criminele terroristische organisaties. Jabhat al Nusra en IS zijn dan ook op de sanctielijsten van de EU en VN geplaatst als verboden terroristische organisaties. De rechtbank overweegt dat het nagenoeg niet mogelijk blijkt voor een persoon om naar het strijdgebied in Syrië te reizen en daar te verblijven zonder zich aan te sluiten bij een strijdgroep. Het is niet aannemelijk dat uitreizende Nederlanders met een jihadistisch gedachtengoed zich aansluiten bij het seculiere Vrije Syrische Leger. Indien wordt aangesloten bij een jihadistische strijdgroep, zal altijd (direct of indirect) een bijdrage worden geleverd aan de strijdgroep en is daarmee sprake van het leveren van een feitelijke bijdrage en dus deelneming aan een criminele terroristische organisatie. De deelneming van verdachte aan deze criminele terroristische organisatie blijkt uit het bijgevoegde bewijsmiddelenoverzicht (bijlage II). 7Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 2 Verdachte worden onder feit 2, onderdeel A – F diverse handelingen verweten, die hij zou hebben gepleegd met het oogmerk om terroristische misdrijven voor te bereiden en/of te bevorderen. In eerste plaats zou hij zich daartoe “het radicale extremistische gedachtegoed eigen hebben gemaakt” (onderdeel A). Vervolgens zou hij - kort gezegd - financiële middelen hebben geworven om naar Syrië te reizen en/of voor zijn verblijf aldaar (onderdeel B), de reis naar het strijdgebied in Syrië hebben gemaakt (onderdeel C), hebben deelgenomen aan een trainingskamp (onderdeel D) en vervolgens aan IS of een gelieerde jihadistische strijdgroep (onderdeel E) en wapens voorhanden hebben gehad (onderdeel F). Ten aanzien van onderdeel A overweegt de rechtbank het volgende. De officieren van justitie hebben gesteld dat de voorbereidingshandelingen in de onderdelen A – F bij het opstellen van de tenlastelegging in chronologische volgorde zijn weergegeven. Ter terechtzitting is daaraan toegevoegd dat het eigen maken van het radicale extremistische gedachtegoed weliswaar is vooraf gegaan aan de overige voorbereidingshandelingen, maar dat deze handeling zich heeft voortgezet na de reis naar en tijdens het verblijf in Syrië. Verdachte zou zich het gedachtegoed toen “verder” eigen hebben gemaakt, aldus de officieren van justitie. De rechtbank volgt de officieren van justitie daarin niet. Zij zal de onderdelen A - F in de tenlastelegging lezen zoals deze oorspronkelijk en logischerwijs zijn bedoeld, te weten in chronologische volgorde. De rechtbank overweegt dat de opsteller van de tenlastelegging in dat geval kennelijk heeft bedoeld dat verdachte zich voor zijn vertrek naar Syrië en met het oogmerk om terroristische misdrijven te gaan plegen, is gaan verdiepen in het radicale extremistische gedachtegoed en het gedachtegoed zich met dat oogmerk eigen heeft gemaakt. Maar zo is het natuurlijk niet gegaan. Verdachte heeft zich eerst het radicaal extremistische gedachtegoed eigen gemaakt en vervolgens heeft het idee bij hem postgevat dat hij op grond van dit gedachtegoed verplicht was naar Syrië af te reizen om daar deel te nemen aan de gewapende jihadstrijd. Er kan dus niet bewezen worden dat het oogmerk van verdachte op het plegen van terrroristische misdrijven al aanwezig was op het moment dat hij zich het radicale extremistische gedachtegoed eigen maakte. Op grond hiervan wordt verdachte vrijgesproken van dit onderdeel. De rechtbank acht de onderdelen B - F wettig en overtuigend bewezen op grond van de bewijsmiddelen zoals weergegeven in het bijgevoegde overzicht (bijlage II). 8De bewezenverklaring Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen - elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft - heeft de rechtbank de overtuiging bekomen dat de verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan, zoals omschreven in bijlage III. 9De strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op. 10De strafbaarheid van de verdachte De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten. 11De strafoplegging Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking. Zoals hiervoor in dit vonnis kort is beschreven, heeft het regime van president Assad op uiterst gewelddadige wijze geprobeerd vreedzame protesten de kop in te drukken. Verzet tegen dit dictatoriale regime ontmoette dan ook in Nederland in brede kring sympathie. Dat geldt niet voor het deelnemen aan jihadistische terroristische strijdgroepen. Het doel wat hen voor ogen staat is naast het verjagen van het regime Assad ook het vestigen van een islamitische staat, waarin de rechten van andersdenkenden – christenen, joden, sjiieten, alawieten en ook niet fundamentalistische soennieten – op zeer gewelddadige wijze worden geschonden. Door deze strijdgroepen worden op grote schaal ernstige mensenrechtenschendingen begaan, zoals standrechtelijke executies, moord, marteling, deportatie, verminking en verkrachting van krijgsgevangenen en burgers. Veel van de hierboven beschreven misdaden van de jihadistische strijdgroepen stonden in geen enkele relatie tot de strijd tegen het leger van president Assad, maar kwamen voort uit de godsdienstig gemotiveerde wens van deze groepen hun radicale versie van de sharia op een gewelddadige wijze op te leggen aan de burgerbevolking van de door hen veroverde gebieden. Veel van deze misdaden werden bovendien gepleegd met het uitdrukkelijke doel de bevolking in deze gebieden vrees aan te jagen. Daarmee zijn het ontegenzeggelijk terroristische misdrijven. Op Nederland rust de internationale verplichting om terrorisme te bestrijden, ook als dat in een ander land plaatsvindt. Zoals hiervoor overwogen is het deelnemen aan de gewapende jihadstrijd in Syrië een terroristisch misdrijf. Het afreizen naar Syrië met dat doel moet daarom ontmoedigd worden. De jihadistische strijdgroepen in Syrië en/of Irak maken zich op grootschalige en systematische wijze schuldig aan gruwelijke terroristische misdrijven. Gezien de organisatiestructuren en vele strijders van deze groepen, hun werkwijzen en talloze slachtoffers lijkt het predicaat ‘criminele terroristische organisatie’ voor deze groepen geschreven. Verdachte is afgereisd naar Syrië en heeft zich daar aangesloten bij een dergelijke jihadistische strijdgroep, waar hij een gevechtsfunctie had. Hij heeft daar in ieder geval anderhalf jaar lang verbleven, maar strijdt vermoedelijk nu nog in Syrië. Daarmee heeft hij deelgenomen aan een criminele terroristische organisatie. Wegens de grote dreiging die uitgaat van dergelijke organisaties, wordt alleen al de deelneming daaraan bedreigd met een hoge gevangenisstraf. Bij de vaststelling van de duur van de aan verdachte op te leggen gevangenisstraf laat de rechtbank meewegen dat het hier dan ook om een voltooid delict gaat. Van de strafoplegging dient in deze zaak ook een niet mis te verstaan signaal van afschrikking uit te gaan aan anderen die voornemens zijn dit te doen. Met diezelfde gedragingen heeft verdachte zich eveneens schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen en training gericht op het plegen van onder meer moord en doodslag met een terroristisch oogmerk. Daarbij laat de rechtbank wel meewegen dat het onbekend is of, en zo ja, welk geweld tegen mensenlevens of dreiging daarmee verdachte tijdens zijn deelname aan de gewapende strijd heeft gepleegd. Uit de justitiële documentatie blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke strafbare feiten. Alle omstandigheden in aanmerking genomen is de rechtbank van oordeel dat de door de officieren van justitie geëiste straf passend en geboden is. 12De toepasselijke wetsartikelen De op te leggen straf is gegrond op de artikelen: - 47, 57, 83, 96, 134a, 140a, 157, 176a, 176b, 288a, 289, 289a van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde. 13De beslissing De rechtbank: verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2 eerste en tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt: ten aanzien van feit 1: deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven ten aanzien van feit 2, eerste cumulatief/alternatief: met het oogmerk om moord, doodslag en het teweegbrengen van een ontploffing, telkens te begaan met een terroristisch oogmerk, voor te bereiden zich gelegenheid, middelen en inlichtingen verschaffen en voorwerpen voorhanden hebben waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van het misdrijf ten aanzien van feit 2, tweede cumulatief/alternatief: opzettelijk zich kennis en vaardigheden verwerven tot het plegen van een terroristisch misdrijf verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar; verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij; veroordeelt de verdachte tot: een gevangenisstraf voor de duur van 6 (ZES) JAREN. Dit vonnis is gewezen door mr. R. Elkerbout, voorzitter, mr. J.A. van Steen en J.E. Bierling, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.D. van Zeeland, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 juli 2016. Bijlage I: Tenlastelegging Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat: 1. hij in of omstreeks de periode van 25 december 2012 tot en met 27 mei 2014 te Syrië en/of Irak, met een of meer anderen, heeft deelgenomen aan een of meerdere organisatie(s), te weten Jabhat al-Nusra en/of Al Qaida en/of Islamitische Staat (IS) dan wel Islamic State of Iraq and Shaam (ISIS) en/of Islamic State of Iraq and Levant (ISIL), althans (een) aan Al Qaida en/of IS gelieerde terroristische gewelddadige Jihadistische strijdgroep(en), althans (een) terroristische gewelddadige Jihadistische strijdgroep(en), welke organisatie(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.