RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummers: NL17.1476, NL.1477, NL17.1478, NL17.1479 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 augustus 2017 in de zaak tussen [eiseres 1] , eiseres 1, [eiser 1] , eiser 1, [eiser 2] , eiser 2 en [eiseres 2] , eiseres 2, gezamenlijk te noemen eisers (gemachtigde: mr. J.M. Walls), en de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder (gemachtigde: mr. A.M.H.W. van Heerebeek). Procesverloop Bij vier onderscheiden besluiten van 31 mei 2017 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de aanvragen van eisers tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde asielprocedure afgewezen als ongegrond. Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 augustus 2017. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Als tolk is verschenen H. Azimi. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Overwegingen Beroepen tegen het uitblijven van een beslissing en dwangsommen 1. De rechtbank constateert dat partijen het eens zijn over het feit dat de beslistermijn op de aanvragen van eisers tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd voor verweerder op 23 januari 2017 is verstreken. 2. Vanwege het uitblijven van een beslissing op de aanvragen van eisers hebben zij verweerder bij brief van 16 maart 2017 in gebreke gesteld. Bij brief van 4 april 2017 heeft de gemachtigde verweerder een termijn van twee weken gegund om een beslissing te nemen, bij gebreke waarvan aanspraak zal worden gemaakt op verbeurte van dwangsommen wegens het niet tijdig beslissen. 3. Op 2 april 2017 hebben eisers een beroepschrift ingediend tegen het niet tijdig beslissen op hun asielaanvragen. 4. Verweerder heeft in vier afzonderlijke op 28 juli 2017 genomen besluiten erkend dat hij aan ieder van eisers op grond van artikel 4:17 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wegens overschrijding van de beslistermijn, die eindigde op 23 januari 2017, een dwangsom verschuldigd is van € 1260. 5. Ter zitting hebben eisers desgevraagd de beroepen tegen het niet-tijdig beslissen op hun aanvragen ingetrokken. De inhoudelijke beslissingen op de asielaanvragen van eisers 6. De rechtbank stelt verder vast dat verweerder bij de bestreden besluiten een inhoudelijke beslissing heeft genomen op de asielaanvragen van eisers. De beroepen van eisers tegen het niet-tijdig beslissen moeten op grond van artikel 6:20 van de Awb worden geacht mede te zijn gericht tegen de alsnog genomen reële besluiten. 7. Eisers hebben de Afghaanse nationaliteit. Eiseres 1 is geboren op [geboortedatum] en de overige eisers, haar kinderen, op [geboortedatum] respectievelijk [geboortedatum] en [geboortedatum] . Eisers woonden in het stadje Pol-e Khomre in Afghanistan. Eiseres 1 heeft verklaard dat haar echtgenoot, haar dochter [dochter] en haar jongste zoon [jongste zoon] door mannen van commandant [commandant] , een lokale krijgsheer, zijn vermoord. [dochter] werd lastig gevallen door de commandant, die met haar wilde trouwen. [dochter] was al verloofd met haar neef [neef] . De moorden vonden plaats nadat de echtgenoot van eiseres 1 en haar zwager, de vader van [neef] , aangifte hadden gedaan tegen voornoemde commandant vanwege de verdwijning van [neef] . Acht dagen na de begrafenis heeft de zwager van eiseres 1 besloten dat zij en haar kinderen met hem naar Kabul moesten gaan. In Kabul heeft deze zwager van zijn broer, de vader van [neef] , vernomen dat de commandant hun huis in Pol-e Khomre was binnengegaan en dat zij in de buurt hadden rondgevraagd waar ze waren. De zwager vond daarom ook in Kabul niet meer veilig voor eisers. Eiseres 2 en eiser 1 en 2 hebben een van eiseres 1 afhankelijk relaas. 8. Bij de bestreden besluiten heeft verweerder de aanvragen afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verweerder heeft de identiteit, nationaliteit, herkomst en etniciteit van eisers geloofwaardig geacht. Verweerder acht de verklaringen van eisers over de moord op de echtgenoot van eiseres 1, [dochter] en [jongste zoon] door mannen van commandant [commandant] vanwege diens afgewezen huwelijksaanzoek aan [dochter] geloofwaardig. Ook acht verweerder geloofwaardig dat eisers bij de zwager in Kabul hebben verbleven. Verweerder acht de vrees van eisers voor commandant [commandant] en hun stelling dat zij hun leven niet zeker zijn in Kabul omdat de commandant hen zoekt, niet aannemelijk. Eisers hebben in hun land van herkomst een beschermingsalternatief in Kabul, aldus verweerder. Verweerder verwijst daartoe ook naar zijn beleid, zoals neergelegd in WBV 2017/2. Verder is er in Afghanistan geen sprake van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van Richtlijn 2011/95/EU (de Definitierichtlijn). 9. Eisers hebben aangevoerd dat verweerder hen ten onrechte een vestigingsalternatief in Kabul tegenwerpt. Commandant [commandant] kan hen daar makkelijk achterhalen omdat eisers familiebanden hebben in Kabul. Bovendien is de veiligheidssituatie aldaar verslechterd. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijzen ze onder meer naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 12 augustus 2016 (AWB 16/15841), een artikel van Al Jazeera van maart 2016, de UNHCR Eligibility Guidelines van 19 april 2016 en een rapport van UNHCR-Duitsland van december 2016. Verder wijzen eisers erop dat uit de FMMU-adviezen blijkt dat eiseres 1 ernstig visueel gehandicapt is (zij is blind aan één oog en slechtziend met het andere oog) en dat eiseres 2 zware psychische problemen heeft. De rechtbank overweegt als volgt. 10. In geschil is uitsluitend de vraag of Kabul voor eisers als vestigingsalternatief kan gelden. 11. Ingevolge artikel 3.37d, eerste lid, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (VV) geldt bij de beoordeling of een vreemdeling op grond van artikel 29, eerste lid, onder a of b, van de Wet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van die wet, dat een vreemdeling geen behoefte heeft aan bescherming, indien hij in een deel van het land van herkomst: a. geen gegronde vrees heeft voor vervolging of geen reëel risico op ernstige schade loopt; of b. toegang heeft tot bescherming als bedoeld in artikel 3.37c tegen vervolging of tegen ernstige schade, en hij op een veilige en wettige manier kan reizen naar en zich toegang verschaffen tot dat deel van het land, en redelijkerwijs kan worden verwacht dat hij er zich vestigt. Ingevolge artikel 3.37d, tweede lid, van het VV wordt bij de beoordeling of de vreemdeling een gegronde vrees heeft voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade loopt, of toegang heeft tot bescherming tegen vervolging of tegen ernstige schade in een deel van het land van herkomst overeenkomstig het eerste lid, rekening gehouden met de algemene omstandigheden in dat deel van het land en met de persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling in overeenstemming met artikel 31 van de Wet. Daartoe wordt ervoor gezorgd dat wordt beschikt over nauwkeurige en actuele informatie uit relevante bronnen, zoals de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor vluchtelingen en het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken. Volgens paragraaf C 2/3.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) neemt verweerder aan dat een ander gebied in het land van herkomst op grond van artikel 3.37d van het VV voldoet als vlucht- of vestigingsalternatief als aan alle volgende voorwaarden is voldaan: a. het gaat om een gebied in het land van herkomst waar de vreemdeling geen risico loopt op vervolging als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag of voor daden als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw óf toegang heeft tot bescherming als bedoeld in artikel 3.37c van het VV; b. de vreemdeling kan op veilige en wettige wijze reizen naar en toegang verkrijgen tot dat gebied in het land van herkomst; en c. van de vreemdeling kan redelijkerwijs worden verwacht dat hij zich in dat deel van het land vestigt. (…) Ad c. De bescherming die de vreemdeling in het gebied krijgt, hoeft niet dezelfde te zijn als de bescherming die de vreemdeling in Nederland zou hebben gekregen. De vreemdeling moet zich in het gebied kunnen vestigen en een leven kunnen leiden onder omstandigheden, die naar plaatselijke maatstaven gemeten als normaal zijn aan te merken. De vreemdeling mag in het betreffende gebied niet achtergesteld worden in de uitoefening van essentiële rechten ten opzichte van de overige bevolking. Daarnaast mogen de levensomstandigheden in het betreffende gebied in zijn algemeenheid niet zodanig zijn dat dit op zichzelf al kan leiden tot een humanitaire noodsituatie. (…). Volgens het landgebonden asielbeleid van verweerder over Afghanistan, laatstelijk gewijzigd bij WBV 2017/2, neergelegd in hoofdstuk C7/2.5.1, wordt een vlucht- of vestigingsalternatief in Kabul aangenomen. De IND beoordeelt individueel of dit vlucht- of vestigingsalternatief kan worden tegengeworpen. De IND neemt in ieder geval aan dat geen vlucht- of vestigingsalternatief in Kaboel aanwezig is voor de volgende categorieën: a.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.