RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats 's-Gravenhage Bestuursrecht zaaknummers: NL17.5447, NL17.5448, NL17.5449 en NL17.5450 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 november 2017 in de zaak tussen [eiser] , eiser, en zijn gezinsleden [gezinslid 1] , [gezinslid 2] , [gezinslid 3] , en [gezinslid 4] (gemachtigde: mr. L. Sinoo), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. A.J. Hakvoort). Procesverloop Bij besluit van 22 juni 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvragen van eiser en zijn gezinsleden tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond. Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 november 2017. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Eisers zijn allen van Iraakse nationaliteit. Eisers zijn, nadat zij Irak zijn ontvlucht vanwege de problemen van eiser aldaar, via Turkije naar Nederland gereisd. De gezinsleden van eiser hebben een van eiser afhankelijk asielrelaas. 2. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd, kort samengevat en voor zover van belang, dat hij in Irak problemen heeft gekregen omdat hij werkte voor een rechter. Eiser is vanwege zijn werk op 5 november 2015 ontvoerd door hem onbekende mensen. Deze mensen hebben eiser gevraagd met hen samen te werken om de betreffende rechter uit de weg te ruimen. Omdat eiser weigerde hulp hieraan te verlenen, is hij mishandeld en opgesloten. Op een gegeven moment kon eiser ontsnappen met behulp van een onbekende vrouw. Eiser is hierop naar zijn zuster en zwager gegaan en heeft kort daarop samen met zijn gezin het land verlaten. Eenmaal in Turkije aangekomen vernam eiser van zijn zwager in Irak dat een groep gewapende onbekende mannen zijn huis en grond in brand hebben gestoken. 3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen: - Eiser is [eiser] , hij heeft de Iraakse nationaliteit en is moslim. Eiser is woonachtig in provincie Bagdad, district Al Taji, in het dorp [dorp] ; - Eiser was werkzaam als persoonlijke beveiliger/hulp van een rechter in Bagdad, genaamd [persoon A] ; - Eiser heeft problemen ondervonden naar aanleiding van zijn werkzaamheden. Op 5 november 2015 is eiser ontvoerd door gewapende mannen. Eiser is gevraagd om met hen samen te werken omdat zij van de rechter waar eiser voor werkte af wilden. Eiser heeft geweigerd en is hierop bedreigd en mishandeld. Eiser is ontsnapt met behulp van een onbekende vrouw. Eiser is naar zijn zus gegaan in Bagdad en heeft vervolgens op 12 november 2015 samen met zijn gezin Irak verlaten. Tijdens zijn verblijf in Turkije is zijn huis en grond in brand gestoken door onbekende gewapende mensen. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig is. Ook de werkzaamheden van eiser acht verweerder geloofwaardig. Verweerder acht de gestelde problemen ten gevolge van deze werkzaamheden echter niet geloofwaardig, omdat eiser hierover naar het oordeel van verweerder slechts onwaarschijnlijke en bevreemdingwekkende verklaringen heeft kunnen afleggen. Verweerder is tot slot van oordeel dat eiser ook anderszins niet aannemelijk heeft gemaakt bij terugkeer naar Irak een reëel risico te lopen op vervolging dan wel schending van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). 4. Eiser voert in beroep aan dat hij wel degelijk geloofwaardige verklaringen heeft afgelegd. Dit blijkt volgens eiser ook uit het feit dat hij op sommige momenten tijdens het nader asielgehoor emotioneel was. Het asielrelaas van eiser past verder ook binnen het beeld uit het algemeen ambtsbericht van november 2016, waaruit blijkt dat leden van bepaalde beroepsgroepen een reëel risico lopen vanwege hun werkzaamheden. Ter onderbouwing van de plausibiliteit van zijn asielrelaas heeft eiser in beroep voorts nog verwezen naar een aantal filmpjes op de website van Youtube, waarin een vrouw aan het woord komt die vertelt over haar bevrijdingsacties van haar onbekende gevangengehouden mannen. Ook het feit dat er door getuigen aangifte is gedaan van brandstichting van de woning en het land van eisers en dat deze getuigen hebben verklaard dat het militieleden waren, is een zeer stevige onderbouwing van de geloofwaardigheid van het asielrelaas van eiser. Los van het asielrelaas is eiser van mening dat de algehele veiligheidssituatie in Irak, en in de Bagdad-belts in het bijzonder, zodanig slecht is dat eiser en zijn gezin door hun loutere aanwezigheid aldaar al een reëel risico lopen op schending van artikel 3 van het EVRM. Volgens eiser kan Bagdad niet gelden als vestigingsalternatief nu zij niet behoren tot de groepen personen aan wie toegang tot Bagdad wordt verleend en zij ook niet aan de voorwaarden voor toegang kunnen voldoen. Eiser heeft ter onderbouwing van deze stelling verwezen naar een brief van de UNHCR van 14 juni 2017 en naar een notitie van Vluchtelingenwerk. Nu eiser en zijn gezin zich niet kunnen vestigen in Bagdad, dient van terugkeer naar hun gebied van herkomst in de Bagdad-belt te worden uitgegaan maar is sprake van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. Terugkeren naar Irak is derhalve geen optie, aldus eiser. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijst eiser in beroep naar de uitspraak van 5 september 2017 (AWB 17/21187) van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, waarin deze heeft geoordeeld dat voor terugkeerders uit het buitenland andere toegangsvereisten voor Bagdad gelden. 5. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd. 6.1. Ingevolge artikel 29 van de Vw 2000 kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 worden verleend aan de vreemdeling: a. die verdragsvluchteling is; of b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt op ernstige schade, bestaande uit: 1°. doodstraf of executie; 2°. folteringen, onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen; of 3°. ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict. 6.2. Volgens paragraaf C1/4.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) beoordeelt de IND de geloofwaardigheid van de relevante elementen. Relevante elementen zijn feiten en omstandigheden die in de volgende twee categorieën worden onderscheiden:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.