Rechtbank DEN HAAG Strafrecht Meervoudige strafkamer Parketnummer: 09/819306-16 Datum uitspraak: 24 augustus 2017 Tegenspraak (Promisvonnis) De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen verdachte: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , BRP-adres: [adres] , thans gedetineerd in de [vestigingsplaats] . 1Het onderzoek ter terechtzitting Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 2 maart 2017, 19 mei 2017 (beide pro forma) en 10 augustus 2017 (inhoudelijk). De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. G. Sannes en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. T. Kocabas, advocaat te Zoetermeer, en door verdachte naar voren is gebracht. 2De tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 22 november 2016 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon mevrouw [slachtoffer] van het leven te beroven, opzettelijk - die [slachtoffer] meerdere malen hard met een hard voorwerp en/of met zijn, verdachtes vuisten op en/of tegen het hoofd en/of lichaam heeft geslagen waarbij hij, verdachte haar de woorden toevoegde: "Kankerhoer, je gaat niet meer praten, ik maak je helemaal dood en/of - is hij die [slachtoffer] hard door blijven slaan met dat voorwerp en/of met de vuisten terwijl die [slachtoffer] (inmiddels) op de grond lag en/of vervolgens - die [slachtoffer] (die nog steeds op de grond lag) hard tegen het hoofd heeft geschopt (waardoor zij het bewustzijn verloor) en/of (vervolgens) hard en/of wild en/of gericht tegen het lichaam heeft geschopt en/of getrapt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 22 november 2016 te ’s-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen - die [slachtoffer] meerdere malen hard met een hard voorwerp en/of met zijn, verdachtes vuisten op en/of tegen het hoofd en/of lichaam heeft geslagen waarbij hij, verdachte haar de woorden toevoegde: "Kankerhoer, je gaat niet meer praten, ik maak je helemaal dood en/of - is hij die [slachtoffer] hard door blijven slaan met dat voorwerp en/of met de vuisten terwijl die [slachtoffer] (inmiddels) op de grond lag en/of vervolgens - die [slachtoffer] (die nog steeds op de grond lag) hard tegen het hoofd heeft geschopt (waardoor zij het bewustzijn verloor) en/of (vervolgens) hard en/of wild en/of gericht tegen het lichaam heeft geschopt en/of getrapt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; 3Bewijsoverwegingen 3.1 Inleiding De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven op neer, dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot doodslag (primair) dan wel aan een poging tot het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel (subsidiair). 3.2 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen. Hij heeft hiertoe onder meer aangevoerd dat naar algemene ervaringsregels het met kracht en met geschoeide voet schoppen tegen het hoofd kan leiden tot de dood van het slachtoffer, omdat dit (onder meer) ernstige botbreuken, oogletsel, of schedel- en hersenletsel met dodelijke afloop tot gevolg kan hebben. Daarbij heeft verdachte tijdens het geweldsincident tegen [slachtoffer] (hierna: aangeefster) gezegd: “Kankerhoer, je gaat niet meer praten. Ik maak je helemaal dood” en “Ik ga ervoor zorgen dat je nooit meer gaat praten. Dit is nog maar het begin”. Met name gelet op die bewoordingen is de officier van justitie van mening dat verdachte ook echt wilde dat aangeefster het leven zou laten en dat zijn handelen in combinatie met deze woorden ook naar hun uiterlijke verschijningsvorm er zuiver op was gericht en ook geschikt was om het slachtoffer te doden, aldus de officier van justitie. Subsidiair heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat verdachte zich met de in de tenlastelegging genoemde handelingen op zijn minst schuldig heeft gemaakt aan het subsidiair ten laste gelegde feit. De officier van justitie is in dat geval van mening dat sprake is van voorwaardelijk opzet bij verdachte op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. 3.3 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit, omdat in het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is. Op de specifieke (bewijs)verweren van de verdediging zal hierna - voor zover relevant - nader worden ingegaan. 3.4 De beoordeling van de tenlastelegging Op 23 november 2016 heeft aangeefster aangifte gedaan bij de politie. Zij heeft verklaard dat zij op 22 november 2016 omstreeks 15:45 uur boodschappen ging doen in het centrum van Loosduinen te Den Haag en dat zij onderweg de voor haar bekende Giovanni [verdachte] (hierna: [verdachte] ) tegenkwam, die zij onder andere kent vanuit Parnassia. [verdachte] gaf haar vervolgens uit het niets een stomp tegen de linkerkant van haar hoofd, ter hoogte van haar oog. Zij verklaart, dat het bloed alle kanten opspat. Hierna voelde aangeefster hevige pijn en schoot zij naar achter. [verdachte] stompte aangeefster vervolgens meerdere malen overal op haar hoofd. Bij de tweede stomp is aangeefster op de grond gevallen. Terwijl zij op de grond lag heeft [verdachte] haar meerdere stompen gegeven tegen haar hoofd en haar lichaam. Aangeefster heeft verder verklaard dat [verdachte] met zijn rechtervoet vervolgens nog een schop tegen haar hoofd heeft gegeven. Terwijl aangeefster op de grond lag bleef [verdachte] haar schoppen. Daarbij zou hij onder andere hebben gezegd dat hij aangeefster dood zou maken en dat zij nooit meer zou kunnen praten. Op 8 maart 2017 heeft aangeefster aanvullend verklaard dat zij in ieder geval twee schoppen in haar gezicht heeft gekregen, allebei boven haar linkeroog, waar zij nu ook een litteken heeft. Aangeefster heeft daarnaast verklaard dat zij het beeld van de zwarte suède Prada schoenen boven haar hoofd waarna [verdachte] haar schopte, nog voor zich ziet. Verder heeft aangeefster verklaard dat [verdachte] haar zeker vijftien keer tegen haar lichaam heeft geschopt, waarbij zij keihard is geraakt bij haar rechterschouder, ribben en nek. De verdediging heeft betoogd dat de verklaringen van aangeefster onbetrouwbaar moeten worden geacht. In dit verband heeft de verdediging er op gewezen dat de verklaringen van aangeefster onderling tegenstrijdig zijn en in strijd zijn met de overige bewijsmiddelen in het dossier. De rechtbank ziet zich, mede in het licht van het door de raadsman gevoerde bewijsverweer en de ontkennende verklaring van verdachte, allereerst gesteld voor de vraag of de verklaring van aangeefster betrouwbaar is en of deze verklaring voldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen. Betrouwbaarheid verklaring aangeefster en overige bewijsmiddelen De rechtbank stelt allereerst vast dat de verklaringen van aangeefster met betrekking tot de geweldshandelingen na verloop van enige tijd in ernst toenemen. Zo heeft aangeefster bij het eerste contact met de politie enkel gezegd dat ze is geslagen, in haar aangifte heeft zij verklaard dat verdachte haar meerdere malen heeft geschopt en geslagen tegen haar lichaam en hoofd en heeft zij later, vier maanden na het incident en nadat zij EMDR therapie heeft gehad, verklaard dat verdachte haar ongeveer vijftien keer heeft geschopt terwijl zij op de grond lag en dat verdachte haar twee schoppen in haar gezicht heeft gegeven. Uit de foto’s genomen van verdachte kort na zijn aanhouding blijkt voorts dat hij geen zwarte suède Prada schoenen heeft gedragen, maar blauw met groene sportschoenen van het merk Nike. Deze laatste verklaring zal de rechtbank, gelet op het tijdstip waarop deze is afgelegd en de kennelijke onjuistheden hierin, buiten beschouwing laten. Het voorgaande maakt ook dat de rechtbank met de (bewijswaarde van de) aangifte behoedzaam om zal gaan. Deze aangifte wordt evenwel op een aantal onderdelen ondersteund door andere bewijsmiddelen. Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] hebben aangeefster kort na het incident behoorlijk onder het bloed aangetroffen en zagen daarbij op haar voorhoofd boven haar linker wenkbrauw een diepe wond. Ook zagen zij dat de kleding en de handen van aangeefster onder het bloed zaten. Verbalisant [verbalisant 3] , op dat moment buiten diensttijd, heeft geverbaliseerd dat hij voor het verkeerslicht stond te wachten op de kruising van de Loosduinse Hoofdstraat met de Lozerlaan en dat zijn aandacht werd getrokken door personen op ongeveer 100 meter afstand van hem. [verbalisant 3] zag een man staan met een getinte huidskleur, een halflange jas en een lichte broek. Bij de man zag [verbalisant 3] een persoon op de grond liggen. Hij zag dat de man meerdere malen trapte en sloeg. De man heeft hij zien wegfietsen in de richting van Monster. [verbalisant 3] heeft aanvullend verklaard dat de man drie of vier keer zijn been optrok en daarna met kracht naar beneden bewoog in de richting van het lichaam dat voor de man op de grond lag. Het was voor [verbalisant 3] niet goed zichtbaar waar de man op mikte. Hierna zag hij dat de man zich voorover boog over het lichaam en vervolgens als een bokser met zijn vuisten een serie slagen op het lichaam gaf. De man deed dit minimaal zes keer. Hierna kwam de man weer omhoog en schopte twee tot drie maal tegen het lichaam, ‘als ware het een voetbal’. Getuige [getuige] heeft verklaard dat hij voor het verkeerslicht stond te wachten en dat hij een man en een vrouw (de rechtbank begrijpt: aangeefster) tegen elkaar hoorde schreeuwen. De vrouw zag hij aan de overkant op de grond liggen. De man die erbij stond sloeg meermalen met zijn tot vuist gebalde rechterhand tegen het hoofd van de vrouw. De man zag hij wegfietsen in de richting van de Monsterseweg. Het betoog van de raadsman, dat de lezing van verbalisant [verbalisant 3] niet gevolgd mag worden omdat deze, gelet op de grote afstand waarop hij zich bevond, later moet zijn ingekleurd, treft naar het oordeel van de rechtbank geen doel. [verbalisant 3] heeft immers duidelijk verklaard wat hij wel en niet heeft kunnen zien van het incident. De rechtbank heeft dan ook geen enkele aanleiding om te twijfelen aan de inhoud van zijn processen-verbaal. Anders dan de raadsman is de rechtbank evenmin van oordeel dat hetgeen [verbalisant 3] en [getuige] hebben gezien elkaar uitsluit. Het is immers heel goed mogelijk dat [getuige] pas iets heeft waargenomen nadat aangeefster al was geschopt. Verbalisanten Milic en Kuipers bevonden zich omstreeks 16:25 uur op de Monsterseweg te Den Haag en werden door [verbalisant 3] gewezen op een man die zojuist een mishandeling zou hebben gepleegd. Zij zijn achter de man aangereden waarna zij hem op de Madesteinweg hebben aangehouden. Milic en Kuipers zagen dat op de lichte broek van verdachte rode vegen aanwezig waren. Gelet op de mate waarin de aangifte ten aanzien van de uitgevoerde geweldshandelingen, wordt ondersteund acht zij de verklaring van aangeefster op die punten voldoende betrouwbaar. Daarbij merkt de rechtbank wel op dat de precieze plek waar de schoppen/trappen aangeefster hebben geraakt uit voormelde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid. Is verdachte degene geweest die het letsel aan aangeefster heeft toegebracht? Hoewel verdachte niets heeft willen verklaren en enkel bij de rechter-commissaris aangeeft aangeefster in het geheel niet te kennen en niet te weten waar “ze het over hebben” is de rechtbank op grond van de redengevende inhoud van bovenstaande bewijsmiddelen van oordeel dat verdachte de persoon is geweest die aangeefster meerdere malen hard met zijn vuisten tegen haar hoofd en/of haar lichaam heeft geslagen en die – terwijl aangeefster op de grond lag – meerdere malen tegen haar hoofd en/of lichaam heeft geschopt en geslagen. Verdachte is immers kort na het incident op aanwijzing van een verbalisant buiten diensttijd aangehouden, hij voldeed aan het opgegeven signalement van verschillende getuigen en had rode vegen op zijn broek. Daarnaast heeft aangeefster verklaard dat zij verdachte op het moment dat hij haar uit het niets aanviel heeft herkend. Poging doodslag dan wel poging zware mishandeling? De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of verdachte zich met deze geweldshandelingen schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag dan wel een poging tot toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Nu verdachte niets heeft willen verklaren en hij aldus geen inzicht heeft gegeven in hetgeen ten tijde van de gedragingen in hem is omgegaan, zullen de feitelijke omstandigheden van het geval moeten worden beschouwd om te bepalen of in dit concrete geval sprake is geweest van (voorwaardelijk) opzet op de dood dan wel het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. In het algemeen geldt dat bepaalde gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer gericht op de dood of zwaar lichamelijk letsel dat het, behoudens contra-indicaties, niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans daarop heeft aanvaard. Anders dan door de officier van justitie betoogd, zal de rechtbank verdachte vrijspreken van het primair ten laste gelegde. Op grond van de inhoud van het dossier kan weliswaar worden vastgesteld dat verdachte aangeefster heeft geschopt, maar niet is komen vast te staan waar hij aangeefster precies heeft geraakt: haar lichaam, gezicht en/of hoofd. Uit de verklaring van verbalisant [verbalisant 3] dat verdachte over de wijze waarop verdachte in de richting van aangeefster heeft geschopt en het door de verbalisanten bij aangeefster geconstateerde letsel aan haar wenkbrauw kort na het incident bij, zou afgeleid kunnen worden dat verdachte aangeefster op het hoofd heeft geraakt. Zou dit het geval zijn geweest, dan nog blijkt nergens uit met welke kracht verdachte dan tegen het hoofd zou hebben geschopt. De geneeskundige verklaring geeft hierover evenmin uitsluitsel, nu deze verklaring niet meer vermeldt dan dat bij aangeefster gering uitwendig bloedverlies is waargenomen. De rechtbank kan daarom niet vaststellen dat er een aanmerkelijke kans was dat aangeefster door het geweld van verdachte zou komen te overlijden. Met betrekking tot de verklaring van aangeefster dat verdachte bij deze geweldshandelingen onder meer heeft gezegd dat hij haar dood zou maken en dat zij nooit meer zou kunnen praten, overweegt de rechtbank dat voor deze verklaring geen ondersteuning in het dossier te vinden is. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het dossier met betrekking tot dit onderdeel van de tenlastelegging onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat en zal de verdachte ook van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken. Op grond van de hiervoor weergegeven verklaring van aangeefster, dat zij voelde dat zij hard werd geraakt, het door de verbalisanten bij aangeefster geconstateerde letsel alsmede de waarnemingen van [verbalisant 3] en [getuige] dat verdachte aangeefster meermalen heeft geraakt op haar lichaam en meermalen met de vuist is geslagen tegen haar hoofd terwijl zij op de grond lag, kan de subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling wel worden bewezen. Gelet op de veelvoud van geweldshandelingen, deels tegen het hoofd, een kwetsbaar onderdeel van het lichaam, waarbij aangeefster op enig moment bovendien weerloos op de grond lag, leveren naar oordeel van de rechtbank een aanmerkelijke kans op dat aangeefster zwaar lichamelijk letsel zou bekomen. Deze geweldshandelingen zijn bovendien naar hun uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, dat daaruit naar het oordeel van de rechtbank volgt dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte deze aanmerkelijke kans heeft aanvaard. 3.5 De bewezenverklaring De rechtbank verklaart ten aanzien van verdachte bewezen dat: Subsidiair hij op 22 november 2016 te ’s-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen - die [slachtoffer] meerdere malen hard met zijn, verdachtes vuisten op en/of tegen het hoofd en/of lichaam heeft geslagen en; - is hij die [slachtoffer] hard door blijven slaan met de vuisten terwijl die [slachtoffer] (inmiddels) op de grond lag en vervolgens - die [slachtoffer] (die nog steeds op de grond lag) hard tegen het hoofd heeft geschopt en/of hard tegen het lichaam heeft geschopt en/of getrapt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad. 4De strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. 5De strafbaarheid van verdachte Verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten. 6De oplegging van een straf en maatregel 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal opleggen voor de duur van 12 maanden, met aftrek van de tijd door verdachte in voorlopige hechtenis en ter observatie doorgebracht. De officier van justitie heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat – ondanks de weigerende houding van verdachte – uit de verlengingsrapportages uit 2014 en 2015 ten behoeve van een eerder aan verdachte opgelegde maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging (hierna: TBS-maatregel) kan worden afgeleid dat er sprake is van een stoornis bij verdachte en dat deze gelet op de consistentie van de rapporten ook ten tijde van het nu voorliggende feit aanwezig was. Er is sprake van een groot recidivegevaar wat maakt dat aan verdachte de TBS-maatregel met dwangverpleging dient te worden opgelegd. Hierbij heeft de officier van justitie expliciet verzocht om ex artikel 359, zevende lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) op te nemen dat het om een misdrijf gaat dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. 6.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich over eventuele oplegging van een straf en/of maatregel niet uitgelaten. 6.3 Het oordeel van de rechtbank Na te melden straf en maatregel zijn in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder deze is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het volgende in aanmerking. De ernst van de feiten Verdachte heeft het slachtoffer, terwijl zij onderweg was om boodschappen te gaan doen, meermalen uit het niets tegen haar lichaam en/of hoofd geschopt en geslagen. Ook toen het slachtoffer eenmaal op de grond lag is zij nog geslagen en geschopt door verdachte. Door aldus te handelen heeft verdachte laten zien geen enkel respect te hebben voor de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Door de vechtpartij is het slachtoffer angst aangejaagd en heeft zij pijn en letsel gekregen. Het is algemeen bekend dat dergelijk geweld, naast lichamelijk leed, voor het slachtoffer gedurende lange tijd grote psychische gevolgen met zich kan brengen. Omdat het voorval zich overdag op straat ten overstaan van andere mensen heeft afgespeeld, zal dit ook bij hen gevoelens van onmacht en onveiligheid hebben opgeroepen. De rechtbank rekent verdachte dit alles aan. De persoon van de verdachte De rechtbank heeft acht geslagen op een verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 24 november
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.