Rechtbank den haag Team handel - voorzieningenrechter zaak- / rolnummer: C/09/541279 / KG ZA 17-1346 Vonnis in kort geding van 21 november 2017 in de zaak van [eiser] , thans verblijvende te Penitentiaire Inrichting [locatie 1] , eiser, advocaat mr. M.M.J.P. Penners te Sittard , tegen: de Staat der Nederlanden (het ministerie van Veiligheid en Justitie), zetelend te Den Haag, gedaagde, advocaat mr. A.Th.M. ten Broeke te Den Haag. Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiser] ’ en ‘de Staat’. 1De procedure Het verloop van de procedure blijkt uit de dagvaarding met producties, de door [eiser] overgelegde producties en de op 14 november 2017 gehouden mondelinge behandeling van de zaak, bij welke gelegenheid van de zijde van de Staat pleitnotities zijn overgelegd en de voorzieningenrechter vonnis heeft bepaald op heden. 2De feiten Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 14 november 2017 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan. 2.1. [eiser] is bij vonnis van 9 juni 2014 door het Gerecht in Eerste Aanleg van Curaçao veroordeeld tot een gevangenisstraf van achttien maanden. 2.2. De tenuitvoerlegging van deze straf is op 1 december 2016 op Curaçao aangevangen. 2.3. Bij brief van 5 december 2016 heeft [eiser] de Curaçaose autoriteiten verzocht om overdracht van de tenuitvoerlegging van de hem in Curaçao opgelegde gevangenisstraf naar Nederland. 2.4. Bij ministeriële beschikking van 11 april 2017 is dit verzoek door de Curaçaose autoriteiten toegewezen. In deze beschikking wordt overwogen dat de expiratiedatum van de [eiser] opgelegde straf is vastgesteld op 25 mei 2018 en zijn voorwaardelijke invrijheidsstelling op 26 november 2017. 3. Het geschil 3.1. [eiser] vordert – zakelijk weergegeven – de Staat te gebieden zijn voorwaardelijke invrijheidstelling te doen ingaan per 26 november 2017 en de Staat te verbieden om de hem in Curaçao opgelegde gevangenisstraf op en na die datum nog ten uitvoer te leggen, zulks op straffe verbeurte van dwangsommen, met veroordeling van de Staat in de kosten van de procedure. 3.2. Daartoe wordt – samengevat – het volgende aangevoerd. Conform het Wetboek van Strafrecht van Curaçao treedt de voorwaardelijke invrijheidstelling - zakelijk weergegeven - in werking zodra de veroordeelde 2/3 gedeelte van zijn onvoorwaardelijke gevangenisstraf heeft ondergaan. De detentieperiode van [eiser] is gestart op 1 december 2016. Zijn voorwaardelijke invrijheidsstelling vangt daarmee aan na 26 november 2017. [eiser] is echter op 6 september 2017 vanuit Penitentiaire Inrichting [locatie 2] bericht dat zijn voorwaardelijke invrijheidsstelling zal aanvangen na 26 januari 2018. Daarbij wordt aangesloten bij de Nederlandse regelgeving inzake voorwaardelijke invrijheidsstelling, op basis waarvan de voorwaardelijke invrijheidstelling bij een gevangenisstraf van 18 maanden intreedt na tenminste 12 maanden, plus 1/3 van de restantperiode, in casu twee maanden. Bij e-mailbericht van 31 augustus 2017 heeft dhr. [A] , senior selectiefunctionaris bij de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) van het ministerie van Veiligheid en Justitie, evenwel desgevraagd nog bericht dat de voorwaardelijke invrijheidsstelling van [eiser] aanvangt na 26 november 2017. Van deze tegenstrijdige en onduidelijke informatie mag [eiser] niet de dupe worden. De Staat handelt onrechtmatig door in strijd met de eerdere berichtgeving jegens [eiser] uit te gaan van de Nederlandse regelgeving. Om te voorkomen dat [eiser] na 26 november 2017 ten onrechte in de gevangenis verblijft, dient vóór die datum een beslissing te zijn genomen over de datum van zijn voorwaardelijke invrijheidsstelling. [eiser] heeft daarom spoedeisend belang bij het gevorderde. 3.3. De Staat voert gemotiveerd verweer, dat hierna - voor zover nodig - zal worden besproken. 4De beoordeling van het geschil 4.1. [eiser] legt aan zijn vordering(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.