Rechtbank DEN HAAG Team belastingrecht zaaknummers: SGR 17/521, SGR 7/522 en SGR 17/223 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 augustus 2017 in de zaak tussen Gemeente Sliedrecht, gevestigd te Sliedrecht, eiseres (gemachtigde: G.J.A. van Kalmthout), en de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale administratie, kantoor [plaats], verweerder. Procesverloop Eiseres heeft tegen de op aangiften voldane motorrijtuigenbelastingen voor een drietal auto’s bezwaar gemaakt. Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van 31 december 2016 de bezwaren ongegrond verklaard. Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschriften ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 juni 2017. Eiseres is vertegenwoordigd door haar gemachtigde, bijgestaan door [persoon A]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [persoon B] en[persoon C]. Overwegingen Feiten 1. Eiseres is blijkens de kentekenregistratie houder van de in kolom II genoemde bestelauto’s van de in kolom III genoemde merken. Eiseres heeft op aangiften op de in kolom V genoemde datum motorrijtuigenbelastingen betaald tot bedragen genoemd in kolom VI. I II III IV V VI Nr. Kenteken Merk Tijdvakken Datum betaling bedrag 1 [kenteken] Toyota 25-09-2016 t/m 24-12-2016 26 oktober 2016 € 405 2 [kenteken] Toyota 19-09-2016 t/m 17-12-2016 26 oktober 2016 € 379 3 [kenteken] Toyota 02-10-2016 t/m 01-01-2017 4 november 2016 € 379 2. De bestelauto’s worden gebruikt voor het inzamelen van veegvuil, het legen van prullenbakken in het publieke ruimte en voor de groenvoorziening (plantsoendienst). Geschil 3. In geschil is of eiseres op aangiften een juist bedrag aan motorrijtuigenbelastingen heeft voldaan. Meer in het bijzonder of eiseres, ondernemer in de zin van artikel 7 van de Wet op de Omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet OB), uit dien hoofde in aanmerking dient te komen voor de toepassing van het lage tarief voor bestelauto’s in de zin van artikel 24b van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: de Wet Mrb), ook als de auto’s voor meer dan 90% worden gebruikt voor niet-economische prestaties. Hetgeen eiseres stelt en verweerder bestrijdt. 4. Eiseres heeft, onder verwijzing naar de arresten van het Hof van Justitie van de EU van 12 februari 2009, nr. C-515/07, ECLI:EU:C:2009:88 (Vereniging Noordelijke Land- en Tuinbouworganisatie) en met name van 15 september 2016, nr. C-400/15, ECLI:EU:C:2016:687 (Landkreis Potsdam-Mittelmark), gesteld dat, nu zij ondernemer is in de zin van artikel 7, eerste lid, van de Wet OB is, alle prestaties, die zij verricht, economische en niet-economische, prestaties zijn verricht in het kader van haar onderneming. Dat de auto’s worden gebruikt voor niet-economische prestaties wil dus niet zeggen dat de auto’s niet worden gebezigd in het kader van de onderneming. Eiseres voldoet op aangifte omzetbelasting ter zake van door haar verrichte belaste economische activiteiten en heeft een BTW-nummer en de bestelauto’s staat op naam van eiseres aan wie het BTW-nummer is verleend. De bestelauto’s worden gebruikt voor het inzamelen van veegvuil, het legen van prullenbakken in het publieke ruimte en voor de groenvoorziening (plantsoendienst). 5. Verweerder neemt het standpunt in dat eiseres de bestelauto’s niet gebruikt voor met omzetbelasting belaste prestaties (economische prestaties) en eiseres daarom de auto’s niet meer dan bijkomstig bezigt in het kader van haar onderneming. Beoordeling van het geschil 6. Ingevolge artikel 6 van de Wet Mrb is de houder van een bestelauto belastingplichtig. Het tarief voor een bestelauto is - in beginsel- gelijk aan dat voor een personenauto (artikel 24 van de Wet Mrb). 7. Ingevolge artikel 24b van de Wet Mrb is, indien aan de voorwaarden wordt voldaan (op verzoek van belastingplichtige) het lagere bestelautotarief van toepassing. Voorwaarden om in aanmerking te komen voor het lage tarief voor bestelauto’s zijn dat de belastingplichtige is aan te merken als ondernemer in de zin van artikel 7 van de Wet OB en dat de bestel auto meer dan bijkomstig wordt gebezigd in het kader van zijn onderneming. 8. Vast staat dat de hiervóór genoemde bestelauto’s door eiseres worden gebruikt voor het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van het inzamelen veegvuil en het legen van prullenbaken in het publieke ruimte en het onderhoud van de gemeentelijke groenvoorziening. Dit zijn geen economische prestaties. Voor zover de auto’s worden gebruikt voor economische prestaties is dit gebruik niet meer dan bijkomstig (minder dan 10% van het gehele gebruik). 9. Het Hof van Justitie heeft in het arrest van 15 september 2016 zijn overwegingen van het arrest van 12 februari 2009 overwogen: “Zoals blijkt uit artikel 6, lid 2, onder
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.