Rechtbank DEN Haag – ECLI:NL:RBDHA:2017:13251
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL17.8844 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 oktober 2017 in de zaak tussen [eiser], eiser (gemachtigde: mr. F.W. Verweij), en de minister van Veiligheid en Justitie, voorheen de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder (gemachtigde: mr. A. Bondarev).
Procesverloop Bij besluit van 15 september 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de opvolgende aanvraag van eiser om verlening van een verblijfsvergunning asiel niet-ontvankelijk verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL17.8845, plaatsgevonden op 5 oktober 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen 1. Eiser is geboren op [eiser] en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Op 14 januari 2011 heeft hij voor de eerste maal een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Bij besluit van 19 februari 2011 is deze aanvraag afgewezen omdat de geloofwaardig geachte bekering van eiser in Nederland tot het christendom onvoldoende zwaarwegend is geacht om hem als vluchteling aan te merken. Het tegen dit besluit ingestelde beroep is bij uitspraak van 18 juli 2011 door deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, niet-ontvankelijk verklaard.
Bij besluit van 21 september 2015 heeft verweerder deze asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard, welk besluit bij brief van 6 juni 2017 is ingetrokken.
Eiser is vervolgens op 5 juli 2017 aanvullend gehoord.
Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van nieuwe elementen of bevindingen die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag. Verweerder erkent weliswaar dat het verrichten van bekeringsactiviteiten in Marokko strafbaar is, maar acht op grond van de door eiser afgelegde verklaringen niet geloofwaardig dat hij bij terugkeer naar zijn land van herkomst bekeringsactiviteiten zal verrichten. Derhalve is volgens verweerder niet gebleken dat het actief bekeren van anderen voor eiser een essentieel onderdeel vormt van zijn geloof en geloofsbeleving. Van een rechtens relevant element is dan ook geen sprake.
Verweerder heeft hieraan ten eerste ten grondslag gelegd dat eiser naar eigen zeggen al jarenlang christen is, maar verklaard heeft nog steeds weinig kennis te hebben van het christendom en de Bijbel. Verweerder ziet niet in hoe iemand met nog maar weinig kennis, actief wil gaan evangeliseren. Verweerder heeft voorts overwogen dat eiser zich reeds hier in Nederland ervan laat weerhouden om met moslims te praten over het christendom als het gesprek enigszins vervelend wordt of als mensen niet geïnteresseerd zijn. Daarnaast blijkt uit zijn verklaringen dat eiser alleen in groepsverband bekeringsactiviteiten heeft verricht. Dat eiser wel alleen, uit zichzelf, in Marokko actief anderen zal gaan bekeren, acht verweerder dan ook niet geloofwaardig.
De door verweerder gebruikte argumenten om niet geloofwaardig te achten dat hij in Marokko bekeringsactiviteiten zal verrichten, acht eiser niet valide. Zo is de stelling van verweerder dat eiser verklaard heeft nog maar weinig kennis te hebben van zijn geloof apert onjuist. Eiser heeft wel degelijk kennis van zijn geloof; hij heeft slechts verklaard dat hij nog steeds leert en verdiept en zichzelf nog niet ziet als zendeling. Eiser heeft hiervoor verwezen naar diverse passages uit zijn gehoor opvolgende aanvraag van 15 september 2015 en zijn aanvullend gehoor van 5 juli 2017. Dat desinteresse eiser ervan weerhoudt om anderen te bekeren is eveneens een onjuiste conclusie, nu hij tijdens het aanvullend gehoor uitdrukkelijk een onderscheid heeft gemaakt tussen mensen die niet direct enthousiast reageren en mensen die agressief zijn. De grens van het bekeren ligt bij zijn eigen veiligheid. Dat eiser in Nederland alleen in groepsverband bekeringsactiviteiten heeft gedaan, is evenmin een deugdelijk argument, aldus eiser.
De rechtbank overweegt als volgt.
Het eerste argument van verweerder, dat eiser nog maar weinig kennis zou hebben van het christelijk geloof, berust naar het oordeel van de rechtbank op een onjuiste lezing van het opvolgend gehoor van 15 september 2015. Op pagina 12 bovenaan staat immers: “Hebt u voor uw gevoel voldoende kennis in huis om anderen ervan te overtuigen dat het christendom het juiste geloof is?
Ik kan u niet zeggen dat ik heel veel kennis heb. Ik ben nog steeds aan het onderzoeken en verdiepen in het christendom. Met de bescheiden kennis die ik nu heb, probeer ik over te brengen naar anderen.”
Ook uit onderstaande verklaring van eiser tijdens het aanvullend gehoor van 5 juli 2017, waarnaar verweerder heeft verwezen, kan niet worden afgeleid dat eiser maar weinig kennis heeft van zijn geloof. Het zijn van zendeling is immers niet hetzelfde als het verrichten van bekeringsactiviteiten. “Ziet u zichzelf dan als een soort zendeling?
Ik moet nog veel leren. Ik kan niet zo maar zeggen dat ik dat kan. Ik wil andere mensen leren en tegelijk van ander mensen leren. Ik moet me nog steeds verdiepen in de bijbel.”
Het tweede argument van verweerder, dat eiser reeds in Nederland zou stoppen met praten met anderen over zijn geloof als het gesprek vervelend wordt, is naar het oordeel van de rechtbank evenmin een valide argument. Eiser heeft immers in zijn aanvullend gehoor op pagina 7 uitgelegd dat hij niet zal proberen om mensen te bekeren die agressief op hem reageren. Dat eiser de grens trekt bij zijn eigen veiligheid, acht de rechtbank niet meer dan logisch. Het derde argument van verweerder, dat eiser in Nederland alleen in groepsverband heeft geëvangeliseerd, kan naar het oordeel van de rechtbank evenmin dienen als deugdelijke onderbouwing van het standpunt van verweerder. Immers, niet valt in te zien dat het alleen evangeliseren in Nederland een voorwaarde zou zijn om aannemelijk te achten dat eiser dit ook in Marokko zal doen.
Verweerder heeft ter zitting naar voren gebracht dat gekeken is naar de houding en activiteiten van eiser in Nederland en dat hieruit niet blijkt dat hij moslims wil bekeren. Eiser heeft een terughoudende houding en ontloopt moslims zelfs. Verweerder heeft in dit verband gewezen naar een passage op pagina 7 van het aanvullend gehoor. Eiser gaat vooral om met mensen binnen de kerkgenootschap zelf en met mensen die reeds hun interesse in het christendom kenbaar hebben gemaakt. Van actieve bekeringsactiviteiten in Nederland is niet gebleken, aldus verweerder.
Ik ben de hele dag actief op het gebied van mijn geloof, het is een dagelijks leven. Ik moet op het AZC mensen vertellen over mijn geloof. Het is een soort evangelisatie. Mijn contacten met de kerken in Amersfoort, Breda en Utrecht lopen via email. Grave is een beetje ver van Nijmegen. Het is moeilijk voor mij om daarheen te gaan.”
En op pagina 6 van het aanvullend gehoor staat vermeld: “Welke kerken bezoekt u sinds u in Grave woont?
De Boskapel. Ik heb contact met Cees Rentier. Hij is directeur van Evangelie en Moslims in Amersfoort. Hij heeft mij in contact gebracht met de Boskapel.
Dat is een gereformeerde kerk. Ik heb hen uitgelegd om iedere zondag 6 Euro te betalen. Ze hebben vervoer voor ons geregeld van en naar het AZC. Eerst waren we met vier nu zijn we met acht. Sinds twee weken geleden heb ik een jongen uit mijn unit meegebracht. Dan zijn het er negen.”
De passages waar verweerder naar heeft verwezen op pagina 7 van het aanvullend gehoor luiden als volgt: “Heeft dat (rechtbank: de bekering) ook effect op uw maatschappelijk leven?
Ja. De plek waar ik nu woon is het AZC. Binnen mijn kerk zijn we één familie. We zijn welkom in elkaars huis. We eten samen. We krijgen steun van elkaar. In het AZC is het anders. Er waren drie Marokkanen in mijn unit. Ik ging weg op zondag. Ze vroegen wat ik deed op zondagochtend. Ik zei dat ik naar de kerk ging. Ik moest eerlijk zijn. Ze waren er niet blij mee. Ik had ruzie met iemand. De beveiliging zei dat ik aangifte moest doen. Ik zei dat ik ergens anders heen wilde. Ik kreeg een andere kamer. Ze zijn nu weg. Maar er komen anderen. Ik wil geen problemen. Ik houd nu voor mezelf dat ik ben bekeerd en voor de groep waarmee ik naar de kerk ga. Deze ramadan zei ik dat ik daaraan niet meedeed. Ik zag de reacties.
Klopt het dat u uw geloof op dit moment een beetje verborgen houdt voor uw medebewoners?
Ik houd het niet verborgen, maar ik wil niet in discussie geraken met andere mensen. Die jongens die de laatste keer zijn gekomen, zijn hele agressieve mensen. Ik wil geen vrienden met hen zijn. Ik heb het een keer gehad. Dat wil ik niet nog een keer. Ik doe wat ik wil. Als iemand mij vraagt, zeg ik wie ik ben. Ik kan dat niet ontkennen.”
Naar het oordeel van de rechtbank kan uit voorgaande passages op pagina 7 worden afgeleid dat eiser uitdrukkelijk een onderscheid heeft gemaakt tussen mensen die niet direct enthousiast reageren en mensen die agressief zijn. Zoals hierboven reeds overwogen, is het niet meer dan logisch dat eiser een grens trekt bij zijn eigen veiligheid. Verweerder heeft dan ook ten onrechte uit deze passages de conclusie getrokken dat eiser moslims ontloopt.
Beslissing De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. C. van Boven-Hartogh, rechter, in aanwezigheid van S.A.K. Kurvink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 oktober 2017. griffier rechter Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:
Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen een week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.