Rechtbank DEN HAAG Strafrecht Meervoudige strafkamer Parketnummers: 09/767194-16 (dagvaarding I); 09/837061-16 (dagvaarding II, ttz.gev.) Datum uitspraak: 24 oktober 2017 Tegenspraak (Promisvonnis) De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen verdachte: [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1987 te [geboorteplaats] , [adres 1] . 1Het onderzoek ter terechtzitting Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen van 9 september 2016, 14 november 2016, 24 januari 2017, 7 februari 2017, 9 februari 2017 (telkens pro forma) en 27, 28 en 29 september 2017 en 13 oktober 2017 (inhoudelijk). Deze strafzaak is inhoudelijk gelijktijdig, doch niet gevoegd, behandeld met de strafzaken tegen de verdachten [medeverdachte 1] (parketnummer 09/767300-15), [medeverdachte 2] (gevoegde parketnummers 09/767150-16 en 09/765012-16), [medeverdachte 3] (parketnummer 09/767295-16) en [medeverdachte 4] (gevoegde parketnummers 09/767195-16 en 09/766022-16). De verdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zullen hierna (ook) met hun achternaam worden aangeduid, de verdachten [verdachte] en [medeverdachte 4] (ook) met hun voornaam. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. D.M. van Gosen en van hetgeen door de raadsman van verdachte, mr. W.S. Korteling, advocaat te Den Haag, en door verdachte naar voren is gebracht. Blijkens het proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 9 september 2016 zijn beide dagvaardingen van verdachte reeds met instemming van de verdediging gevoegd. Nu er door de verdediging geen zwaarwegende belangen zijn aangevoerd om deze dagvaardingen weer te splitsen, ziet de rechtbank geen aanleiding om terug te komen op deze beslissing en wordt het verzoek van de raadsman tot het wijzen van twee aparte vonnissen afgewezen. 2De tenlasteleggingen Verdachte wordt, kort gezegd, verweten dat hij: - op 16 mei 2016 in Den Haag, al dan niet tezamen en in vereniging, in een woning aan de [adres 2] , gedurende de nacht, heeft geprobeerd in te breken om daar een hoeveelheid hennepplanten weg te nemen (dagvaarding I, feit 1), en - in de periode van 29 april 2016 tot en met 14 juni 2016 in één of meer plaatsen in Nederland, al dan niet tezamen en in vereniging, ter voorbereiding van een gekwalificeerde diefstal waarop een gevangenisstraf van acht jaar of meer is gesteld, diverse daarvoor bestemde goederen heeft verworven, vervaardigd, ingevoerd, doorgevoerd, uitgevoerd of voorhanden heeft gehad (dagvaarding I, feit 2), en - in de periode van 20 juli 2015 tot en met 1 juni 2016 op meerdere plaatsen in Nederland heeft deelgenomen aan een criminele organisatie (dagvaarding I, feit 3), en - zich op 17 december 2015 in Voorburg met geweld heeft verzet tegen zijn aanhouding door politieambtenaar [verbalisant 1] (dagvaarding II). De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen als bijlage I bij dit vonnis en maakt daarvan deel uit. 3Bewijsoverwegingen 3.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het bij dagvaarding I onder 3 tenlastegelegde feit. Ten aanzien van het bij dagvaarding I onder 1 en 2 en het bij dagvaarding II tenlastegelegde heeft de officier van justitie gevorderd dat wettig en overtuigend bewezen wordt verklaard dat verdachte deze feiten heeft begaan. Op haar specifieke standpunten zal hierna - voor zover relevant - nader worden ingegaan. 3.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit, omdat in het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is. Op de specifieke (bewijs)verweren van de verdediging zal hierna - voor zover relevant - nader worden ingegaan. 3.3 De overwegingen van de rechtbank 3.3.1 Dagvaarding I, feit 1 Inleiding In het onderzoek is veelvuldig getapt op veel verschillende telefoonnummers en het dossier bevat veel uitgewerkte sms-berichten en tapgesprekken. De rechtbank zal dan ook beginnen met een overweging omtrent deze nummers en beoordelen of een koppeling kan worden gemaakt met de verschillende - relevante - verdachten. [verdachte] Het nummer [telefoonnummer 1] ( [telefoonnummer 1] ) staat op naam van [verdachte] , de gebruiker wordt [verdachte] genoemd en in de woning aan de [adres 3] te Leidschendam, waar [verdachte] woonachtig is, is een mobiele telefoon in beslaggenomen met dit nummer. Bovendien is zijn stem herkend als de stem van de gebruiker van dit telefoonnummer. De rechtbank komt op basis hiervan tot de conclusie dat dit nummer in gebruik is bij [verdachte] . [medeverdachte 4] Ten aanzien van het telefoonnummer [telefoonnummer 2] ( [telefoonnummer 2] ) is door de rijksrecherche het volgende geverbaliseerd. De gebruiker van nummer [telefoonnummer 2] wordt [naam 1] genoemd. De roepnaam van [medeverdachte 4] is [naam 1] en hij is de broer van [verdachte] . Uit de zendmastgegevens volgt dat de telefoon met [telefoonnummer 2] in de nacht van 16 mei 2016 tussen 04.05.05 uur en 08.43.56 uur de zendmast aan de Veurse Achterweg 26 te Leidschendam heeft aangestraald en dat is 150 meter verwijderd van zijn woonadres aan de [adres 3] te Leidschendam. In een tapgesprek op 16 juni 2016 is te horen dat een vrouw in het gesprek met telefoon [telefoonnummer 2] aangeeft dat ze steeds “de voicemail van [medeverdachte 4] krijgt als hij ophangt”. De stem van de gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer 2] is bovendien herkend als die van [medeverdachte 4] . De rechtbank komt op basis hiervan tot de conclusie dat dit nummer in gebruik is bij [medeverdachte 4] . [medeverdachte 2] Uit de opgenomen en afgeluisterde gesprekken volgt dat de gebruiker met het nummer [telefoonnummer 3] ( [telefoonnummer 3] ) “ [medeverdachte 2] ” blijkt te heten. De gebruiker noemt zichzelf ook zo. De stem van de gebruiker wordt voorts door de verbalisant herkend als de stem van [medeverdachte 2] . De rechtbank komt op basis hiervan tot de conclusie dat dit nummer in gebruik is bij [medeverdachte 2] . Tapgesprekken d.d. 15 en 16 mei 2016 Op 15 mei 2016 om 23.23.41 uur heeft [verdachte] ( [telefoonnummer 1] ) telefonisch contact met [medeverdachte 4] ( [telefoonnummer 2] ). In dat telefoongesprek geeft hij aan dat [medeverdachte 4] moet gaan naar die “onder de grond”. [medeverdachte 4] vraagt “ehh alleen?” waarop [verdachte] zegt dat hij met “lange” moet gaan en dat hij vandaag moet gaan kijken. [medeverdachte 4] reageert daarop dat hij niet alleen gaat kijken, maar ook “gelijk gaat pakken”. [verdachte] zegt dan dat hij het via de binnenkant open kan maken en dat hij moet laten weten hoe het is. Voorts is er die nacht telefonisch contact tussen [medeverdachte 4] en de onbekend gebleven gebruiker van nummer [telefoonnummer 4] (hierna: [telefoonnummer 4] ) waaruit blijkt dat zij samen zullen gaan. Even later wordt [medeverdachte 4] gebeld door [verdachte] die wil weten of [medeverdachte 4] al geweest is. “Nee”, zegt [medeverdachte 4] , “ik ga niet zo vroeg”. [medeverdachte 4] zegt dan “Die Lange is nu onderweg naar mij”. Om 02.19.42 uur die nacht belt [verdachte] weer naar [medeverdachte 4] en vraagt waar “ze” zijn. [medeverdachte 4] zegt dat hij bij “de lange” is om spullen uit de auto te laden en dan gaan ze “die kant” op “die spullen toch maar leeg halen”. [verdachte] antwoordt daarop dat als ze klaar zijn ze dan naar zijn huis moeten komen. Niet lang hierna wordt [verdachte] door de gebruiker van [telefoonnummer 4] en [medeverdachte 4] kennelijk opgehaald. Om 2.33 uur zegt [medeverdachte 4] immers tegen [verdachte] dat ze er binnen 30 seconden zijn en vraagt [verdachte] de zijdeur open te maken. Alle telefoons stralen vervolgens zendmasten aan bij elkaar in de buurt. Er volgen daarna, vanaf 03.07 uur, nog drie gesprekken tussen [verdachte] en [medeverdachte 4] . Beide telefoonnummers stralen op dat moment de zendmast aan op [adres 4] 100 te Den Haag. [verdachte] vraagt hoe het gaat. [medeverdachte 4] zegt dat ze nog aan het kijken zijn. [verdachte] zegt dat ze een inschatting moeten maken en dat hij over twee minuten terugbelt. Een minuut later zegt [medeverdachte 4] tegen [verdachte] dat ze de deur hebben gevonden en vervolgens: “ [naam 2] (fon) Is hem ook he. Is te jong, is te jong”. [verdachte] zegt dan dat ze de voeten schoon moeten maken en alles schoon moeten maken en dat ze naar buiten moeten komen. Hij vraagt of ze een foto kunnen maken en [medeverdachte 4] zegt: “geef telefoon geef telefoon” waarop [verdachte] zegt: “Ik geeft je mijn telefoon”. Weer vijf minuten later belt [verdachte] naar [medeverdachte 4] en vraagt hij hoelang ze nog moeten wachten. [medeverdachte 4] zegt dan: “Zeker twee weken. Zeker twee weken is klaar. Is vijfde week.” In dat gesprek zegt [verdachte] vervolgens nog: “maar luister eens. Veeg alles daar veeg alles daar goed aan. Niet die stoffen alleen die voetafdrukken. Pas op voor die tafel en zo snap je.” Korte tijd later, om 03.16 uur en om 3.18 uur, als wederom de telefoons de zendmast aan [adres 4] aanstralen, belt [verdachte] weer naar [medeverdachte 4] . [medeverdachte 4] vraagt of ze naar boven kunnen komen. “Nee” zegt [verdachte] , “wachten wachten er rijdt een auto weg”. [verdachte] vraagt vervolgens “Alles netjes he”. In het daaropvolgende gesprek zegt [verdachte] dat er iemand op een fiets komt aanfietsen en dat die hen niet gezien heeft waarna hij zegt: “ik ben de bewaker, vriend”. [medeverdachte 4] zegt in dat gesprek “nog één week!!!” en “het is zes weken” en “ik heb gezegd, 2 weken nog.” Melding en bevindingen politie In die nacht van 16 mei 2016 meldt om 03.30 uur de bewoonster van perceel [adres 2] in Den Haag dat zij twee jongens hoorde praten en dat er vervolgens één jongen naar binnen ging in de naastgelegen woning van waaruit je in de woning van meldster kon komen. Zij is naar buiten gevlucht en durft niet terug te gaan. Ze meldt voorts dat ze heeft gezien dat er twee jongens via het geopende raam naar binnen waren geklommen en na een paar minuten weer naar buiten kwamen zonder iets in hun handen. Op 20 mei 2016 zijn verbalisanten ter plaatse gegaan en hebben zij waargenomen dat de woning zich precies op de hoek van de [adres 2] , [adres 4] en de [adres 5] bevond. De voordeur is gelegen aan [adres 4] . Op de ramen was veel condens aanwezig. Op het dak van het Florence woonzorgcentrum op [adres 4] staat een grote zendmast. Op 20 mei 2016 werd in de kelder van het pand aan de [adres 2] in Den Haag een hennepkwekerij aangetroffen met 305 planten. De woning werd op 20 mei 206 afgesloten met een hangslot en in het raam van de deur zaten verschillende barsten. Naast de deur net om de hoek is een bordje te zien met nr. [huisnummer] . Bij de doorzoeking in de woning [adres 3] te Leidschendam werd in de slaapkamer in gebruik bij [medeverdachte 4] een telefoon in beslaggenomen; een witte Samsung. In de datafiles van die telefoon wordt een mp4 bestand aangetroffen. Dit is aangemaakt op 16 mei 2016 te 03.13.09 uur. Het bestand betreft een filmpje van een in werking zijnde hennepkwekerij. Dit filmpje is vergeleken met de foto’s van de hennepkwekerij aan de [adres 2] . Er waren opvallende overeenkomsten zoals het balkenplafond, de buizen van de afzuiging, de stekkerdoos en de ventilator aan de wand. Tapgesprekken 21, 22 en 23 mei 2016 Op 21 mei 2016 om 14.40 uur neemt [medeverdachte 4] contact op met de gebruiker van [telefoonnummer 4] . In dit gesprek wordt gesproken over “deze is helemaal kapot. Zie slotje daarop” maar dat “we hebben niks gedaan joh…zeg ik laats…” en dat er geen schade aan de deur is geweest, wel zit er een barst in de ramen en er zit een nieuw slotje op. Tien minuten later belt [verdachte] met [telefoonnummer 4] . Deze laatste zegt dat hij eergisteren in de avond samen met [verdachte] langs is gereden en dat er toen nog niks aan de hand was. “100% niks aan de hand”. [verdachte] geeft aan dat het helemaal mis gaat. De man zegt dat er een barst in het raam zit en er zit een slot op de deur. [verdachte] zegt: “dan moeten jullie de handel vandaag pakken”. Kort daarna belt [medeverdachte 2] ( [telefoonnummer 3] ) met [verdachte] . In dit gesprek geeft [verdachte] aan dat er een barst in de ruit zit en vraagt hij of [medeverdachte 2] zelf wil gaan kijken, waarop [medeverdachte 2] zegt “nee joh ben je gek?”. Vervolgens belt [verdachte] weer met [telefoonnummer 4] en zegt hij dat het weg is en dat het de “baas” moet zijn geweest die “hem” hebben leeggehaald. Conclusies ten aanzien van het bewijs Voorop staat dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezen verklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Ook indien het ten laste gelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht, kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn. Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte en diens aanwezigheid op belangrijke momenten (ECLI:NL:HR:2014:3474). Uit de combinatie van de inhoud van de gevoerde gesprekken, de aangestraalde paallocaties en de aangetroffen gegevens in de bij [medeverdachte 4] aangetroffen telefoon, staat het voor de rechtbank vast dat de hiervoor genoemde tapgesprekken betrekking hebben op de woning aan de [adres 2] in Den Haag. Voorts is vast komen te staan dat het [verdachte] is geweest die [medeverdachte 4] naar de woning aan de [adres 2] heeft gestuurd om daar te gaan kijken, waarop [medeverdachte 4] zei dat hij ook meteen “gaat pakken”. [verdachte] is vervolgens samen met [medeverdachte 4] en de gebruiker van [telefoonnummer 4] naar de woning gegaan. Vervolgens heeft [verdachte] [medeverdachte 4] en de gebruiker van [telefoonnummer 4] aangestuurd wat zij aldaar moesten doen. Gedurende de nacht is er immers veelvuldig contact geweest tussen [verdachte] en [medeverdachte 4] . Zo heeft [verdachte] tijdens de inbraak [medeverdachte 4] meerdere keren gebeld om te vragen hoe het ging. Op het moment dat [medeverdachte 4] tegen [verdachte] zei dat de hennep nog te jong was, is het [verdachte] die [medeverdachte 4] vraagt om daarvan een foto te maken en vervolgens verschillende aanwijzingen geeft over hoe zij daar weg moeten gaan. Zo moeten zij niet vergeten om hun voetsporen uit te vegen. Dit laatste heeft [verdachte] in een volgend gesprek nogmaals herhaald. Wanneer [medeverdachte 4] en de gebruiker van [telefoonnummer 4] willen vertrekken, is het [verdachte] die hun heeft laten weten wanneer het veilig was om de woning te verlaten. Daags na de poging inbraak is het ook [verdachte] die contact heeft opgenomen met de gebruiker van [telefoonnummer 4] om door te geven dat het allemaal misgaat en dat de kwekerij die dag alsnog leeggehaald moet worden. Anders dan door de raadsman is bepleit, is de rechtbank, gelet op al het vorengaande, van oordeel dat, - hoewel de rollen van [verdachte] , [medeverdachte 4] en de gebruiker van [telefoonnummer 4] verschillend zijn - de rol van [verdachte] als onderdeel van het samenwerkingsverband én de bijdrage van [verdachte] aan het geheel van het tenlastegelegde van zodanig gewicht zijn dat deze in onderhavige geval kan worden aangemerkt als die van een medepleger. Immers, [verdachte] is degene die aanstuurt, de mensen regelt en uiteindelijk ook de opdracht geeft om de kwekerij alsnog leeg te halen. Hij is dan wel niet fysiek in de woning aanwezig geweest, maar door het veelvuldige telefonisch contact is hij er wel voortdurend “geestelijk” bij. Naar zijn uiterlijke verschijningsvormen is ook sprake van een strafbare poging. In het bijzonder neemt de rechtbank daarbij in aanmerking het feit dat er in de onderlinge taps wordt gesproken over het “pakken” (van de hennepplanten), het door de twee medeverdachten via het raam naar binnen klimmen en de gefrustreerde reactie van [verdachte] wanneer hij hoort dat er een slot op de deur zit en dan aan de telefoon zegt dat de handel alsnog vandaag gepakt moet worden. Het verweer van de raadsman hieromtrent zal dan ook worden verworpen. De rechtbank merkt voorts op dat het gaat om een poging, enkel omdat verdachten niets hebben meegenomen uit de woning. Concluderend zal de rechtbank dan ook een poging tot inbraak, gedurende de nacht, in vereniging, door middel van inklimming wettig en overtuigend bewezen verklaren. 3.3.2 Dagvaarding I, feit 2 De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het bij dagvaarding I onder 2 tenlastegelegde feit en overweegt daartoe als volgt. De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van voorbereidingshandelingen is vereist dat kan worden bewezen dat verdachte, ter voorbereiding van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, opzettelijk voorwerpen verwerft, vervaardigt, invoert, doorvoert, uitvoert of voorhanden heeft. Op diefstal uit een woning in de voor de nachtrust bestemde tijd, gepleegd in vereniging of met braak, verbreking of inklimming, zoals ten laste gelegd, staat 9 jaar gevangenisstraf, waarmee aan de eis van artikel 46 van het Wetboek van Strafrecht dat voorbereidingshandelingen pas strafbaar zijn als zij zijn gericht op een misdrijf waarop een gevangenisstraf van tenminste 8 jaar is gesteld, wordt voldaan. Een “gewone” inbraak is onvoldoende. De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat de bij verdachte aangetroffen goederen vragen oproepen en zouden kunnen duiden op een voornemen om in te gaan breken. Voor een bewezenverklaring van voorbereidingshandelingen gericht op het plegen van inbraken waarop tenminste 8 jaar gevangenisstraf staat, is echter noodzakelijk dat de rechtbank vaststelt dat het opzet van verdachte ook op voornoemde strafverzwarende aspecten was gericht. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er onvoldoende aanknopingspunten in het dossier te vinden waaruit blijkt dat verdachte voornemens was om enkel gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, met een ander of anderen, te gaan inbreken. Het feit dat verdachte éénmaal bij een dergelijke poging tot inbraak betrokken is geweest en hij meerdere gesprekken in de nacht heeft gevoerd die zouden kunnen duiden op het plegen van andere inbraken is hiervoor, anders dan de officier van justitie heeft betoogd, onvoldoende. De rechtbank zal verdachte dan ook van dit feit vrijspreken. 3.3.3 Dagvaarding I, feit 3 De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen kan worden hetgeen verdachte bij dagvaarding I onder 3 ten laste is gelegd, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken. 3.3.4 Dagvaarding II De rechtbank zal verdachte eveneens vrijspreken van het bij dagvaarding II tenlastegelegde en overweegt daartoe het volgende. In tegenstelling tot het standpunt van de verdediging is de rechtbank van oordeel dat [verbalisant 1] , op het moment dat hij verdachte had aangehouden en vast had, wel degelijk werkzaam was in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening. Dat achteraf mogelijk zou kunnen blijken dat verdachte op het moment van zijn aanhouding ten onrechte werd aangemerkt als verdachte van een strafbaar feit, doet aan de rechtmatigheid op het moment van de aanhouding niet af. Met de verdediging is de rechtbank evenwel van oordeel dat uit het relaas van [verbalisant 2] , dat van [verbalisant 3] en dat van [verbalisant 4] weliswaar blijkt dat verdachte zich tegen zijn aanhouding heeft verzet, maar niet dat hij daarbij geweld heeft gepleegd. Verdachte heeft weliswaar zelf bij de politie verklaard dat hij zich heeft losgerukt, maar deze verklaring wordt niet door andere bewijsmiddelen ondersteund en voor bewezenverklaring van verzet met geweld acht de rechtbank deze verklaring onvoldoende, zodat verdachte van dit feit zal worden vrijgesproken. Al het bovenstaande leidt tot de volgende bewezenverklaring. 3.4 De bewezenverklaring De rechtbank verklaart ten aanzien van verdachte bewezen dat: Dagvaarding I:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.