← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2017:14782

Rechtbank DEN HAAG Strafrecht Meervoudige strafkamer belast met de behandeling van zaken betreffende internationale misdrijven Parketnummer: 09/748013-12 Datum uitspraak: 15 december 2017 Tegenspraak (Promisvonnis) De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte: [Eshetu A.], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1954, wonende te [plaats], thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting "Krimpen aan den IJssel" te Krimpen aan den IJssel. Onderzoeksnaam: Merens Opbouw van het vonnis Het vonnis is als volgt opgebouwd:

  1. Inleiding 1.1 Vooraf 1.2 De Ethiopische jaartelling 1.3 De schrijfwijze van namen 1.4 Verwijzingen 1.5 Gebruik van de Engelse taal
  2. De beschuldiging
  3. Het onderzoek 3.1 Het opsporingsonderzoek 3.2 Het onderzoek door de rechter-commissaris 3.3 Het onderzoek ter terechtzitting
  4. De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie 4.1 Inleiding 4.2 Het standpunt van het openbaar ministerie 4.3 Het oordeel van de rechtbank
  5. Het toepasselijk recht
  6. De geschiedenis van Ethiopië
  7. Het bestaan en de aard van het conflict 7.1 Inleiding 7.2 Het standpunt van het openbaar ministerie 7.3 Het standpunt van de verdediging 7.4 Het toetsingskader 7.5 De aard van het conflict in Ethiopië 7.5.1 De EPRP en de Staat 7.5.2 Verschillende strijdende partijen en de Staat 7.5.3 De kennis van het gewapend conflict
  8. De getuigenverklaringen 8.1 Inleiding 8.2 Het standpunt van het openbaar ministerie 8.3 Het standpunt van de verdediging 8.4 De betrouwbaarheid van de getuigenverklaringen 8.4.1 Het toetsingskader 8.4.2 De betrouwbaarheid van de getuigenverklaringen in deze zaak 8.5 De getuigenverklaringen 8.6 De getuigenverzoeken
  9. De schriftelijke bescheiden en deskundigenrapporten 9.1 Inleiding 9.2 Het standpunt van het openbaar ministerie 9.3 Het standpunt van de verdediging 9.4 De dossierstukken 9.4.1 De schriftelijke bescheiden 9.4.2 De deskundigenrapporten en de verhoren van de deskundigen
  10. De vaststelling van de feitelijke gebeurtenissen 10.1 Inleiding89 10.2 De vaststelling van de feitelijke gebeurtenissen
  11. Beschermde personen 11.1 Inleiding 11.2 Het standpunt van het openbaar ministerie 11.3 Het standpunt van de verdediging 11.4 Het oordeel van de rechtbank
  12. Schendingen van het internationaal humanitair recht 12.1 Inleiding 12.2 Het standpunt van het openbaar ministerie 12.3 Het standpunt van de verdediging 12.4 Het toetsingskader 12.4.1 Ten aanzien van het onder 1 en 4 tenlastegelegde 12.4.2 Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde 12.4.3 Ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde 12.5 Schendingen van het internationaal humanitair recht in deze zaak 12.5.1 Ten aanzien van het onder 1 en 4 tenlastegelegde 12.5.2 Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde 12.5.3 Ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde
  13. De vaststelling van de rol van de verdachte 13.1 Inleiding 13.2 Het standpunt van het openbaar ministerie 13.3 Het standpunt van de verdediging 13.4 Het feitelijke vaststelling van de rol van de verdachte 13.5 De kwalificatie van de rol van de verdachte 13.5.1 Het toetsingskader voor medeplegen, medeplichtigheid en uitlokken 13.5.2 Het toetsingskader voor aansprakelijkheid als meerdere 13.5.3 Deelneming en aansprakelijkheid in deze zaak
  14. De nexus 14.1 Inleiding 14.2 Het standpunt van het openbaar ministerie 14.3 Het standpunt van de verdediging 14.4 Het toetsingskader 14.5 De nexus in deze zaak
  15. Schending van de WOS
  16. De (partiële) vrijspraken
  17. De bewezenverklaring
  18. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
  19. De strafbaarheid van de verdachte
  20. De strafoplegging 20.1 De vordering van het openbaar ministerie 20.2 Het standpunt van de verdediging 20.3 Het oordeel van de rechtbank
  21. De vorderingen van de benadeelde partijen 21.1 Inleiding 21.2 De bevoegdheid van de rechtbank om over de vorderingen te oordelen 21.3 De beoordeling van de vorderingen
  22. De toepasselijke wetsartikelen
  23. De beslissing Bijlage 1: De tenlastelegging Bijlage 2: De getuigenverzoeken Bijlage 3: De bewezenverklaring Bijlage 4: De eindnoten (literatuur & jurisprudentie) 1Inleiding 1.1 Vooraf De verdachte staat terecht op verdenking van betrokkenheid bij oorlogsmisdrijven, gepleegd in Ethiopië in de periode van 1 februari 1978 tot en met 31 december
  24. Oorlogsmisdrijven zijn ernstige overtredingen van het humanitair oorlogsrecht, een samenstel van regels dat minimum normen bevat van menswaardige bejegening van beschermde personen, waaraan in geval van een gewapend conflict, ieder van de bij dat conflict betrokken partijen zich moet houden. Daarbij is niet van belang wie als agressor in het conflict zou moeten worden aangemerkt en is ook niet relevant of de tegenpartij zich zelf aan de regels van het humanitaire oorlogsrecht heeft gehouden. Ieder die zich schuldig maakt aan ernstige overtreding van het humanitaire oorlogsrecht kan hiervoor strafrechtelijk worden vervolgd, ongeacht de kant waaraan hij streed. Tijdens de zitting heeft niet ter discussie gestaan dat de verdachte in de tenlastegelegde periode behoorde tot de Derg, later omgedoopt tot Provisional Military Administrative Council (hierna: PMAC), het toenmalige militaire regime in Ethiopië. Evenmin heeft ter discussie gestaan dat er in die periode vanuit een veelheid van groeperingen (gewapend) verzet was tegen de Derg. Gedurende het onderzoek ter terechtzitting is door de verdachte veel naar voren gebracht over de verschrikkingen, de achtergronden en de complexiteit van het conflict in die periode in Ethiopië en het geweld waarmee de Derg naar zijn zeggen werd geconfronteerd. De rechtbank zal in deze strafzaak evenwel slechts een oordeel geven over de vraag of de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de in de tenlastelegging genoemde ernstige overtredingen van het humanitair oorlogsrecht en zo ja, of en welke straf hij daarvoor verdient. De rechtbank zal zich echter uitdrukkelijk niet uitlaten over de vraag wie van de strijdende partijen de geschiedenis zou moeten ingaan als had zij het recht aan haar zijde. 1.2 De Ethiopische jaartelling Ethiopië gebruikt een jaartelling die gestoeld is op de Koptische kalender, terwijl de westerse wereld de Gregoriaanse kalender gebruikt. De Koptische kalender heeft twaalf maanden van dertig dagen en een dertiende maand van vijf of zes dagen, afhankelijk van het feit of het betreffende jaar een schrikkeljaar is. Door gebruik van deze verschillende kalenders is er een verschil van zeven of acht jaar waarbij de Gregoriaanse kalender verder is dan de Koptische. Het nieuwe jaar begint in de Koptische kalender op 1 september, dit is in de Gregoriaanse kalender 11 september. De dertien Ethiopische maanden zijn als volgt genoemd: Meskerem (11 september t/m 10 oktober) Tikimt (11 oktober t/m 9 november) Hidar (10 november t/m 9 december) Tahsas (10 december t/m 8 januari) Tir (9 januari t/m 7 februari) Yekatit (8 februari t/m 9 maart) Megabit (10 maart t/m 8 april) Miyazia (9 april t/m 8 mei) Ghinbot (9 mei t/m 7 juni) Sene (8 juni t/m 7 juli) Hamle (8 juli t/m 6 augustus) Nehassie (7 augustus t/m 5 september) Pagume (6 september t/m 10 september, eventueel schrikkeljaar) Van Meskerem 1 tot Tahsas 22 (11 september tot en met 31 december) is het verschil zeven jaar.Van Tahsas 23 tot Pagume 5 of 6 (1 januari tot en met 10 september) is het verschil acht jaar. In een schrikkeljaar verschijnt in de Gregoriaanse kalender 29 februari. Dit komt in de Koptische kalender overeen met Yekatit
  25. De datum 1 maart wordt dan Yekatit
  26. Alle dagen in de Koptische kalender schuiven een dag op tot Pagume 6 is bereikt. Wanneer in dit vonnis data volgens de Ethiopische kalender zijn aangegeven is achter de datum (E) vermeld. 1.3 De schrijfwijze van namen In het dossier wordt een groot aantal namen genoemd. Het gaat hier om Ethiopische namen die oorspronkelijk in het Amhaars zijn geschreven. De rechtbank stelt voorop dat indien het gaat om een vertaling van namen vanuit het ene schrift naar het andere (zoals in het onderhavige geval van het Amhaars naar het Nederlands) de weergave van de namen in de vertaling noodzakelijkerwijs fonetisch zal zijn. De rechtbank heeft geconstateerd dat de schrijfwijze van een aantal namen in de Nederlandse vertaling van namenlijsten op de verschillende vindplaatsen in het dossier soms onderling verschilt (bijvoorbeeld [persoon 322] en [persoon 322, anders geschreven]) alsook dat deze soms afwijken van de wijze waarop deze namen in de getuigenverklaringen zijn opgeschreven, waarna wel een herkenning van de namen wordt uitgesproken door de betreffende getuige. De rechtbank heeft zich bij iedere discrepantie een oordeel gevormd over de vraag of deze discrepantie moet worden verklaard door de vertaling of dat deze twijfel doet rijzen over de vraag of daadwerkelijk dezelfde persoon wordt bedoeld. Indien de rechtbank in het vonnis aangeeft dat een bepaald persoon is genoemd of herkend, heeft zij deze exercitie doorlopen en geoordeeld dat de klank van de naam zodanige overeenkomsten vertoont dat naar haar oordeel de discrepantie in schrijfwijze moet worden verklaard door de vertaling. 1.4 Verwijzingen In dit vonnis zal verwezen worden naar verklaringen ter terechtzitting, processen-verbaal en andere schriftelijke bescheiden. Deze verwijzing zal op de volgende wijze geschieden in voetnoten, waar het bewijsmiddelen betreft. Indien dit betreft een proces-verbaal opgemaakt door de politie is dit steeds een door een of meer daartoe bevoegde opsporingsambtenaren in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal. De verwijzing zal aldus zijn dat wordt vermeld ‘proces-verbaal van …’; op de plaats van de puntjes wordt vermeld het soort proces-verbaal (bijvoorbeeld bevindingen, verhoor getuige of gewapend conflict) en de betreffende bladzijde van het strafdossier. Bij een proces-verbaal van verhoor getuige zal daarnaast de naam van de betreffende getuige worden vermeld. Indien dit betreft een verklaring van de verdachte ter terechtzitting zal de verwijzing zijn ‘verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting op …’ op de plaats van de puntjes zal de betreffende dag van de terechtzitting waarop de verklaring is afgelegd worden vermeld. Indien dit betreft een schriftelijk stuk is dit steeds een bijlage van een proces-verbaal ter terechtzitting of een proces-verbaal of ander geschrift opgemaakt door de politie of openbaar ministerie. De verwijzing zal aldus zijn dat wordt vermeld ‘geschrift, te weten bijlage/stuk … ’; op de plaats van de puntjes zal vermeld worden het nummer van de bijlage/het stuk, het proces-verbaal of geschrift waar het bij is gevoegd en (indien opgenomen in het strafdossier) de betreffende bladzijde van het strafdossier waar deze bijlage of dit stuk te vinden is. Indien dat schriftelijk stuk literatuur betreft, zal daarbij steeds volledig worden verwezen naar de publicatie, zo veel mogelijk overeenkomstig de Leidraad voor juridische auteurs. Bij geschriften in de Amhaarse taal, zal de rechtbank telkens verwijzen naar de in de Nederlandse taal vertaalde lijsten. Zij zal deze vertaling echter telkens bezigen voor het bewijs in onderlinge samenhang bezien met het proces-verbaal van ontvangst van 41 pagina’s met Amhaarse tekst met bijlagen (p. 907-949) en het proces-verbaal van bevindingen vertaling van 41 pagina’s Amhaarse tekst (p. 950-955). Indien dit betreft een proces-verbaal opgemaakt door een rechter-commissaris, samen met een of meer griffiers is dit steeds een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal door een rechter-commissaris van de rechtbank Den Haag belast met de behandeling van strafzaken en een of meer griffiers. Indien het betreft een proces-verbaal van een verhoor door een rechter-commissaris is de verwijzing aldus dat wordt vermeld ‘proces-verbaal van verhoor getuige … van de rechter-commissaris’; op de plaats van de puntjes zal de naam van de gehoorde getuige of deskundige en het betreffende alineanummer vermeld worden van het proces-verbaal van verhoor waar de verklaring te vinden is. Indien dit betreft een rapport van een deskundige is de verwijzing aldus dat wordt vermeld ‘rapport …’; op de plaats van de puntjes zal de naam van de deskundige en de betreffende bladzijde uit het rapport worden vermeld. Verder zal de rechtbank in dit vonnis op verschillende plaatsen tussen haakjes paginanummers vermelden. Dit betreft geen bewijsmiddelen, maar dient als handreiking voor de lezer die beschikt over het strafdossier. Voorts zal de rechtbank in dit vonnis (voornamelijk in toetsingskaders) naar literatuur en jurisprudentie verwijzen. Dit zal geschieden in eindnoten. Verwijzingen naar literatuur en jurisprudentie zal zo veel mogelijk geschieden volgens de Leidraad voor juridische auteurs. 1.5 Gebruik van de Engelse taal In dit vonnis zal de rechtbank veelvuldig gebruik maken van citaten en termen in de Engelse taal. Dat houdt verband met de internationale aard van de misdrijven die de verdachte worden verweten. 2De beschuldiging De verdachte staat terecht op verdenking van betrokkenheid bij oorlogsmisdrijven die zouden zijn gepleegd in Ethiopië in de periode van 1 februari 1978 tot en met 31 december
  27. Deze feiten zijn omschreven in de gewijzigde tenlastelegging die als bijlage I onderdeel uitmaakt van dit vonnis. De beschuldigingen houden kort gezegd het volgende in: Feit 1: Vrijheidsberoving en onmenselijke behandeling in de periode van 1 februari 1978 tot en met 31 juli
  28. De verdachte zou in Debre Marcos en/of Metekel 321 personen wreed en onmenselijk hebben behandeld, vonnissen tegen hen hebben uitgesproken zonder voorafgaande berechting door een onafhankelijke rechtbank en hen arbitrair van hun vrijheid hebben beroofd. Dit feit is tenlastegelegd in de varianten medeplegen, opzettelijk als meerdere toelaten en medeplichtigheid. Feit 2: Marteling in de periode van 1 februari 1978 tot en met 1 september
  29. De verdachte zou in Debre Marcos en/of Metekel negen mensen in gevangenschap hebben gemarteld. Ook dit feit is tenlastegelegd in de varianten medeplegen, opzettelijk als meerdere toelaten en medeplichtigheid. Feit 3: Het doden van 75 personen in de periode van 14 augustus 1978 tot en met 17 augustus
  30. De verdachte zou opdracht hebben gegeven tot het doden van 75 personen die in Debre Marcos en/of Metekel in de gevangenis zaten. Dit feit is tenlastegelegd in de varianten medeplegen en uitlokking. Feit 4: Vrijheidsberoving en onmenselijke behandeling in de periode van 1 augustus 1978 tot en met 31 december
  31. De verdachte zou in Debre Marcos en/of Metekel 240 personen wreed en onmenselijk hebben behandeld op een wijze als onder feit
  32. omschreven. Dit feit is tenlastegelegd in de varianten medeplegen, uitlokken, als meerdere toelaten en medeplichtigheid. De aan de verdachte verweten oorlogsmisdrijven zijn strafbaar gesteld in de artikelen 8 (oud) en 9 (oud) van de Wet Oorlogsstrafrecht (hierna: WOS). 3Het onderzoek 3.1 Het opsporingsonderzoek Op 13 juni 1998 verscheen in het tijdschrift ‘Vrij Nederland’ een artikel getiteld: “Oorlogsmisdaden, Ethiopische beul is ondergedoken in Nederland”. In het artikel is te lezen dat een persoon met de naam [Eshetu A.] onder het Mengistu bewind (Derg-regime) in Ethiopië in 1978 lijsten waarop namen stonden van personen die zijn geëxecuteerd of celstraf met dwangarbeid hebben gekregen, heeft ondertekend (zie p. 416-420). De toenmalige Dienst Nationale Recherche van het Korps landelijke politiediensten (hierna: NR), thans het Team Internationale Misdrijven van de Dienst Landelijke Recherche (hierna: DLR), heeft via mediaberichten onderzoek gedaan naar de vraag of in de periode waarover in het artikel werd gesproken aanwijzingen konden worden gevonden waaruit de vermeende betrokkenheid van de verdachte via andere bronnen naar voren kwam. In een rapport van Human Rights Watch uit 1994 genaamd Ethiopia Reckoning under the Law wordt gerefereerd aan misdrijven gepleegd door het Derg-regime: “During the Dergue period, warfare continued and expanded throughout Ethiopia. The Dergue regime continued and intensified the war in Eritrea and also fought a conventional war against Somalia, in 1977-78, when Somalia invaded and claimed the Ogaden region. The Dergue also fought, in virtually every part of the country, against ethnic-based insurgencies – especially by Tigrayans in the north, and Oromos and Somalis in the south and east. All of these wars were marked by widespread human rights and humanitarian law abuses against civilians.” (…)”These abuses included not only isolated massacres perpetrated by individual military units, but a systematic and general policy of terror and destruction aimed at the civilian population. The government’s counter-insurgency measures included mass killings of villagers by the army, the bombing of villages and market towns, killing of livestock, poisoning of wells, and forcible relocation of much of the rural population.” (zie p. 465) Een verbalisant heeft een zoekslag op internet gedaan. Daarbij is een tweetal documenten gevonden waarin wordt gerefereerd aan een ter dood veroordeling bij verstek van de verdachte omdat hij verantwoordelijk zou zijn voor de dood van een groot aantal personen tijdens het voormalig regime van Mengistu Haile Mariam. De verdachte zou een senior official zijn geweest tijdens dit regime. De bedoelde documenten zijn: “IRIN Africa ETHIOPIA: Absent official sentenced to firing squad. A senior official from Mengistu Haile Mariam’s former regime was on May 8 (geen jaartal) sentenced to death ‘in absentia’ for the execution of 197 people. Lieutenant [Eshetu A.] was serving as a member of the Provisional Military Administrative Council for Gojjam. According to the court, the convict should be executed by firing squad.” (zie p. 484); en “Apanews, Ethiopia-Mengistu-Sentence, 11-1-2007: Former Ethiopian dictator Mengistu Hailemariam and top officials of his regime were on Thursday sentenced to life imprisonment by an Ethiopian court (…) The court, however, ordered that the death penalty sentences it had previously passed, to remain against four accused, including (…) [Eshetu A.].” (zie p. 486) Op 8 oktober 2009 heeft een officier van justitie van het landelijk parket een schriftelijk rechtshulpverzoek aan de Ethiopische autoriteiten verzonden. Het opsporingsonderzoek heeft vervolgens stilgelegen omdat het bij een uitvoeringsmissie toegezegde beschikbare materiaal niet is verstrekt. Op 3 juli 2012 is het onderzoek naar mogelijke betrokkenheid van de verdachte herstart onder de werknaam ‘Merens’ en heeft de officier van justitie een rappel op het in 2009 verzonden rechtshulpverzoek gedaan. Op 12 april 2013 heeft een verbalisant in Addis Abeba uit handen van de heren Fassikaw, hoofd internationale samenwerking van het Ministerie van Justitie te Addis Abeba en Yoseph Kiros Gezahegn, voormalig speciale officier van justitie bij het Federaal Gerechtshof te Addis Abeba 41 in het Amhaars gestelde pagina’s ontvangen. Fassikaw en Yoseph Kiros Gezahegn vertelden dat dit kopieën waren van documenten die gebruikt waren in de in Ethiopië gevoerde strafzaak tegen de verdachte. De verbalisant heeft de pagina’s voorzien van nummers 1 tot en met 41 overeenkomstig de volgorde van de pagina’s bij overhandiging (zie p. 907-908 en 910-949). De in het Amhaars gestelde teksten zijn in het Nederlands vertaald. Bij de schriftelijke weergave van de vertaling zijn de nummers van de gekregen pagina’s rechtsboven op de vertaalde tekst vermeld (zie p. 950-955 en 957-1003). Nederlandse opsporingsambtenaren hebben op 24 oktober 2013 met toestemming van de heer Tariku, waarnemend directeur internationale samenwerking justitiële zaken van het ministerie van Justitie te Ethiopië, andere delen van het Ethiopische strafdossier in de zaak tegen de verdachte mogen fotograferen (zie p. 1195-1196 en 1198-1371). Deze dossierpagina’s zijn in het Nederlands vertaald en met behulp van een tolk gerubriceerd. Bij de vertaling zijn door de tolken de data in de tekst omgezet naar de Gregoriaanse kalender (zie p. 1372-1376 en 1377-1789). Op 16 juli 2012 is het dossier van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: IND) betreffende de verdachte ontvangen (zie p. 652-658, 660-664 en 666-885). Op 8 mei 2015 hebben de Ethiopische autoriteiten laten weten geen verdere medewerking te zullen verlenen aan het Nederlandse opsporingsonderzoek (zie p. 94 en 97). De NR en DLR hebben in de Verenigde Staten van Amerika, Canada en Nederland zestien getuigen gehoord die tijdens het Mengistu regime in de gevangenis van Debre Marcos zaten of nabestaanden zijn van mensen die zijn gedood. Ook zijn de ex-vrouw en zoon en dochter en enkele oude kennissen van de verdachte gehoord. Voorts is door de NR als getuige gehoord [persoon 328], die in het artikel in Vrij Nederland werd genoemd. Bij het onderzoek tegen de verdachte is gebruik gemaakt van bijzondere opsporingsbevoegdheden. Zo is de telefoon van de verdachte in verschillende perioden afgeluisterd en heeft in het kader van stelselmatige informatie inwinning in de eerste helft van 2015 een serie gesprekken plaatsgevonden tussen de verdachte en een niet als zodanig herkenbare politieambtenaar, werkzaam bij het Team Werken Onder Dekmantel van de Afdeling Afgeschermde Operaties. De verdachte is op 29 september 2015 op last van de officier van justitie van het landelijk parket buiten heterdaad in zijn woning aangehouden. Aansluitend is in de woning een doorzoeking verricht. Daarbij zijn onder meer fotoalbums, foto’s, boeken, een militaire identiteitskaart, getuigschriften, tijdschriften en onderscheidingstekens in beslag genomen (zie p. 210-211 en 224-226). Hij is dezelfde dag in verzekering gesteld. Op 2 oktober 2015 heeft de rechter-commissaris de verdachte in bewaring gesteld. De DLR heeft daarna, parallel aan het hierna beschreven onderzoek door de rechter-commissaris, het opsporingsonderzoek voortgezet. Dit onderzoek bestond uit onder meer het horen van de verdachte en het analyseren van de inbeslaggenomen gegevens en van documenten die op andere wijze in het kader van het onderzoek ter beschikking waren gekomen. 3.2 Het onderzoek door de rechter-commissaris De rechter-commissaris heeft op 9 december 2015 en 30 mei 2016 regiebijeenkomsten gevoerd met de officieren van justitie en de raadslieden, waarbij de onderzoekswensen van partijen zijn besproken en waarop door de rechter-commissaris is beslist. De van die regiebijeenkomsten opgemaakte processen-verbaal en de beschikkingen van de rechter-commissaris bevinden zich in het dossier. Tevens bevinden zich processen-verbaal van bevindingen en verrichtingen van de rechter-commissaris in het dossier. De rechter-commissaris heeft de heer W.C. de Jong, gerechtelijk deskundige voor handschriftonderzoek, benoemd als deskundige om forensisch schriftonderzoek te doen en heeft hem nadat hij zijn rapport had uitgebracht op 28 juni 2016 als deskundige gehoord. De rechter-commissaris heeft op gezamenlijke voordracht van openbaar ministerie en de verdediging professor G.J. Abbink benoemd als deskundige om te rapporteren over verschillende aspecten van het conflict. Ook professor Abbink is na het uitbrengen van zijn rapport als getuige-deskundige door de rechter-commissaris gehoord. Dit verhoor vond plaats op 8 november
  33. Na het verhoor van de getuige-deskundige Abbink heeft de verdediging op 9 november 2016 om benoeming van een nieuwe deskundige verzocht aangezien Abbink naar de mening van de verdediging de schijn van partijdigheid op zich heeft geladen, omdat hij zich zou hebben uitgelaten over de schuldvraag. Het openbaar ministerie heeft schriftelijk op dit verzoek gereageerd. De rechter-commissaris heeft het verzoek bij beslissing d.d. 14 november 2016 afgewezen aangezien er naar haar oordeel geen onderzoeksbelang was om een nieuwe deskundige te benoemen. De eerste pro formazitting tegen de verdachte vond plaats op 7 januari
  34. De rechtbank heeft bij die gelegenheid de stukken in handen gesteld van de rechter-commissaris 'ter verrichting van datgene wat de rechter-commissaris in het belang van het onderzoek noodzakelijk of anderszins nuttig en wenselijk acht'. Tijdens alle daarna volgende pro forma-zittingen is (de voortgang van) het onderzoek door de rechter-commissaris besproken. De rechtbank heeft op die zittingen steeds de stukken in handen gesteld van de rechter-commissaris met dezelfde 'open terugwijzing'. De rechter-commissaris heeft tot medio november 2016 naast de deskundigen De Jong en Abbink in totaal achttien getuigen gehoord. Bij vijftien getuigen ging het om Ethiopische getuigen die slachtoffer of nabestaande van slachtoffers waren van de aan de verdachte verweten gedragingen. Al deze getuigen waren ook al door de NR of DLR als getuige gehoord. Tijdens een rogatoire commissie naar de Verenigde Staten van Amerika zijn tien getuigen gehoord. In Canada zijn vier getuigen gehoord. In Nederland zijn als getuigen gehoord voormalig speciale officier van justitie te Ethiopië Yoseph Kiros Gezahegn, getuige [persoon 329] en getuige [persoon 321, andere schrijfwijze]. Voorts heeft de rechter-commissaris in Nederland als getuige gehoord verbalisant A-3751 die onder dat nummer als stelselmatige informatie inwinner in het onderzoek naar de verdachte heeft gewerkt. Sommige Ethiopische getuigen zijn in hun moedertaal, het Amhaars, met bijstand van een tolk gehoord. Andere Ethiopische getuigen zijn in het Engels gehoord, eveneens met bijstand van een tolk. De van de verhoren opgemaakte processen-verbaal bevatten steeds een zakelijke weergave van het verhoor. De in het Vrij Nederland artikel geciteerde [persoon 328] heeft aangegeven dat hij niet wilde meewerken aan een getuigenverhoor door de rechter-commissaris omdat het hem zwaar viel om opnieuw door voor hem pijnlijke gebeurtenissen te gaan, nadat hij reeds langdurig door de NR was gehoord. De rechter-commissaris heeft, na hoor- en wederhoor, gezien de toestand van de getuige en gelet op het feit dat hij geen directe ooggetuige was, besloten het verhoor geen doorgang te laten vinden. Van deze gang van zaken is een proces-verbaal van verrichtingen en bevindingen opgemaakt. Op 15 november 2016 heeft de rechter-commissaris bevonden dat de onderzoekshandelingen waren afgerond en het onderzoek beëindigd. De rechter-commissaris heeft een map aangeleverd waarin zich alle stukken met betrekking tot het door de rechter-commissaris verrichte onderzoek bevinden. Op 16 februari 2017 heeft de rechtbank een groot aantal getuigenverzoeken van de kant van de verdediging afgewezen. Een aantal getuigenverzoeken is toegewezen en de rechtbank heeft daartoe de zaak opnieuw naar de rechter-commissaris verwezen. Op 18 april 2017 heeft de rechter-commissaris getuige [persoon 330] gehoord. Op 25 augustus 2017 heeft de rechter-commissaris in de Verenigde Staten van Amerika, met bijstand van een psycholoog, de getuige [persoon 319, andere schrijfwijze] gehoord. De andere op 16 februari 2017 toegewezen getuigen - te weten Mengistu Haile Mariam, enkele niet goed te identificeren getuigen en de getuige [persoon 331] - konden niet worden gehoord. De rechtbank heeft het verhoor van deze getuigen op 30 oktober 2017 alsnog afgewezen omdat de rechtbank het onaannemelijk achtte dat de getuigen binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zouden verschijnen. 3.3 Het onderzoek ter terechtzitting Zittingen - met steeds een pro forma karakter - zijn gehouden op 7 januari 2016, 31 maart 2016, 28 juni 2016, 22 september 2016, 21 november 2016, 9 januari 2017, 12 mei 2017 en 9 augustus
  35. De inhoudelijke behandeling was oorspronkelijk voorzien vanaf 21 november
  36. Op 15 november 2016 ontving de rechtbank bericht dat er een vertrouwensbreuk was ontstaan tussen de verdachte en zijn toenmalige raadslieden en dat hij zich had voorzien van bijstand van mrs. S. Arts en F.J.V.H. Stoffels, advocaten te Breda respectievelijk Zevenbergen. Dit heeft tot uitstel geleid. De inhoudelijke behandeling van de zaak nam een aanvang op 6 februari 2017, met het horen van de getuige-deskundige Abbink. Deze zitting had daarnaast het karakter van een regiezitting, om de onderzoekswensen van de - nieuwe - verdediging te bespreken. De beslissing op die onderzoekswensen is uitgesproken op de zitting van 16 februari
  37. De inhoudelijke behandeling is vervolgens voortgezet op de doorlopende zittingen van 30 en 31 oktober, 2, 7, 8, 13, 14, 15, 16 en 17 november
  38. Het onderzoek is gesloten op de zitting van 1 december
  39. De verdachte, tot 15 november 2016 bijgestaan door zijn raadslieden mr. J.J. Eizinga, advocaat te Amerongen, en mr. S. Dogan, advocaat te Utrecht, en met ingang van die datum bijgestaan door zijn raadslieden mrs. Arts en Stoffels voornoemd, is met uitzondering van 15 november 2017, op de dagen waarop de zaak inhoudelijk is behandeld verschenen en gehoord. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officieren van justitie mrs. N.H. Vogelenzang en A.J. van Dooren en van hetgeen door de raadslieden van de verdachte en door de verdachte naar voren is gebracht. De volgende aspecten van de inhoudelijke behandeling behoeven vermelding dan wel korte bespreking. Wraking van de rechtbank Na de pro forma zitting van 12 mei 2017 is de rechtbank door de verdachte gewraakt. De wrakingskamer van de rechtbank heeft de verdachte bij beslissing van 23 juni 2017 niet- ontvankelijk verklaard in zijn verzoek. De verdachte heeft tegen deze beslissing beroep in cassatie ingesteld. De rechtbank heeft het onderzoek niettegenstaande het lopende cassatieberoep voortgezet op de grondslag dat artikel 515, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: WvSv) bepaalt dat tegen wrakingsbeslissingen geen rechtsmiddel open staat en de rechtbank derhalve niet onder wraking was. De Hoge Raad heeft de verdachte bij arrest van 7 november 2017 om genoemde reden niet-ontvankelijk verklaard in zijn cassatieberoep. Standpunt van de verdediging De verdediging heeft er, vanuit haar optiek dat de behandeling van de strafzaak nietig is omdat de rechtbank vóór de beslissing van de Hoge Raad nog onder wraking zou liggen en/of omdat er geen sprake zou zijn van een behoorlijk strafproces, voor gekozen selectief verweer te voeren. Benadeelde partijen Als benadeelde partijen hebben zich gevoegd [persoon 332] (zus van [persoon 4], vermeld onder nummer 4 bij het onder 1 tenlastegelegde en nummer 1 bij het onder 3 tenlastegelegde), [persoon 321, andere schrijfwijze] (vermeld onder nummer 321 bij het onder 1 tenlastegelegde en nummer 240 bij het onder 4 tenlastegelegde), [persoon 111, anders geschreven] (vermeld onder nummer 111 bij het onder 1 tenlastegelegde en nummer 30 bij het onder 4 tenlastegelegde), [persoon 174, anders geschreven] (vermeld onder nummer 174 bij het onder 1 tenlastegelegde en nummer 93 bij het onder 4 tenlastegelegde), [persoon 315] (vermeld onder nummer 315 bij het onder 1 tenlastegelegde, onder nummer 7 bij het onder 2 tenlastegelegde en onder nummer 234 bij het onder 4 tenlastegelegde) en [persoon 316] (vermeld onder nummer 316 bij het onder 1 tenlastegelegde en nummer 235 bij het onder 4 tenlastegelegde). Zij hebben ieder voor zich een vordering tot vergoeding van immateriële schade ten bedrage van € 226,89 ingediend. Zij werden allen bijgestaan door mr. G. Sluiter en mr. B. van Straaten, beiden advocaat te Amsterdam. Spreekrecht [persoon 332], [persoon 315], [persoon 174, anders geschreven], [persoon 333] (neef van [persoon 4] voornoemd en broer van [persoon 334] die niet op de tenlastelegging is genoemd) en [persoon 317] (vermeld onder nummer 317 bij het onder 1 tenlastegelegde en nummer 236 bij het onder 4 tenlastegelegde) hebben ter terechtzitting van 2 november 2017 van hun spreekrecht gebruik gemaakt. Mr. G. Sluiter heeft als daartoe gemachtigd raadsman op diezelfde terechtzitting het spreekrecht uitgeoefend namens [persoon 111, anders geschreven] en [persoon 316] voornoemd. Het spreekrecht is in 2005 in het Nederlandse strafproces ingevoerd om slachtoffers en nabestaanden de mogelijkheid te geven aan de rechtbank te vertellen welke gevolgen jegens hen gepleegde strafbare feiten voor hen hebben gehad. Sedertdien is de kring van spreekgerechtigden en de omvang van het spreekrecht verruimd, laatstelijk per 1 april
  40. De rechtbank vermeldt volledigheidshalve dat artikel 21a van de Wet internationale misdrijven (hierna: Wim), dat in werking is getreden op 1 april 2012, bepaalt - voor zover hier van belang - dat in geval van strafvervolging voor een van de in de WOS omschreven misdrijven, begaan voor 1 april 1995, de bepalingen van het WvSv betreffende het slachtoffer van toepassing zijn. Ingevolge het bepaalde bij (het huidige) artikel 51a, eerste lid aanhef en onder a en b juncto de artikelen 51c en 51e van het WvSv kwam derhalve aan genoemde personen het spreekrecht toe. 4De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie 4.1 Inleiding De verdediging heeft betoogd dat het openbaar ministerie om diverse redenen niet-ontvankelijk in de strafvervolging moet worden verklaard. Ten aanzien van dit verweer overweegt de rechtbank dat het in artikel 359a van het WvSv bedoelde rechtsgevolg van niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de strafvervolging slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking komt. Voor die sanctie is slechts plaats, indien sprake is van ernstige inbreuken op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan (het Zwolsman-criterium). Dit betekent dat een onrechtmatigheid dient te worden vastgesteld, dat de belangen van de verdachte in de zaak dienen te zijn getroffen en dat zulks is vastgesteld, en dat doelbewust of met grove verwaarlozing van die belangen aan een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan. Daarnaast kan bij hoge uitzondering, ook indien het openbaar ministerie geen verwijt kan worden gemaakt en de verdachte niet daadwerkelijk in zijn belangen is getroffen, plaats zijn voor niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Daarvan is sprake, indien ernstige schending is vastgesteld van een zo fundamenteel beginsel van een behoorlijke procesorde, dat daarmee het wettelijk systeem in zijn kern wordt geraakt (het Karman-criterium). De rechtbank overweegt dat voor zover de verdediging een beroep doet op een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het WvSv, van de verdediging mag worden verlangd dat aan de hand van de wettelijke beoordelingsfactoren, zoals genoemd in artikel 359a van het WvSv, duidelijk wordt gemotiveerd waarom een vermeend vormverzuim tot een (in dit geval, het zwaarste) rechtsgevolg dient te leiden, aangezien alleen op een zodanig verweer door de rechter een met redenen omklede beslissing zal moeten worden gegeven. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verdediging dit nagelaten. In het pleidooi is structuur moeizaam te ontwaren: klachten die mogelijk op de (niet-)ontvankelijkheid betrekking zouden kunnen hebben zijn opgenomen onder het kopje ‘herhaalde getuigenverzoeken’ en uit de veelheid van kritiekpunten valt nauwelijks een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt te destilleren. Bij de kritiekpunten is zelden met voldoende duidelijkheid aangegeven welk concreet voorschrift zou zijn geschonden, wat de ernst van het beweerde verzuim zou zijn, of daardoor concreet nadeel is ontstaan en zo ja, wat dat nadeel is. In zoverre is het verweer niet onderbouwd volgens de eisen die daaraan mogen worden gesteld en reeds om die reden ligt het verweer voor afwijzing gereed. Het verweer dat het Karman-criterium zou zijn geschonden is evenmin (deugdelijk) onderbouwd en zou daarom hetzelfde lot kunnen treffen. Gelet op de belangen van de verdachte en het belang van de zaak zal de rechtbank echter responderen. De rechtbank begrijpt het verweer ten aanzien van vormverzuim aldus. Het openbaar ministerie heeft na het verschijnen van het artikel over de verdachte in Vrij Nederland te lang stilgezeten. Daardoor zijn volgens de verdediging de rechten van de verdachte onherstelbaar geschaad. De verdachte heeft geen of niet tijdig getuigen kunnen doen horen en evenmin tijdig onderzoeksvragen bij de Ethiopische autoriteiten kunnen doen indienen. Nu is de verdachte ermee geconfronteerd dat Ethiopië niet meer wenste mee te werken. Als de verdachte zijn verdedigingsrechten tijdig had kunnen uitoefenen zou het geheugen van getuigen mogelijk minder negatief zijn beïnvloed of zouden getuigen elkaar minder hebben beïnvloed. Voorts heeft het openbaar ministerie in ernstige mate bijgedragen aan het niet kunnen horen in Canada van de door de rechtbank toegewezen getuige [persoon 331] door aan de Canadese autoriteiten selectieve informatie te verstrekken. Daardoor hebben de Canadese autoriteiten niet willen meewerken aan haar verhoor door de rechter-commissaris. De verdediging heeft zich samenvattend op het standpunt gesteld dat er door dit alles sprake is van ernstige inbreuken op de beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de rechten van de verdachte aan diens recht op een eerlijk proces is tekort gedaan. Daardoor is de verdachte in aanzienlijke mate en onherstelbaar in zijn belangen geschaad. De verdediging heeft subsidiair betoogd dat sprake is van ernstige schending van een zo fundamenteel beginsel van een behoorlijke procesorde, dat daarmee het wettelijk systeem in de kern wordt geraakt (het Karman-criterium). Deze schending moet volgens de verdediging eveneens leiden tot niet-ontvankelijkverklaring. De rechtbank begrijpt dat de verdediging in dit verband doelt op een naar haar oordeel onevenwichtig en eenzijdig samengesteld strafdossier waarin ontlastende onderzoeken niet zijn opgenomen. 4.2 Het standpunt van het openbaar ministerie Het openbaar ministerie heeft betoogd dat niets wijst op een doelbewuste vertraging van het onderzoek van de kant van het openbaar ministerie. De verdediging heeft volgens het openbaar ministerie terecht opgemerkt dat er veel tijd is verstreken tussen het artikel in Vrij Nederland en de aanhouding van de verdachte. Of Ethiopië, als het onderzoek tegen de verdachte eerder zou zijn gestart, wel zou hebben meegewerkt aan het daar doen horen van getuigen kan niet worden vastgesteld. Het is een beslissing van de Canadese autoriteiten geweest om niet mee te werken aan het verhoor van [persoon 331]. Dat sprake zou zijn van schending van het Karman-criterium is in het geheel niet onderbouwd. Het openbaar ministerie heeft geconcludeerd tot verwerping van het verweer. 4.3 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank constateert met de verdediging en het openbaar ministerie dat er veel tijd is verstreken tussen het artikel in Vrij Nederland en het begin van het opsporingsonderzoek. Dat de politie of het openbaar ministerie echter doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte getalmd zouden hebben om aan zijn recht op een eerlijk proces tekort te doen, is niet onderbouwd en evenmin aannemelijk geworden. De veronderstelling dat de autoriteiten in Ethiopië wel volledig zouden hebben meegewerkt als het onderzoek eerder zou zijn gestart berust op speculatie. Daar komt bij dat in Ethiopië op dat moment de strafzaak tegen de verdachte al liep (de aanklacht tegen de verdachte in de Ethiopische strafzaak dateert van 23 december 1996). De redenen waarom uiteindelijke medewerking is geweigerd bestonden destijds dus ook al. Dat het openbaar ministerie de Canadese autoriteiten zou hebben geïnformeerd over de psychische gesteldheid van de getuige [persoon 331] en daarmee de mogelijkheden om deze getuige te kunnen horen heeft gesaboteerd, berust niet alleen op een onjuiste weergave van hetgeen daarover door de officier van justitie mr. Vogelenzang ter terechtzitting van 30 oktober 2017 is gezegd maar wordt tevens weerlegd door de inhoud van de door de rechter-commissaris overgelegde mail die zij heeft ontvangen van de Canadese autoriteiten, waaruit blijkt dat de Canadese autoriteiten op basis van eigen onderzoek en bevindingen hebben geconstateerd dat de getuige lijdt aan PTSS en om die reden verdere uitvoering van het rechtshulpverzoek weigeren. Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook geen sprake van een verzuim als bedoeld in artikel 359a van het WvSv. De rechtbank is van oordeel dat het openbaar ministerie zich voldoende heeft ingespannen om het onderzoek zo volledig mogelijk te doen zijn door ook mogelijk ontlastende getuigen, zoals de ex-echtgenote en (voormalige) vrienden van de verdachte te doen horen. Dat het openbaar ministerie op enig moment werd geconfronteerd met een weigering van de Ethiopische autoriteiten om daar verder onderzoek te doen verrichten kan het openbaar ministerie niet worden verweten. De rechtbank heeft ook overigens geen schending kunnen vaststellen van een zo fundamenteel beginsel van behoorlijke procesorde dat daarmee het wettelijk systeem in zijn kern wordt geraakt, laat staan dat een ernstige schending kan worden vastgesteld. De rechtbank verwerpt daarom het verweer. 5Het toepasselijk recht Artikel 8 (oud) en 9 (oud) van de WOS Ten tijde van de tenlastegelegde feiten werden oorlogsmisdrijven onder andere in artikel 8 (oud) van de WOS strafbaar gesteld en de aansprakelijkheid van de meerdere in artikel 9 (oud) van de WOS. Artikel 8 (oud) en 9 (oud) van de WOS luidden toen: Artikel 8 Hij die zich schuldig maakt aan schending van de wetten en gebruiken van de oorlog, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste tien jaren. Gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren wordt opgelegd: 1°. indien van het feit de dood of zwaar lichamelijk letsel van een ander te duchten is; 2°. indien het feit een onmenselijke behandeling inhoudt; 3°. indien het feit inhoudt het een ander dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden; 4°. indien het feit plundering inhoudt.
  41. De doodstraf, levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren wordt opgelegd: 1°. indien het feit de dood of zwaar lichamelijk letsel van een ander tengevolge heeft dan wel verkrachting inhoudt; 2°. indien het feit inhoudt geweldpleging met verenigde krachten ten aanzien van een of meer personen dan wel geweldpleging tegen een dode, zieke of gewonde; 3°. indien het feit inhoudt het met verenigde krachten vernielen, beschadigen, onbruikbaar maken of wegmaken van enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort; 4°. indien het feit, in het voorgaande lid bedoeld onder 3° of 4°, wordt gepleegd met verenigde krachten; 5°. indien het feit uiting is van een politiek van stelselmatige terreur of wederrechtelijk optreden tegen de gehele bevolking of een bepaalde groep daarvan; 6°. indien het feit inhoudt een schending van een gegeven belofte, of een schending van een met de tegenpartij als zodanig gesloten overeenkomst; 7°. indien het feit inhoudt misbruik van een door de wetten en gebruiken van de oorlog beschermde vlag of teken dan wel van de militaire onderscheidingstekenen of de uniform van de tegenpartij. Artikel 9 Met gelijke straf als gesteld op de in het voorgaande artikel bedoelde feiten wordt gestraft hij die opzettelijk toelaat, dat een aan hem ondergeschikte een zodanig feit begaat. Bij wet van 10 maart 1984 (Stb. 91,Wet indeling geld- boetecategoriëen) is in artikel 8 (oud) van de WOS aan het eerste, tweede en derde lid een bedreiging met een geldboete toegevoegd. Bij wet van 14 juni 1990 (Stb. 369) is de bedreiging met de doodstraf geschrapt. Met ingang van 1 oktober 2003 is artikel 8 (oud) van de WOS vervangen door de artikelen 5, 6 en 7 van de Wim en artikel 9 (oud) van de WOS door artikel 9 van de Wim. Er heeft zich derhalve een verandering van wetgeving voorgedaan. Ingevolge artikel 1, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: WvSr) worden bij verandering in de wetgeving na het tijdstip waarop het feit begaan is, de voor de verdachte gunstigste bepalingen toegepast. De hercodificatie van de WOS naar de Wim komt echter niet voort uit een gewijzigd inzicht van de wetgever in de strafwaardigheid van de strafbaar gestelde gedragingen. Dit gewijzigd inzicht kan ook niet worden afgeleid uit de strafbedreiging, waarin de Wim voor wat betreft oorlogsmisdrijven niet wezenlijk verschilt van de WOS en aansluiting is gezocht bij in de WOS aanwezige strafverzwaringsgronden. Ook in uitspraken van deze rechtbank en van het gerechtshof ’s-Gravenhage is veelvuldig vastgesteld dat artikel 1, tweede lid, van het WvSr geen toepassing vindt in dit verband. Dit is uiteraard anders voor de hiervoor genoemde wijzigingen binnen de WOS, waarbij bedreiging met een geldboete is toegevoegd en bedreiging met de doodstraf is geschrapt. Het begrip ‘de wetten en gebruiken van de oorlog’ De directe aanleiding voor de strafbaarstelling van oorlogsmisdrijven in de WOS begin jaren vijftig vormden de vier Geneefse Conventies van 1949 die de regels van humanitair recht bepalen ten tijde van een gewapend conflict (hierna: GC I, GC II, GC III, GC IV). In deze verdragen staan centraal de verschillende categorieën van beschermde personen tijdens een gewapend conflict. Deze categorieën zijn respectievelijk gewonden en zieken zich bevindende bij de strijdkrachten te velde (GC I), gewonden, zieken en schipbreukelingen van de strijdkrachten ter zee (GC II), krijgsgevangenen (GC III) en burgers in oorlogstijd (GC IV). De Geneefse Conventies zijn in hun volle omvang van toepassing op internationale gewapende conflicten en voor een beperkt onderdeel op niet-internationale conflicten. Deze vier verdragen bevatten een artikel 3 dat in alle verdragen gelijkluidend is. Dit wordt het gemeenschappelijk artikel 3 (hierna telkens: gemeenschappelijk artikel 3) genoemd. Het gemeenschappelijk artikel 3 bevat minimum gedragsnormen waaraan de strijdende partijen zich bij een niet-internationaal gewapend conflict dienen te houden. Het gemeenschappelijk artikel 3 luidt als volgt: In geval van een gewapend conflict op het grondgebied van één der Hoge Verdragsluitende Partijen, hetwelk geen internationaal karakter draagt, is ieder der Partijen bij het conflict gehouden ten minste de volgende bepalingen toe te passen:
  42. Personen die niet rechtstreeks aan de vijandelijkheden deelnemen, met inbegrip van personeel van strijdkrachten dat de wapens heeft nedergelegd, en zij die buiten gevecht zijn gesteld door ziekte, verwonding, gevangenschap of enige andere oorzaak, moeten onder alle omstandigheden menslievend worden behandeld, zonder enig voor hen nadelig onderscheid, gegrond op ras, huidkleur, godsdienst of geloof, geslacht, geboorte of maatschappelijke welstand of enig ander soortgelijk criterium. Te dien einde zijn en blijven te allen tijde en overal ten aanzien van bovengenoemde personen verboden: a. aanslag op het leven en lichamelijke geweldpleging, in het bijzonder het doden op welke wijze ook, verminking, wrede behandeling en marteling; b. het nemen van gijzelaars; c. aanranding van de persoonlijke waardigheid, in het bijzonder vernederende en onterende behandeling; d. het uitspreken en tenuitvoerleggen van vonnissen zonder voorafgaande berechting door een op regelmatige wijze samengesteld gerecht dat alle gerechtelijke waarborgen biedt, door de beschaafde volken als onmisbaar erkend.
  43. De gewonden en zieken moeten worden verzameld en verzorgd. Een onpartijdige humanitaire organisatie, zoals het Internationale Comité van het Rode Kruis, kan haar diensten aan de Partijen bij het conflict aanbieden. De partijen bij het conflict zullen er verder naar streven door middel van bijzondere overeenkomsten de andere of een deel der andere bepalingen van dit verdrag van kracht te doen worden. De toepassing van bovenstaande bepalingen zal niet van invloed zijn op de juridische status van de Partijen bij het conflict. De vier Geneefse Conventies zijn door Ethiopië in 1969 geratificeerd. De Geneefse Conventies bevatten de verplichting voor de lidstaten ernstige schendingen van de conventies strafbaar te stellen en te vervolgen. De wetgever zag hierin 'een dringende reden om thans tot een definitieve wettelijke regeling te komen'. Gekozen is in artikel 8 (oud) van de WOS voor een verwijzing naar 'wetten en gebruiken van de oorlog'. In de memorie van toelichting wordt vermeld dat hieronder wordt verstaan: "Het delict in het eerste lid van artikel 8 omschreven, is het zich schuldig maken aan schending van de wetten en de gebruiken van de oorlog. Deze bepaling verwijst derhalve rechtstreeks naar het oorlogsrecht, niet alleen naar het geschreven oorlogsrecht, dat in internationale overeenkomsten is neergelegd, doch ook naar het internationaal gewoonterecht, voor zover op oorlog betrekking hebbende." De formulering van artikel 8, eerste lid, (oud) van de WOS verwijst de rechter naar een veelvoud van mogelijk toepasselijke bronnen, zonder nadere specificatie. Van de rechter wordt verlangd dat hij zich voor de invulling van de bestanddelen van artikel 8 (oud) van de WOS oriënteert op het internationale recht en de internationale rechtspraak. Het begrip 'de wetten en gebruiken van de oorlog' verwijst, zoals gezegd, naar onder andere de hiervoor genoemde vier Geneefse Conventies maar ook naar de daarbij behorende, later tot stand gekomen Aanvullende Protocollen I en II (hierna: AP I en AP II) daterend van 8 juni
  44. AP I en AP II vullen een aantal hiaten op in de Geneefse Conventies. AP I doet dit voor internationale gewapende conflicten, AP II voor niet-internationaal gewapende conflicten. Doelstelling van AP II is de (verdere) verbetering van de bescherming van de burgers en anderen die niet (meer) deelnemen aan de gewapende strijd. Ethiopië trad pas in 1994 - na de tenlastegelegde periode - toe tot AP I en AP II. Tot slot kan voor de uitleg van het begrip ‘de wetten en gebruiken van de oorlog’ worden gekeken naar het internationaal gewoonterecht. Internationaal gewoonterecht ontstaat indien aan twee voorwaarden is voldaan: 1) een algemene praktijk van staten en 2) een rechtsovertuiging (opinio juris). Gewoonte kan tot recht worden indien voldoende staten zich gedurende een zekere periode op een bepaalde wijze gedragen (algemene praktijk van staten) en zij de overtuiging hebben dat deze gedragingen door internationaal recht worden toegestaan, geduld dan wel gevorderd (rechtsovertuiging). De praktijk van staten kan bestaan uit handelingen van alle staatsorganen, het sluiten van bepaalde verdragen, etc. Daarnaast dienen staten de praktijk niet uitsluitend te volgen omdat deze politiek wenselijk is, maar omdat zij van oordeel zijn dat deze praktijk door internationaal recht wordt vereist dan wel toegestaan. Deze rechtsovertuiging kan blijken uit uitdrukkelijke statements, protest of voorbehoud. Aangenomen kan worden dat staten door middel van het sluiten van een verdrag kunnen erkennen dat een bepaald gedrag door het internationaal recht wordt gevraagd of toegestaan. Ook besluiten van internationale organisaties kunnen een aanwijzing bevatten voor de rechtsovertuiging van staten. Dit zal onder meer afhangen van de inhoud van de resoluties en de voorwaarden waaronder zij zijn aangenomen. Bij een groot aantal tegenstemmen zal opinio juris niet snel worden aangenomen. Rechtsovertuiging wordt ook wel afgeleid uit algemene praktijk. Indien er geen uitdrukkelijk bewijs is van een tegengestelde rechtsovertuiging, bijvoorbeeld in de vorm van protest door staten, kan worden aangenomen dat praktijk rechtsovertuiging impliceert. Voor zover van belang zal de rechtbank in de hieropvolgende hoofdstukken ingaan op de vraag welke invulling krachtens het internationaal humanitair gewoonterecht kan worden gegeven aan de wetten en gebruiken van de oorlog. De vereisten voor oorlogsmisdrijven Op grond van het gemeenschappelijk artikel 3 alsmede de invulling die daaraan door de (internationale) rechtspraak is gegeven, kan alleen sprake zijn van een oorlogsmisdrijf in een niet-internationaal gewapend conflict zoals aan de verdachte ten laste is gelegd, indien voldaan is aan de volgende vereisten:

(1)er is een niet-internationaal gewapend conflict op het grondgebied van één van de verdragsluitende partijen;
(2)de dader moet kennis hebben van het bestaan van dit gewapend conflict.
(3)De slachtoffers moeten behoren tot een van de categorieën beschermde personen bedoeld in het gemeenschappelijk artikel 3; dat wil zeggen het moeten personen zijn die niet rechtstreeks aan de vijandelijkheden deelnemen.
(4)Tussen het strafbare feit en het gewapend conflict dient een nauwe samenhang - in de (internationale) literatuur en rechtspraak nexus genoemd - te bestaan. De strafbaarstelling van oorlogsmisdrijven beoogt immers bescherming te bieden tegen misdrijven die in (nauwe) relatie staan tot de oorlog. De te nemen stappen voor de beoordeling van de tenlastelegging Voor de beoordeling van de tenlastelegging zal de rechtbank zich in hoofdstuk
  1. eerst uitlaten over het bestaan en de aard van het conflict in Ethiopië en de wetenschap van de verdachte daaromtrent. Vervolgens zal zij in hoofdstuk
  2. vaststellen of de feitelijke gebeurtenissen die in de tenlastelegging zijn opgenomen hebben plaatsgevonden. Om tot zo een vaststelling te kunnen komen dient echter eerst in de hoofdstukken
  3. en
  4. te worden bezien welke getuigenverklaringen, schriftelijke bescheiden en deskundigenrapporten zich in het dossier bevinden en of deze voor het bewijs kunnen worden gebezigd. Nadat de feitelijke gebeurtenissen zijn vastgesteld zal door de rechtbank in hoofdstuk
  5. worden beoordeeld of de in de tenlastelegging genoemde slachtoffers, personen zijn als bedoeld in gemeenschappelijk artikel
  6. Vervolgens zal in hoofdstuk
  7. worden vastgesteld of de vastgestelde feitelijke gebeurtenissen ook daadwerkelijk schending opleveren van het gemeenschappelijk artikel 3 en het internationaal humanitair gewoonterecht. Daarna zal de rechtbank in hoofdstuk
  8. vaststellen of de verdachte bij deze feiten een rol heeft gespeeld en, zo ja, welke rol dat was en vervolgens hoe deze eventuele rol dient te worden gekwalificeerd. De rechtbank zal zich in hoofdstuk
  9. uitlaten over het bestaan van een nexus. Tot slot zal de rechtbank in hoofdstuk
  10. beoordelen of hetgeen is vastgesteld schending van de WOS oplevert. 6De geschiedenis van Ethiopië De beschuldigingen tegen de verdachte en de beslissingen van de rechtbank daarover kunnen niet goed begrepen worden zonder enige kennis van de politieke situatie in Ethiopië en de geschiedenis van het land in de periode van 1930 tot 1974, de regeerperiode van keizer Haile Selassie, en in de periode vanaf 1974, de periode van de revolutie. Vanaf de eerste helft van de jaren dertig had keizer Haile Selassie absolute macht in Ethiopië. Zijn regeerperiode duurde tot 1974, maar werd onderbroken door de Italiaanse bezetting in de jaren 1936 tot
  11. Na het vertrek van de Italiaanse bezetter in 1941 volgde Britse overheersing in Ethiopië, welke in sterke mate de soevereiniteit van Ethiopië aantastte. Britse onderdanen bezetten sleutelposities in het Ethiopische bestuur. Eritrea, dat in het verleden een provincie van Ethiopië was en door de Italianen als uitvalsbasis gebruikt werd tegen Ethiopië, werd na de Tweede Wereldoorlog inzet van een territoriale strijd tussen Ethiopië en het Verenigd Koninkrijk. Eritrea werd uiteindelijk in 1953 onafhankelijk van het Verenigd Koninkrijk en vormde onder een VN-mandaat sindsdien een federatie met Ethiopië. Eritrea had daarin een eigen regering en wetgevende, uitvoerende en rechterlijke bevoegdheden waren vastgelegd. Dit democratische experiment was, mede gelet op het keizerlijk absolutisme in Ethiopië, gedoemd te mislukken. Nadat de nog niet heel sterke democratische instituten waren ontmanteld, werd Eritrea in november 1962 - opnieuw - een Ethiopische provincie. In dit proces zijn de wortels te vinden van de in 1958 vanuit Soedan ontstane Eritrean Liberation Movement (hierna: ELM) en het in 1960 opgerichte Eritrean Liberation Front (hierna: ELF). Vanuit het ELF en enkele splintergroepen ontstond later het Eritrean People’s Liberation Front (hierna: EPLF). Rond 1961 laaide de gewapende strijd tussen het ELF en het Ethiopische leger op, mede veroorzaakt doordat Eritreeërs hun burgerlijke en politieke rechten gestaag zagen verzwakken. In 1967 leidden grootscheepse aanvallen door Ethiopië tot het platbranden van tientallen Eritrese dorpen, het doden van tienduizenden stuks vee, het verbranden van oogsten en de vlucht van tienduizenden Eritreeërs naar Soedan. Op de verdenking van samenwerking met ELF en EPLF volgde in het algemeen executie. Het ELF en het EPLF lieten zich daartegenover niet onbetuigd, plunderden dorpen, gijzelden missionarissen en voerden ook executies uit op ‘collaborateurs’. De oorlog met Eritrea was een belangrijke factor in de aanloop naar de uiteindelijke revolutie in
  12. Een veel eerder politiek signaal vormde de staatsgreep in december 1960 door een groep militairen uit de Imperial Bodyguard, een poging om de keizer af te zetten terwijl hij in het buitenland was. De staatsgreep mislukte door slechte voorbereiding en een gebrek aan steun en werd in drie dagen de kop ingedrukt. Keizer Haile Selassie leek de mislukte staatsgreep niet te hebben opgevat als een voorbode van meer opstandigheid, maar in de jaren 1963 tot 1970 ontstond meer en meer verzet in verschillende delen van het land. De positie van de keizer leek niet langer onaantastbaar. Niet alleen speelde het conflict met Eritrea een belangrijke rol, daarnaast waren er in Addis Abeba onlusten onder studenten, en in verschillende provincies, waaronder Gojjam, kwam de verpauperde boerenbevolking in opstand tegen nieuwe belastingwetten. De door klassen, etniciteit en fysieke grenzen versplinterde maatschappij leed onder armoede, onzekerheid en angst voor onderdrukking, waardoor het nog geruime tijd duurde voordat de revolutie daadwerkelijk haar intrede kon doen. De jaren tussen de militaire coup en de revolutie in 1974 vertoonden een groeiende kloof tussen de absolutistische staat enerzijds en de maatschappij anderzijds. Dat het keizerlijk regime nog tot 1974 voort kon duren is mogelijk te wijten aan het gebrek aan organisatie onder de verschillende opstandige groeperingen. Na de staatsgreep werd wel de studentenbeweging sterker, wellicht onder invloed van de wereldwijd opkomende studentenopstanden en van de dekolonisatie in Afrikaanse landen. In 1974 begon de onrust binnen het leger zich steeds duidelijker af te tekenen. In juni van dat jaar werd de Derg geformeerd, bedoeld als vertegenwoordiging van alle militaire eenheden, een soort militair parlement, waarbij de hoge militaire rangen werden uitgesloten vanwege hun band met het keizerlijke regime. Met de mislukte staatsgreep van 1960 als waarschuwing trad de Derg aanvankelijk zeer voorzichtig op en slaagde erin amnestie te verkrijgen voor alle politieke gevangenen en bannelingen, een aantal hooggeplaatste regeringsambtenaren achter slot en grendel te krijgen en meer steun onder de bevolking te krijgen. Op 12 september 1974 kwam de Derg met een proclamatie waarbij keizer Haile Selassie werd afgezet en gedetineerd. Bij diezelfde proclamatie werd de Derg omgevormd tot de PMAC, de grondwet werd opgeschort, het parlement ontbonden en er werd een verbod afgekondigd op stakingen en demonstraties. De eerder populaire slogan People’s Government werd nu de Provisional People’s Government. Daarnaast waren er twee belangrijke linkse bewegingen Ethiopian People’s Revolutionary Party (hierna: EPRP) en All Ethiopian Socialist Movement (hierna: Meison). Een meer aristocratische onafhankelijkheidsbeweging werd gevormd door de Ethiopian Democratic Union (hierna: EDU), opgericht onder leiderschap van twee familieleden van de verdreven keizer Haile Selassie. Opstandige militaire eenheden en arbeidersprotesten werden door de Derg met grof geweld de kop ingedrukt. In november 1974 deelde de PMAC mee dat zij haar voorzitter, Aman Andom, had doodgeschoten en ongeveer zestig gedetineerden, niet alleen hoge functionarissen van het keizerlijk regime maar ook sommige van haar eigen leden, had geëxecuteerd. Het zaad van de zogeheten ‘Rode Terreur’, die ten doel had politieke vijanden te elimineren en potentiële tegenstanders af te schrikken, lijkt hier voor het eerst gezaaid. In het begin van 1975 verschoof de Meison meer in de politieke richting van de PMAC, vermoedelijk vanwege haar eigen betrekkelijk zwakke positie op het politieke toneel. In 1975 en 1976 waren gewapende EDU-eenheden actief, zij hadden veel van de Gondar regio onder controle, met name langs de grens met Soedan. Daarnaast had de Derg te kampen met ELF en EPLF die vanaf januari 1975 gezamenlijk strijd voerden tegen het Ethiopische leger. De EPRP en het EPLF hadden ook contacten met het Tigray People’s Liberation Front (hierna: TPLF), een in 1975 opgerichte linkse studentenbeweging, die in de volgende jaren meer en meer controle over de provincie Tigray verwierf. Februari 1976 wordt in het algemeen als het concrete begin van de Rode Terreur beschouwd. Voor de EPRP zou de Rode Terreur eerst eind augustus 1976 een aanvang nemen toen de Derg de officiële vernietigingscampagne tegen de EPRP lanceerde, resulterend in massale detentie van EPRP-leden en -sympathisanten en de executie van sommigen van hen. De EPRP bestreed de Derg met aanslagen, ook met behulp van haar gewapende vleugel. Na 3 februari 1977, de dag van de moord op Derg-voorzitter Teferri Banti, greep vicevoorzitter Mengistu de volledige macht, werd voorzitter en vanaf dat moment verhevigde het geweld. Van de Rode Terreur worden drie golven beschreven, van september 1976 tot juni 1977, van oktober 1977 tot begin december 1977 en tenslotte van december 1977 tot maart
  13. De massale moordpartijen werden onder meer gebaseerd op de belofte “for every revolutionary killed, a thousand counter-revolutionaries executed”. Eind april 1977, anticiperend op 1 mei demonstraties, werden van EPRP-sympathie verdachte personen in groten getale vermoord. Geschat werd dat ongeveer duizend kinderen waren gedood in Addis Abeba, waarbij hun lichamen op straat bleven liggen. Aan families van de doden werd het rouwen verboden. Er vonden ook massale arrestaties plaats van vermeende EPRP-aanhangers. Familieleden die naar vast gebruik voedsel en eten naar de gevangenis brachten moesten begrijpen dat de betrokken persoon dood was, als ze werden weggestuurd en te horen kregen dat ze niets meer behoefden te brengen. Hoewel rond maart 1978 de meest massale moordpartijen voorbij waren, ging het gevangenzetten en executeren door, met name ook in de provincie. Vermeende tegenstanders van de PMAC werden gedwongen tot het publiekelijk afleggen van bekentenissen, het openbaar maken van hun EPRP-lidmaatschap. Dat gebeurde onder dreiging met de dood tijdens zogeheten exposure meetings, massale bijeenkomsten. Wanneer men niet zichzelf bekend maakte maar door iemand anders zou worden aangegeven, zou executie volgen. Op scholen werden studenten en leraren opgepakt tijdens dit soort bijeenkomsten. Ouders en kinderen werden gedwongen elkaar aan te geven. Schrijver René Lefort heeft deze periode van de Rode Terreur als volgt omschreven: “History offers few examples of revolutions that have devoured their own children with such viciousness and so much cruelty (…)The revolution swallowed the whole of the young generation of Ethiopian intellectuals, that is literates.“ De aan de verdachte verweten handelingen zouden in deze periode hebben plaatsgevonden. 7Het bestaan en de aard van het conflict 7.1 Inleiding De rechtbank heeft reeds uiteengezet dat alleen sprake kan zijn van een oorlogsmisdrijf in een niet-internationaal gewapend conflict, zoals aan de verdachte is ten laste gelegd, indien in de tenlastegelegde periode op het grondgebied van Ethiopië sprake was van een dergelijk conflict. De rechtbank dient daarom te bezien of er gedurende de ten laste gelegde periode in Ethiopië sprake was van een niet-internationaal gewapend conflict. Anders dan in zaken over - bijvoorbeeld - Rwanda, voormalig Joegoslavië of Afghanistan is er geen (ad hoc) tribunaal of rechterlijk college dat zich eerder over deze vraag heeft gebogen. Indien de rechtbank tot de conclusie komt dat sprake was van een niet-internationaal gewapend conflict, dan dient zij zich vervolgens te buigen over de vraag of de verdachte daarvan kennis heeft gehad. Ter beantwoording van deze vragen zal de rechtbank onder 7.4 het toetsingskader schetsen waarop zij zich baseert. 7.2 Het standpunt van het openbaar ministerie Het openbaar ministerie heeft betoogd dat er in Ethiopië in de periode februari tot en met augustus 1978 sprake was van een niet-internationaal gewapend conflict tussen enerzijds de door de Derg gecontroleerde Ethiopische overheid en anderzijds de EPLF/ ELF, EDU en EPRP. Weliswaar was sprake van afzonderlijke groeperingen die ieder voor zich de drempel voor toepasselijkheid van het internationaal humanitaire recht haalden, maar deze groeperingen streden tegen dezelfde overheid (de Derg) en (in die relevante periode) niet tegen elkaar. 7.3 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft geen standpunt ingenomen met betrekking tot (de aard van) het conflict in Ethiopië. 7.4 Het toetsingskader Voor het vaststellen van het bestaan van een gewapend conflict gedurende een bepaalde periode is een analyse van de feitelijke situatie vereist, gebaseerd op de aard en omvang van de gevechtshandelingen, de doelstelling daarvan, alsmede de grondslag waarop de handelingen worden verricht. Indien gewapend geweld tussen staten of langdurig gewapend geweld tussen een staat en (een) georganiseerde gewapende groep(en) dan wel tussen zulke groepen onderling een bepaalde mate van intensiteit bereikt, kunnen de vijandelijkheden worden gekwalificeerd als een internationaal gewapend conflict respectievelijk een niet-internationaal gewapend conflict. De rechtbank overweegt dat de misdrijven genoemd in de tenlastelegging in verband kunnen worden gebracht met de gevechten die plaatsvonden tussen de Derg en de EPRP en andere (gewapende) oppositie groeperingen en niet tussen de Derg en een andere staat. Er is dus geen sprake van een internationaal gewapend conflict. De rechtbank zal daarom de feitelijke situatie, in het bijzonder de aard en omvang van de gevechtshandelingen, de doelstelling daarvan, alsmede de grondslag waarop de handelingen werden verricht toetsen aan de criteria die in het internationale recht zijn ontwikkeld voor een niet-internationaal gewapend conflict. Intensiteit en organisatie De definitie van een niet-internationaal gewapend conflict is niet neergelegd in een verdrag. De basiscriteria vloeien allereerst voort uit gemeenschappelijk artikel 3 en artikel 1 van het AP II dat vermeldt dat “het Protocol de gemeenschappelijke artikelen 3 van de Geneefse Conventies uitbreidt en aanvult, zonder wijziging aan te brengen in de omstandigheden waaronder deze artikelen thans worden toegepast.” Om situaties van (sporadisch) geweld bij interne ongeregeldheden en spanningen te kunnen onderscheiden van gewapende conflicten, is de definitie ontwikkeld - en algemeen aanvaard - in internationale jurisprudentie. De Tadić zaak is algemeen erkend als gezaghebbend voor de definitie van onder andere een niet-internationaal gewapend conflict. In die zaak werden
(1)de intensiteit van het conflict en
(2)de organisatie van de partijen van het conflict benadrukt als de basiscriteria van een gewapend conflict. De criteria uit de Tadić zaak zijn vervolgens toegepast in zeer veel internationale en nationale jurisprudentieen ook verder ontwikkeld door het ICTY, die in de Boskoski & Tarculovski zaak de relevante factoren opsomde waarmee op objectieve wijze de vereisten van ‘intensiteit’ en ‘organisatie’ kunnen worden getoetst. Als gevolg van deze ontwikkeling in de Tadić jurisprudentie en doctrine paste het International Committee of the Red Cross (hierna: ICRC) haar begrip van een gewapend conflict aan en concludeerde in 2008 dat niet-internationaal gewapende conflicten “are protracted armed confrontations occurring between governmental armed forces and the forces of one or more armed groups, or between such groups arising on the territory of a State [party to the Geneva Conventions]”, waarbij de gewapende confrontatie “must reach a minimum level of intensity and the parties involved in the conflict must show a minimum of organization.” Het ICRC definieerde georganiseerde gewapende groepen als groepen die “develop a sufficient degree of military organisation to conduct hostilities on behalf of a party to the conflict, albeit not always the same means, intensity and level of sophistication as State armed forces”. Het International Criminal Court (hierna: ICC) gaf in de Lubanga zaak ten aanzien van de beoordeling van de organisatiegraad van een gewapende groep de volgende handreikingen: “When deciding if a body was an organised armed group (for the purpose of determining whether an armed conflict was not of an international character), the following non-exhaustive list of factors is potentially relevant: the force or group’s internal hierarchy; the command structure and rules; the extent to which military equipment, including firearms, are available; the force or group’s ability to plan military operations and put them into effect; and the extent, seriousness, and intensity of any military involvement.” Om te beoordelen of een partij bij het conflict voldoet aan het vereiste van organisatie zijn vijf groepen van factoren van belang, namelijk factoren die: “
  1. indicate the presence of a command structure;
  2. indicate whether the group can carry out operations in an organised manner;
  3. indicate the level of logistics;
  4. determine whether an armed group possesses the level of discipline and the ability to implement the basic obligations of Common Article 3;
  5. indicate whether the armed group was able to speak with one voice.” Ook hier geldt dat de factoren op zichzelf niet essentieel zijn. Waar het om gaat is dat “’organized armed groups’must have a sufficient degree of organization, in order to enable them to carry out protracted armed violence”. Om de intensiteit van het geweld te beoordelen, kan acht worden geslagen op de volgende factoren: “the number of civilians forced to flee from the combat zones; the type of weapons used, in particular the use of heavy weapons, and other military equipment, such as tanks and other heavy vehicles; the blocking or besieging of towns and the heavy shelling of these towns; the extent of destruction and the number of casualties caused by the shelling or fighting; the quantity of troops and units deployed; existence and change of frontlines between the parties; the occupation of territory, and towns and villages; the deployment of government forces to the crisis area; closure of roads”’ Afzonderlijke geweldshandelingen voldoen niet aan het minimum vereiste voor intensiteit en geen van deze factoren is op zichzelf beslissend. Indien een van de factoren laag is, kan deze worden gecompenseerd door een andere factor die hoog is. Langdurig geweld Ten aanzien van de vraag of het geweld voldoende langdurig (protracted) is heeft het ICC in de Bemba Gombo zaak als volgt geoordeeld: “The Chamber notes that the concept of “protracted conflict” has not been explicitly defined in the jurisprudence of this Court, but has generally been addressed within the framework of assessing the intensity of the conflict. When assessing whether an armed conflict not of an international character was protracted, however, different chambers of this Court emphasised the duration of the violence as a relevant factor.This corresponds to the approach taken by chambers of the ICTY. The Chamber follows this jurisprudence. The Chamber notes the Defence’s submission that “if the conflict devolves to the level of riots, internal disturbances or tensions, or isolated or sporadic acts of violence, or if the conflict ceases to be between organized armed groups”, the threshold for the existence of a “protracted armed conflict” would cease to be met. The Chamber considers that the intensity and “protracted armed conflict” criteria do not require the violence to be continuous and uninterrupted. Rather, as set out in the first sentence common to Article 8
(2)(d) and 8
(2)(f), the essential criterion is that it go beyond “isolated or sporadic acts of violence”. Tot waar en wanneer is het internationaal humanitair recht van toepassing? Als de drempel van het niet-internationaal gewapend conflict is gehaald, is en blijft het internationaal humanitair recht van toepassing op het gehele grondgebied dat onder controle van de partijen staat, tot een “peaceful settlement” is bereikt. Het gewapend conflict eindigt pas als een van de partijen ophoudt te bestaan, bijvoorbeeld omdat zij zodanig verslagen is dat hergroeperen en het voortzetten van de vijandelijkheden ook op termijn niet meer mogelijk is of als er sprake is van een blijvend staken van gewapende confrontaties zonder reëel gevaar op hervatting. De Appeals Chamber van het ICTY heeft in de Kunarac zaak overwogen: “There is no necessary correlation between the area where the actual fighting is taking place and the geographical reach of the laws of war. The laws of war apply (….) in the case of internal armed conflicts, the whole territory under the control of a party to the conflict, whether or not actual combat takes place there, and continue to apply (…) in the case of internal armed conflicts, until a peaceful settlement is achieved. A violation of the laws or customs of war may therefore occur at a time when and in a place where no fighting is actually taking place.” 7.5 De aard van het conflict in Ethiopië 7.5.1 De EPRP en de Staat De EPRP Veel van de slachtoffers in deze zaak behoorden tot of waren sympathisant van de EPRP. De EPRP komt voort uit de studentenbeweging en is opgericht in 1972. Vanaf juni 1974 had de EPRP een centraal leiderschap, een politiek programma en gaf het een publicatie met de naam Democracia uit. Naast een centraal leiderschap was de EPRP georganiseerd per geografische zone. Deze zogenoemde inter zonal committees kregen de bevoegdheid zelfstandig besluiten te nemen en aan ieder inter zonal committee werd een lid van het centraal comité toegevoegd. De EPRP beschikte over een gewapende tak, het Ethiopian People’s Revolutionary Army (hierna: EPRA) waarover het centraal comité het bevel voerde en waaraan operationele sturing werd gegeven middels het Military Committee. Naast een leger beschikte de EPRP over Urban Armed Wings, ook Urban Defense Wings genoemd, die in de organisatiestructuur onder het Military Committee stonden. Deze Urban Armed Wings pleegden in augustus en september 1976 aanslagen en overvallen om aan wapens te komen, pleegden een aanslag op leden van Meison onder wie de rechterhand van Mengistu en pleegden een mislukte aanslag op Mengistu. In verband met toenemend (gewapend) verzet tegen de Derg werd de EPRP in september 1976 door de Derg tot vijand van de revolutie verklaard. EPRP-leden pleegden in 1977 aanslagen en moorden. Meerdere permanent secretaries van verschillende ministeries en ongeveer dertig kebele leiders werden door de EPRP gedood. David en Marina Ottaway beschrijven de situatie als volgt: “The situation had reached the point by February that no Political Bureau Partisan was safe in the streets or even in his office”. De universiteit van Uppsala beschrijft de EPRP als volgt: “Communist EPRP was mainly active in the mid 1970s, when it engaged in both urban and rural armed opposition, but with a focus on the former. It initiated a campaign of urban guerrilla warfar in September 1976, involving bombings of public buildings and other symbols of state authority as well as assasinations of numerous public officials. The campaign was labelled the White Terror by the government, which in turn countered with what would be known as the Red Terror. During this campaign, government security forces systematically hunted down and killed suspected EPRP members and their supporters.Having been defeated in the towns by late 1977 EPRP’s urban component was forced to take refuge with the group’s rural component in Tigray and Gonder.” De EPRA nam in aantal toe en bestond volgens Kiflu Tadesse in 1977 uit ongeveer 1500 manschappen in Tigray en Begedimir. Ook Ghelawdewos Araia spreekt van groei van de EPRA aan het eind van 1977 en begin van 1978. Gedurende de laatste maanden van 1977 voerde de EPRA in Begedimir het 217e Nebelbal (“Vlam”, een verzetsbestrijdingsgroep van de Derg) regiment in de plaats Mayleham in een hinderlaag, waarbij officieren gevangen werden genomen en wapens en munitie werden buitgemaakt. In februari 1978 voerde de EPRA een actie uit in Wukro in Tigray waarbij officieren van Nebelbal werden gedood. In juli 1978 vond in het Begedemirgebied een operatie van de EPRA plaats tegen een militair kamp van de Derg, dat weliswaar werd vernietigd, maar waarbij veel EPRA strijders het leven lieten. Het aantal EPRA leden groeide echter weer door instroom uit de stedelijke gebieden waar mensen de Rode Terreur ontvluchtten. De EPRA was daardoor in staat om in drie regio’s contingenten in te zetten, die ieder hun eigen bevelstructuur hadden. In december 1978 was het R-3 Command nog in staat een aanval op Addis Zemen uit te voeren. De EPRP/EPRA werd gesteund, getraind en bewapend door het EPLF (en TPLF) en ontving ook wapens van het ELF. De EPRA voerde ook een aantal militaire acties uit samen met het EPLF. De verdachte heeft ter zitting verklaard dat, in de tijd dat hij in Gojjam was als vertegenwoordiger van de Derg, Gojjam en Gondar conflictgebieden waren. De EPRP had grote invloed en de verdachte noemde de EPRP “een in die tijd onbeschrijflijk gewelddadige organisatie”. Zijn fotoalbum staat vol met vrienden en kameraden die zijn geliquideerd door de EPRP. De verdachte heeft eveneens verklaard dat in de tijd waarin hij voor de Derg in Gojjam zat, in Gojjam aanslagen werden gepleegd door de EPRP. In zijn tijd heeft de EPRP een militair guerillakamp opgericht in Metekel, in het westen van Gojjam. Dit was een plek van bijzonder strategisch belang. Niet alleen was het gebied rijk aan grondstoffen, ook lag het vanwege het gebrek aan infrastructuur geïsoleerd van de rest van het land en was het kwetsbaar voor machtsovername. Daarnaast had het gebied een lange onbewaakte grens met Soedan, zodat de EPRP en ook het EPLF en het TPLF zich makkelijk van voorraden en wapens uit Soedan konden voorzien. De EPRA/EPRP basis was door zijn ligging bedreigend voor de hele natie. In die tijd werd er ook heftig gevochten in het noorden, in Eritrea. De enige grote weg van Addis Abeba naar het noorden liep via Debre Marcos. De EPRP had deze weg geblokkeerd, zodat de Derg troepen zich niet naar het noorden konden verplaatsen. De militaire eenheid die de weg had vrijgemaakt is op verzoek van de verdachte naar Metekel gegaan om daar de EPRP basis te ontmantelen. Deze ontmanteling is van groot belang geweest om de macht van de EPRP in Gojjam te doen afnemen, aldus de verdachte. De verdachte heeft in het geschrift dat hij ter terechtzitting van 14 november 2017 aan de rechtbank heeft overgelegd opgemerkt dat de periode 1975-1979 de moeilijkste tijd was voor Ethiopië en haar volk. De verdachte heeft in dat geschrift verder opgemerkt: “Men was echt niet zeker of Ethiopië als verenigd land zou blijven bestaan. Ethiopië was toen gewikkeld in een alles omvattend moeras van oorlogen, (...), interne oorlog door de separatisten als ELF, EPLF, TPLF en EPRP in noord Ethiopië, TPLF, EPRP en EDU in het midden en noorden (Tigray, Gonder, Wollo, Gojam en noord Shoa); EPRP en saboteurs van TPLF en EPLF in de centrale gebieden en steden”. De tussenconclusie van de rechtbank Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de EPRP (daaronder begrepen de militaire tak EPRA en de Urban Armed Wings) in de relevante periode een voldoende georganiseerde gewapende groep was. De Staat De EPRP streed tegen de Derg, de toenmalige overheid in Ethiopië. De Derg beschikte over het regeringsleger dat in de jaarrapportage 1974-1977 van de Nederlandse ambassade te Addis Abeba wordt geschat op 80.000 man en blijkens de jaarrapportage 1977-1978 is gegroeid tot 400.000 man. De Derg reageerde met geweld op (onder meer) de EPRP, de zogenaamde Rode Terreur. Zoals hiervoor reeds aangegeven verklaarde de Derg in september 1976 de EPRP tot vijand van de revolutie. In maart 1977 wierp Mengistu tijdens een toespraak een fles rode vloeistof kapot en zei daarbij dat de contrarevolutionairen net zo zouden worden vermorzeld. Tijdens een redevoering van 25 juni 1977 liet hij zich in soortgelijke bewoordingen uit: “the EPRP, EDU and the Eritrean secessionist reactionary organisations will be crushed”. Brieven en posttelegrammen van de Nederlandse ambassadeur voornoemd van oktober, november en december 1977 verhalen van gewapende acties om EPRP-leden in Addis Abeba uit hun schuilplaatsen te verdrijven, zuiveringsacties middels moorden en terechtstelling van contrarevolutionairen behorend tot de EPRP. De conclusie van de rechtbank Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat er tijdens de ten laste gelegde periode in Ethiopië sprake was van een gewapend conflict dat niet meer het karakter had van interne ongeregeldheden of spanningen, zoals rellen, op zichzelf staande sporadisch voorkomende daden van geweld of soortgelijke acties. Integendeel, er was sprake van langdurig en intensief geweld. Het gewapend conflict speelde zich af tussen enerzijds de Derg (de overheid) en anderzijds de EPRP. De rechtbank is derhalve van oordeel dat in de periode genoemd in de tenlastelegging op het grondgebied van Ethiopië sprake was van een niet-internationaal gewapend conflict in de zin waarin die uitdrukking voorkomt in het humanitair oorlogsrecht en dat daarop gemeenschappelijk artikel 3 van toepassing is. 7.5.2 Verschillende strijdende partijen en de Staat Hoewel de rechtbank met deze conclusie kan volstaan, acht zij het gelet op het belang van deze zaak gewenst uiteen te zetten dat zij ook langs de door het openbaar ministerie aangegeven weg tot vaststelling van een niet-internationaal gewapend conflict komt. De rechtbank overweegt dat bij de beantwoording van de vraag of in een bepaald conflict de gevechtshandelingen tussen de bij het conflict betrokken groepering(
  1. en)voldoende intensief zijn geweest om te kunnen concluderen dat is voldaan aan het voor een niet-internationaal gewapend conflict geldende intensiteitsvereiste, onder voorwaarden ook kan worden bezien of sprake is van verschillende met elkaar tegen een gemeenschappelijke vijand strijdende groeperingen. Hiervan zal alleen sprake kunnen zijn indien elk van de betrokken partijen voor zich voldoet aan het vereiste van voldoende organisatie. Een dergelijke situatie kan zich voordoen indien de verschillende groeperingen op meer dan incidentele basis samenwerken op militair gebied, zoals coördinatie van militaire acties, maar ook bewapening, financiering, training en het bieden van gelegenheid van veilige doorvoer. Ook kan meewegen het nastreven van een (tijdelijk) gezamenlijk doel. De rechtbank zal hierna nagaan of het EPLF/ELF, de EDU en het TPLF in samenhang met de EPRP in 1978 in Ethiopië hieraan voldeden. De EPRP/EPRA en het EPLF/ELF Het ELF en het EPLF voerden vanaf 1975 een gezamenlijke gewapende strijd tegen het Ethiopische regeringsleger. Beide organisaties hadden voorzitters, overlegorganen, politieke programma’s en commando-eenheden. Tussen 1975 en 1977 hadden het ELF en het EPLF controle over het grootste deel van het grondgebied van Eritrea. In die periode was het aantal ELF en EPLF strijders groter dan het aantal strijders van het Ethiopische leger. In 1978 wist de Derg de meeste steden op de rebellen te heroveren. Tussen 1978 en 1986 was er sprake van jaarlijkse overheidsoffensieven tegen de Eritrese rebellen, hetgeen ook blijkt uit de verklaring van de verdachte ter zitting dat er in zijn tijd in Gojjam met spoed een legereenheid naar het noorden naar Eritrea moest gelet op de gevechten aldaar. Uit hetgeen hiervoor reeds is overwogen en ook uit de verklaring van de verdachte ter zitting blijkt overduidelijk dat er sprake was van een beduidend meer dan incidentele samenwerking tussen het EPLF/EFL enerzijds en de EPRP anderzijds. Deze samenwerking betrof alle hiervoor genoemde samenwerkingsgebieden en de gevechtshandelingen van het EPLF/ELF waren mede gericht op de doelstelling van de EPRP (het omverwerpen van de Derg). De EPRP/EPRA en de EDU De EDU was - als eerder omschreven - geen regionale onafhankelijkheidsbeweging maar een beweging die voortkwam uit het door de revolutie verdreven ancien régime. In 1975 werden gewapende eenheden van de EDU actief in Gojjam, Gondar en het westen van Tigray. Begin 1977 werden regeringstroepen verslagen. Vanaf medio 1977 leidde de EDU verliezen tegen de Derg in de regio Gondar en tegen het TPLF in Tigray, dat eind 1978 de meeste EDU-strijders tot over de grens in Soedan had teruggedrongen. Tussen de EDU en de EPRA is op enig moment wel sprake geweest van enige samenwerking, echter naar het oordeel van de rechtbank zijn er onvoldoende aanknopingspunten om te kunnen oordelen dat deze samenwerking meer dan een incidentele is geweest. De EPRP/EPRA en het TPLF Het TPLF is opgericht in 1975 en voerde vanuit de provincie Tigray een strijd tegen de staat voor sociale rechtvaardigheid en zelfbeschikkingsrecht voor alle Ethiopiërs. De verdachte heeft een nauwe samenwerking beschreven tussen het TPLF en de EPRP, bestaande uit onder andere training en bewapening. De rechtbank overweegt evenwel dat - wat er ook zij van een eventuele tijdelijke samenwerking in de zin van het simultaan bestrijden van de Derg in de provincie Tigray - in de voor de tenlastelegging relevante periode er niet langer sprake was van enige samenwerking tussen beide oppositiegroeperingen, integendeel. In maart 1978 zijn de al sinds 1975 bestaande spanningen tussen beide groeperingen en hun onderlinge concurrentie in Tigray militair beslecht in het voordeel van het TPLF. De Staat De rechtbank herhaalt hetgeen zij hiervoor reeds ten aanzien van de staat heeft overwogen en voegt daar het volgende aan toe. De Ethiopia Herald vermeldt in een artikel van 2 maart 1978 dat Mengistu in een rede ter ere van Adowa Victory Day gezegd heeft: "Imperialism and bureaucratic capitalism shall perish! The (…) EPRP and separatist forces shall perish! [. . .] Agence France Press meldt dat Lt.Kol. Megistu op 16 mei 1978 aankondigde dat het langverwachte tegenoffensief in Eritrea van start ging. Verschillende bevrijdingsbewegingen zouden controle hebben over 90% van het territoir in Eritrea. Rond de belegerde stad Asmara, waar 25.000 Ethiopische soldaten vast zouden zitten, werd hevig gevochten. Vanaf mei gebruikte de Ethiopische luchtmacht de luchthaven in Makalle in de provincie Tigray om bombardementen uit te voeren op posities van het ELF en EPLF in Eritrea. Hoewel een groot deel van de geraakte doelen een militair karakter had, werden ook veel dorpen, steden en kuddes aangevallen. De conclusie van de rechtbank De rechtbank komt ook op grond van het vorenstaande, in onderling verband en samenhang bezien, tot het oordeel dat er in de periode van de tenlastelegging in Ethiopië (ook) een niet internationaal gewapend conflict was tussen enerzijds de Derg en anderzijds de EPRP / het EPLF en het ELF. De laatstgenoemden streden tegen dezelfde overheid en werkten in dat kader met voldoende mate van intensiviteit samen. Ieder der genoemde groeperingen beschikte over een voldoende mate van organisatie. De gezamenlijke gewapende strijd tegen de Derg was langdurig en gelet op de onderlinge samenwerking van een voldoende intensiteit. Dat de genoemde groeperingen naast hun gezamenlijke doel - de strijd tegen de Derg - mogelijk ook nog eigen belangen hadden, zoals de afscheiding van Eritrea, en bij tijd en wijle ook elkaar bestreden, doet daaraan niet af. 7.5.3 De kennis van het gewapend conflict De rechtbank stelt op grond van de hierboven al weergegeven verklaringen van de verdachte en zijn geschrift vast dat hij kennis had van het gewapend conflict. 8De getuigenverklaringen 8.1 Inleiding Een groot deel van de stukken in het dossier zijn getuigenverklaringen. Evenals in voorgaande strafzaken met betrekking tot internationale misdrijven gaat het daarbij om de auditu-verklaringen en verklaringen van ooggetuigen die al dan niet zelf slachtoffer zijn van (delen van) de tenlastegelegde feiten. Door de NR en de DLR zijn 28 getuigen gehoord in Nederland, de Verenigde Staten van Amerika en Canada. Door de rechter-commissaris zijn in diezelfde landen achttien (gedeeltelijk dezelfde) getuigen gehoord. Aangezien Ethiopië niet heeft willen meewerken aan rechtshulp is het niet mogelijk geweest om getuigen te horen in Ethiopië. Wel beschikt de rechtbank over kopieën van een gedeelte van het dossier in de strafzaak die in Ethiopië tegen de verdachte is geweest. Ook in dit dossier zijn diverse getuigenverklaringen opgenomen. Geen van deze getuigen is door de Nederlandse recherche of de rechter-commissaris gehoord. In een zaak als de onderhavige speelt de vraag naar de betrouwbaarheid van deze getuigenverklaringen een belangrijke rol. Dit is niet alleen omdat een eventuele bewezenverklaring voor een groot deel zal moeten worden gestoeld op deze verklaringen, maar ook omdat - meer dan in commune strafzaken - er mogelijke bezwaren kleven aan de verklaringen. Het gaat immers om verklaringen die zijn afgelegd over gebeurtenissen die tientallen jaren geleden - in deze zaak bijna veertig jaar geleden - hebben plaatsgevonden. Daarnaast kunnen de getuigen getraumatiseerd zijn door hetgeen zij hebben gezien en meegemaakt en zijn zij afkomstig uit een andere omgeving en cultuur dan de onze. Dit brengt met zich dat het mogelijk niet verantwoord en/of wenselijk is om alle getuigenverklaringen voor het bewijs te bezigen. Ter beoordeling daarvan zal de rechtbank in de volgende paragraaf allereerst het toetsingskader uiteen zetten dat dient te worden gebruikt voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaringen. Daarna zal de rechtbank per getuige aangeven of de verklaring (in beginsel) - al dan niet gedeeltelijk - voor het bewijs kan worden gebezigd. Tot slot zal de rechtbank zich buigen over door de verdediging gedane getuigenverzoeken. 8.2 Het standpunt van het openbaar ministerie Het openbaar ministerie heeft - met verwijzing naar jurisprudentie in WOS zaken of Wim zaken van deze rechtbank, het gerechtshof Den Haag en het gerechtshof Den Bosch - zich op het standpunt gesteld dat noch het tijdsverloop, noch het cultuurverschil, de ernst van hetgeen de getuigen hebben meegemaakt en hun mogelijke traumatisering, aan de betrouwbaarheid van de verklaringen afdoet. Het openbaar ministerie heeft in zijn bewijsconstructie gebruik gemaakt van meerdere getuigen die door de Nederlandse recherche (en de rechter-commissaris) zijn gehoord, allen in onderlinge samenhang bezien. Van enkele getuigen is geen gebruik gemaakt van de verklaring, hetzij omdat deze niet kon bijdragen aan het bewijs, hetzij omdat de verklaring inconsistenties bevatte. Voor wat betreft de getuigen uit het Ethiopische strafdossier zijn deze door het openbaar ministerie enkel aangehaald in samenhang met meerdere andere verklaringen en/of bewijsmiddelen. 8.3 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de getuigenverklaringen onvoldoende betrouwbaar zijn, vanwege onder meer het tijdsverloop, mogelijke collusie en inconsistenties. Voorts heeft de verdediging verzocht om een groot aantal personen (opnieuw) te horen als getuige. De lijst met deze verzoeken is als bijlage 2 bij dit vonnis gevoegd. 8.4 De betrouwbaarheid van de getuigenverklaringen 8.4.1 Het toetsingskader Door de rechtbank ’s-Gravenhage is in de zaak tegen Joseph M. een kader opgesteld voor de toetsing van de betrouwbaarheid van getuigenverklaringen. In dit kader worden zeven aandachtspunten onderscheiden, te weten: I: de persoon van de getuige; II: de totstandkoming van de verklaring; III: de toetsing aan objectieve, van elders verkregen gegevens: IV: de consistentie van opeenvolgende, door deze getuige afgelegde verklaringen; V: de kwaliteit van identificaties en herkenningen; IV: de overeenstemming van de verklaringen met hetgeen andere getuigen hebben verklaard; VII: de plausibiliteit van de inhoud van de afgelegde verklaring(en). Dit kader is door de rechtbank ’s-Gravenhage in de zaak tegen Yvonne B. opnieuw gehanteerd, met dien verstande dat het criterium van de kwaliteit van identificaties en herkenningen is opgenomen onder één van de andere aandachtspunten. Het gerechtshof ’s-Gravenhage heeft in voornoemde Joseph M. zaak - met verwijzing naar hetgeen het omtrent de toetsing van de betrouwbaarheid van getuigenverklaringen in de strafzaak tegen Guus K. heeft overwogen - objectieve criteria geformuleerd, te weten: a: de toetsing aan objectieve, van elders verkregen gegevens: b: de consistentie van opeenvolgende, door deze getuige afgelegde verklaringen; c: de overeenstemming van de verklaringen met hetgeen andere getuigen hebben verklaard; d: de plausibiliteit van de inhoud van de afgelegde verklaring(en). In de Tamil zaak heeft het hof dit kader wederom toegepast. Bij de toepassing van deze criteria op de zaak heeft het hof betrokken de persoon van de getuige, de totstandkoming van de verklaring en de kwaliteit van de identificaties en herkenning. De toetsingskaders van het hof en de rechtbank in de zaak tegen Joseph M. en latere jurisprudentie komen dus voor wat betreft structuur niet geheel met elkaar overeen, maar hebben wel dezelfde aandachtspunten. De rechtbank zal hieronder - met inachtneming van voormelde jurisprudentie, maar ook gelet op de literatuur - een uiteenzetting geven van de door haar te hanteren criteria bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van getuigenverklaringen. Het verdient opmerking dat bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van getuigenverklaringen deze in onderlinge samenhang dienen te worden bezien. Voorts is van belang dat de genoemde criteria slechts aandachtspunten zijn. Het betreft dus geen lijstje dat bij een bepaald aantal vinkjes tot de conclusie moet leiden dat de verklaring van de getuige onbetrouwbaar is. De persoon van de getuige Er zijn omstandigheden denkbaar die mogelijk van invloed zijn op de betrouwbaarheid en/of de geloofwaardigheid van een getuige. Bij de beoordeling van de betrouwbaarheid moet daarom rekening worden gehouden met de volgende aandachtspunten: a.
  2. a)Betrokkenheid van de getuige bij de tenlastegelegde feiten Een getuige die zelf direct of indirect betrokken is geweest bij de tenlastegelegde feiten kan redenen hebben om een verklaring af te leggen die in strijd is met de waarheid, bijvoorbeeld omdat hij zijn eigen rol wil minimaliseren. In de tegen Joseph M. zaak zag de rechtbank aanleiding om een verklaring van een getuige met behoedzaamheid te bezien, aangezien de getuige een mogelijk motief had om een voor de verdachte belastende verklaring af te leggen en niet viel uit te sluiten dat de getuige had getracht zijn eigen rol/betrokkenheid te minimaliseren en bijvoorbeeld de verantwoordelijkheid te verschuiven naar de verdachte.
  3. b)Verdere belangen of motieven van getuigen om in strijd met de waarheid een voor de verdachte belastende verklaring af te leggen De mogelijkheid bestaat dat een getuige belangen of motieven heeft om in strijd met de waarheid een voor de verdachte belastende verklaring af te leggen (zie hiervoor onder ‘de persoon van de getuige’ onder a). Hiervoor moeten echter concrete aanwijzingen zijn die het niveau van speculatie of suggestie ontstijgen, te meer indien de belastende verklaring door andere belastende verklaringen wordt ondersteund. Zo is bijvoorbeeld de enkele omstandigheid dat de getuige behoorde tot een groep die slachtoffer is geworden van de groep waartoe de verdachte behoorde onvoldoende. Anderzijds achtte de rechtbank de betrouwbaarheid van een getuigenverklaring wél in het geding bij een getuige die verklaarde dat een verdachte altijd samen was met zijn broer, die misdrijven pleegde, zodat ook die verdachte schuldig moest zijn.
  4. c)Vaardigheid van getuigen om onderscheid te maken tussen wat zij zelf hebben gezien en wat zij van anderen hebben gehoord (de auditu) In de wetenschap is erkend dat getuigen die kennis hebben uit eigen waarneming van een gebeurtenis, moeilijk latere aanvullingen daarop (post-hoc-informatie) uit andere bron (bijvoorbeeld uit hetgeen zij van andere mensen hebben gehoord) kunnen onderscheiden van hetgeen zij zelf daadwerkelijk hebben waargenomen (bronamnesie). Het is daarom van belang dat uit de verklaring blijkt in welke mate een getuige dit onderscheid kan maken. Indien getuigen met elkaar spreken kan dit collaborative storytelling tot gevolg hebben waarbij tussen verschillende getuigen een sterke mate van sociale beïnvloeding ontstaat, waardoor hun ervaringen en uiteenlopende interpretaties versmelten tot een gezamenlijk verhaal over wat er is gebeurd.
  5. d)Verstorende effecten ten gevolge van culturele verschillen Door culturele verschillen bestaat het risico dat een getuige moeite heeft met tijd-, ruimte- en afstandsbepaling en/of zich wellicht niet kan oriënteren aan de hand van kaarten, foto- en beeldmateriaal, en kan invloed bestaan op de wijze waarop een getuige reageert op vragen (met name delicate) en deze beantwoordt. In de zaak Joseph M. overwoog het hof bijvoorbeeld dat rekening moest worden gehouden met het gegeven dat een deel van de Rwandese getuigen niet vertrouwd was met plattegronden en landkaarten en dat sommige getuigen het moeilijk vonden om data, tijdsverloop, afstanden en ruimte zo specifiek neer te zetten. Het hof oordeelde dat er niet zonder meer nadelige conclusies ten aanzien van de betrouwbaarheid van de verklaringen van de getuigen aan moesten worden verbonden.In de zaak tegen Yvonne B. werd door de verdediging naar voren gebracht dat liegen binnen de Rwandese samenleving minder problematisch is en dat getuigen uit de wens om bij te dragen aan een veroordeling vals zouden kunnen verklaren. De rechtbank erkende dit echter niet als een algemeen bewijsverweer maar oordeelde wel dat behoedzaamheid geboden is.
  6. e)De traumatisering van de getuige Een getraumatiseerde getuige is niet zonder meer minder betrouwbaar dan een niet getraumatiseerde getuige. Uit de literatuur volgt dat herinneringen aan centrale details van een traumatische gebeurtenis vaak accurater en vollediger zijn dan herinneringen aan perifere details van eenzelfde gebeurtenis. Dit komt omdat de aandacht zich bij een dergelijke gebeurtenis richt op bedreigende, centrale details (weapon focus effect) en omdat de grenzen van het traumatische beeld vernauwen (boundary restriction). Hierdoor kan het zijn dat er minder aandacht is voor andere, perifere details, zoals het uiterlijk van de dader. In de zaak tegen Joseph M. merkte het hof echter wel op dat gedragswetenschappers het niet eens zijn over de effecten van verdringing en dat de weergave van de traumatische gebeurtenis door de getuige en/of slachtoffer met de nodige voorzichtigheid en alleen in onderlinge samenhang met andere bewijsmiddelen diende te worden beoordeeld. Door traumatisering is het echter ook mogelijk dat het geheugen van de getuige wordt aangezet tot verdringing en dissociatie welke verschijnselen effect sorteren op het geheugen en in algemene zin op het waarnemingsvermogen van de getuigen. Door middel van zorgvuldige vraagstelling - te weten bevraging zonder druk van buitenaf, eventueel met herhaalde vragen - kunnen dergelijke verklaringen toegankelijk worden gemaakt. In zo’n geval is het mogelijk dat een getuige in opeenvolgende verhoren zich telkens nieuwe informatie herinnert.
  7. f)Overige factoren in de persoon van de getuige In de literatuur wordt gewaarschuwd voor de negatieve effecten die acquiescence (de neiging om vragen bevestigend te beantwoorden), compliance (instemming met aangedragen informatie omdat de getuige zich daartoe door de sociale context verplicht voelt) en suggestibility (het accepteren van informatie als zijnde correct in de veronderstelling dat de persoon die de informatie aandraagt het wel bij het juiste eind zal hebben) kunnen hebben op de kwaliteit van de verklaringen. Een juiste manier van verhoren kan deze risico’s verminderen. Dat een getuige nog een kind was ten tijde van de gebeurtenissen hoeft geen gevolgen te hebben voor de betrouwbaarheid van de verklaring die op latere leeftijd wordt afgelegd. Uit onderzoek blijkt namelijk dat het geheugen van kinderen accuraat is en dat zij accuraat kunnen vertellen over gebeurtenissen die enige jaren eerder hebben plaatsgevonden. Desondanks is bij kinderen en getuigen met een verstandelijke beperking de kans op het verkrijgen van onbetrouwbare verklaringen groter in vergelijking met normaal begaafde volwassenen. Dit kan gelegen zijn in beperkingen in het geheugen, versterkte beïnvloedbaarheid, het taalbegrip en het vermogen tot abstract denken. Het toetsen van de betrouwbaarheid kan overigens worden bemoeilijkt door de wijze waarop de verhoren zijn uitgewerkt, bijvoorbeeld als er geen verbatim uitwerking is. Bij de verslaglegging van een verklaring is in beginsel altijd sprake van een veranderproces (normatieve transformatie). De totstandkoming van de verklaring De wijze waarop de verklaring tot stand komt kan van invloed zijn op de betrouwbaarheid van de verklaring. Daarbij kunnen de hiernavolgende aspecten een rol spelen. a.
  8. a)De wijze van vragen stellen, inhoud van de vragen, houding en gedrag van de verhoorder De wijze waarop vragen worden gesteld en de inhoud van die vragen kunnen van invloed zijn op de verklaring die de getuigen afleggen. Hierbij kan worden gedacht aan het stellen van gesloten vragen, suggestieve vragen en verwarrende vragen. Het aandringen op een antwoord door de verhoorder kan ervoor zorgen dat de getuige sociale druk voelt om te antwoorden. Dit kan ook cultureel bepaald zijn (zie ook ‘De persoon van de getuige’ onder d).
  9. b)De duur van het verhoor Gelet op de omvang van de gebeurtenissen is het niet ongebruikelijk dat het verhoor van een getuige lange tijd in beslag neemt. Ook hier kleven echter risico’s aan. Het gerechtshof overwoog in de zaak van Joseph M. dat bij urenlange verhoren de kans op betrouwbare informatie door de getuige kleiner wordt. Dit verschijnsel wordt in de literatuur wel het output order-effect genoemd.
  10. c)Communicatieproblemen tussen verhoorders en getuigen of tussen tolk en getuigen Het gebeurt vaak dat bij het verhoor van een getuige gebruik moet worden gemaakt van een tolk. Dit kan leiden tot communicatieproblemen, maar het kan ook voorkomen dat de tolk een foutieve vertaling geeft. Eventuele misverstanden tussen de verhoorder en de getuigen, hoeven echter niet zonder meer ertoe te leiden dat de verklaring niet meer betrouwbaar is. Indien de misverstanden verhelderd zijn of niet van substantiële aard zijn hoeft het geen bezwaar te zijn.
  11. d)Contact tussen getuige en andere getuigen alvorens een verklaring af te leggen Contact tussen verschillenden getuigen voorafgaande aan verhoren kan tot gevolg hebben dat er bronamnesie optreedt (zie ‘De persoon van de verdachte’ onder c).
  12. e)Waarborgen bij verhoor In het Nederlandse rechtssysteem zijn er waarborgen bij het afleggen van getuigenverklaringen bij de politie en de rechter-commissaris, ook indien dit in het buitenland geschiedt. Indien door een getuige meerdere verklaringen zijn afgelegd heeft het daarom - zoals hiervoor reeds vermeld - de voorkeur om de verklaring te gebruiken die bij de rechter-commissaris of bij de Nederlandse recherche is afgelegd. Bij verklaringen die aan derden zijn afgelegd is het echter lastig om te controleren of zij met voldoende waarborgen zijn omgeven en met behulp van welke methodiek zij tot stand zijn gekomen. Dit kan er toe leiden dat het verstandiger is om de verklaringen niet voor het bewijs te bezigen, dan wel de verklaringen met de nodige behoedzaamheid te bezien. Toetsing aan objectieve, van elders verkregen gegevens met betrekking tot de situatie ter plaatse Bij objectieve gegevens kan worden gedacht aan gegevens door forensisch onderzoek of schriftelijke bronnen zoals geschriften en rapporten over het conflict. In de zaak tegen Joseph M. werd gebruikt gemaakt van onder meer geschriften en rapporten over de genocide in Rwanda in 1994 en de feitelijke vaststelling door het ICTR over het gewapend conflict in Rwanda in 1994 en de daaropvolgende feitelijke gebeurtenissen. Feitelijke vaststellingen in geschriften en rapporten die zijn gebaseerd op onder meer verklaringen van getuigen en deskundigen en documenten kunnen in beginsel worden overgenomen door de rechter, ook al heeft de verdediging geen invloed kunnen uitoefenen op de totstandkoming daarvan. Consistentie van opeenvolgende, door de betreffende getuige afgelegde verklaringen Wanneer door een getuige meerdere verklaringen zijn afgelegd kan de consistentie van die opeenvolgende verklaringen worden getoetst. In de zaak tegen Joseph M. overwoog het hof: “Teneinde een uitspraak te kunnen doen over de accuratesse van de herinnering van de getuige en/of slachtoffer dienen de verklaringen die zij op verschillende tijdstippen tegenover de onderscheidenlijke (opsporings)autoriteiten hebben afgelegd, met elkaar te worden vergeleken. De mate van consistentie - die betrekking heeft op de mate van overeenkomst tussen de verschillende verklaringen - is dan aan de orde en die is weer van invloed op de bewijskracht van de desbetreffende verklaring, met name wanneer dit aspecten van een verklaring betreft die dragend zijn voor het bewijs. Ofschoon een sterke mate van consistentie nog geen garantie biedt voor de accuratesse van de desbetreffende verklaring is het omgekeerde evenmin het geval.” Onder meer de persoon van de getuige (zie ‘De persoon van de getuige’ onder a tot en met
  13. f)en de wijze van totstandkoming van de verklaring (zie ’De totstandkoming van de verklaring’ onder a tot en met
  14. e)kunnen van invloed zijn op die consistentie, maar dat geldt ook voor het tijdsverloop tussen de gebeurtenissen en het afleggen van de verklaring. Van belang zijn de omstandigheden waaronder de geconstateerde inconsistenties zich voordoen. Wanneer dit gebeurt aan het einde van een lang verhoor en/of als er sprake is van PTSS-symptomen, dan moet men bedacht zijn op commissiefouten, dat wil zeggen: onjuiste elementen in de herinnering. Voorts kan er bij verklaringen die als inconsistent zouden kunnen worden beschouwd worden bezien in welke mate (bepaalde onderdelen van) de verklaringen steun vinden in ander bewijs. Verklaringen die inconsistenties, discrepanties of tegenstrijdigheden bevatten kunnen worden uitgesloten van het bewijs of het inconsistente deel van de verklaring kan niet worden gebruikt voor het bewijs. Dit geldt echter niet voor alle inconsistente verklaringen, maar kan enkel indien
  15. i)de inconsistenties of verschillen zien op een aspect van de verklaring dat dragend zou moeten zijn voor het bewijs of die anderzijds evident de betrouwbaarheid van de verklaring als geheel raken, en
  16. ii)er geen bevredigende verklaring voor die discrepanties, inconsistenties of tegenstrijdigheden kan worden gevonden. Kwaliteit van identificaties en herkenningen Door getuigen kan een verdachte worden geïdentificeerd of worden herkend. Die identificaties en herkenningen hoeven echter niet zonder meer betrouwbaar te zijn. Ter beoordeling daarvan kunnen de volgende vragen worden gesteld: a.
  17. a)Kende de getuige de verdachte? Een herkenning door een getuige van een bekende is in beginsel aanzienlijk betrouwbaarder dan identificatie van een onbekende omdat het herkennen van iemand die een getuige slechts een enkele keer heeft gezien veel moeilijker is. Dit wordt geacht een feit van algemene bekendheid te zijn.
  18. b)Wat was de afstand tussen de getuige en de verdachte? De afstand tussen de getuige en de verdachte is een belangrijke factor bij de waarneming, dit in combinatie met de lichtsterkte (zie daarvoor hierna onder d). In de literatuur is er verdeeldheid over de vraag op welke afstand de kwaliteit van de waarneming afneemt. Zo liet onderzoek uit 1996 zien dat bij een afstand van twintig meter, ongeacht de lichtsterkte, de herkenning niet voldeed aan de berekende ondergrens in het strafrecht voor diagnostische waarde. In later onderzoek werd echter ondervonden dat er op een afstand van meer dan vijftien meter, in samenhang met de hoeveelheid verlichting, een minder scherpe daling was waar te nemen, maar meer een monotone verandering. Er werd ondervonden dat per meter toename in afstand het aantal correcte herkenningen afnam met 0,60% en het aantal foute herkenningen toenam met 0,48%.
  19. c)Hoe lang en/of hoe vaak heeft de getuige de verdachte gezien? Tijdsduur van de waarneming (exposure time) is van belang voor de opslag daarvan in het geheugen. Wanneer de waarneming langer duurt dan zal deze beter zijn en zal het geheugenspoor dat wordt gecreëerd omvangrijker zijn.
  20. d)Was het licht of donker? De lichtsterkte is van invloed op de waarneming. Bij lagere lichtsterkte, in combinatie met de afstand, neemt de diagnostische waarde van de herkenning af (zie ook hierboven onder b).
  21. e)Zijn er andere factoren die de waarneming betrouwbaar of minder betrouwbaar maken? Hierbij kan worden gedacht aan het vermogen van de getuige om het handelen van de verdachte, diens wapen of kleding te zien of medeverdachten te beschrijven.
  22. f)Heeft de getuige de verdachte en face gezien? Tevens is van invloed of de getuige tijdens de waarneming de verdachte en face heeft gezien, omdat dit de kwaliteit van de herkenning ten goede komt.
  23. g)Heeft de getuige hetzelfde ras als de verdachte? Uit diverse onderzoeken is gebleken dat mensen beter in staat zijn om iemand van het eigen ras en de eigen etnische groep te herkennen dan iemand van een ander ras of andere etnische groep. Een herkenning is dan ook in beginsel accurater wanneer de getuige van hetzelfde ras en etniciteit is als de verdachte. Plausibiliteit van de inhoud van de afgelegde verklaringen Tot slot kan worden bezien of de afgelegde verklaring plausibel is. Hierbij is terughoudendheid echter gepast, aangezien vaak sprake is van een extreme context, die aan de grenzen van het voorstellingsvermogen kan raken. 8.4.2 De bruikbaarheid en de betrouwbaarheid van de getuigenverklaringen in de onderhavige zaak De rechtbank heeft het bovenstaande toetsingskader toegepast - op onderdelen slechts voor zover van belang - op alle getuigenverklaringen die zich in het Nederlandse strafdossier bevinden. De rechtbank zal kort weergeven tot welke bevindingen zij per getuige is gekomen. Daarbij verdient het opmerking dat de rechtbank in beginsel in geen enkel geval in twijfel trekt hetgeen de getuigen verklaren over wat zij persoonlijk hebben meegemaakt, te weten de door hen ondergane arrestaties, martelingen en slechte detentieomstandigheden. Er zijn geen aanwijzingen dat ook maar één van de getuigen hierover in strijd met de waarheid heeft verklaard. De rechtbank is het met het openbaar ministerie eens dat dergelijke traumatiserende gebeurtenissen doorgaans niet gemakkelijk worden vergeten. Dit neemt evenwel niet weg dat er factoren kunnen zijn die met zich brengen dat hetgeen de getuigen verklaren te hebben gezien en gehoord met onvoldoende mate van betrouwbaarheid kan worden vastgesteld. Die omstandigheden kunnen er dan ook toe leiden dat de rechtbank hun verklaring voor dat deel als onvoldoende betrouwbaar voor het bewijs waardeert. Los daarvan zijn er enkele verklaringen die weliswaar betrouwbaar kunnen worden geacht, maar desondanks onvoldoende bruikbaar voor het bewijs zijn omdat het bijvoorbeeld de auditu-verklaringen betreft of omdat zij zien op gebeurtenissen die op een andere tijd of in een andere plaats hebben plaatsgevonden dan de gebeurtenissen waarop de tenlastelegging ziet. In zijn algemeenheid merkt de rechtbank op dat het enkele tijdsverloop niet maakt dat de verklaringen van de getuigen per definitie onbetrouwbaar zijn. De omstandigheden dat sommige getuigen contact met elkaar hebben gehad, mogelijk boeken hebben gelezen over de tenlastegelegde feiten en kennis hebben gekregen van het Ethiopische strafproces tegen de verdachte, kunnen op zichzelf evenmin leiden tot de conclusie dat de verklaringen zonder meer onbetrouwbaar zijn. Tot slot merkt de rechtbank op dat hoewel enkele getuigen een vordering benadeelde partij hebben ingediend, zij geen enkele aanwijzing heeft dat deze getuigen uit eigen gewin in strijd met de waarheid hebben verklaard. De zeer geringe hoogte van de vorderingen vormt hiervoor zelf een contra-indicatie. [persoon 328] [persoon 328] is als mogelijke getuige naar voren gekomen, omdat hij een van de personen is die in het reeds genoemde artikel in Vrij Nederland aan het woord kwam. Hij is in oktober 2012 door de NR gehoord in de Engelse taal. Hij heeft voornamelijk verklaard over de lijsten en brieven die hem gedurende het interview voor het artikel zijn getoond, de structuur en het doel van de EPRP en de functie en de rol van de verdachte. De rechtbank stelt vast dat de getuige niet uit eigen waarneming kan verklaren over de tenlastegelegde feiten. Hij heeft verklaard dat hij bij een bezoek aan een vriend in Debre Marcos zag dat er op het gevangenissterrein grote gaten werden gegraven en dat er die nacht zestig of zeventig mensen uit de gevangenis werden gehaald en zes of zeven kilometer van de gevangenis verwijderd werden gedood. Uit die verklaring volgt echter ten eerste niet wanneer dit zou zijn geweest, maar daarnaast lijkt het er sterk op dat hij enkel heeft gezien dat er gaten werden gegraven en dat hij de dood van de personen van horen zeggen heeft. De rechtbank acht zijn verklaring dan ook niet bruikbaar voor het bewijs. [persoon 333, anders geschreven] [persoon 333, anders geschreven] is door de getuige [persoon 328] genoemd als potentiële getuige. Er is met hem in 2013 een voorgesprek gehouden, waarna hij in 2015 is gehoord door de DLR en in 2016 door de rechter-commissaris in de Verenigde Staten van Amerika. De verhoren vonden plaats met bijstand van een tolk in de Engelse taal. Hij is de broer van [persoon 334], die een hoge functie binnen de EPRP had en over wie diverse getuigen verklaarden dat hij begin augustus 1978 is doodgeschoten vlak buiten Debre Marcos. De getuige heeft met name verklaard over het lot van zijn broer en de rol van de verdachte. Aangezien [persoon 333, anders geschreven] niet uit eigen waarneming kan verklaren over de tenlastegelegde feiten, maar enkel over wat hij van anderen heeft gehoord - waarbij vaak de bron niet wordt vermeld - is de rechtbank van oordeel dat zijn verklaring niet kan bijdragen aan het bewijs. [persoon 319, andere schrijfwijze] [persoon 319, andere schrijfwijze] is door de getuige [persoon 333, anders geschreven] genoemd als potentiële getuige. Met hem is een voorgesprek gevoerd in 2013 en in 2015 is hij gehoord door de DLR. In 2017 is hij - met bijstand van een psycholoog omdat hij getraumatiseerd zou zijn - gehoord door de rechter-commissaris. De verhoren vonden plaats met bijstand van een tolk in de Engelse taal. Ten tijde van de tenlastegelegde periode was hij rond de veertien jaar oud en lid van de EPRP. Hij heeft met name verklaard over de exposure meetings en de rol van de verdachte. De rechtbank stelt vast dat [persoon 319, anders geschreven] als enige getuige heeft verklaard dat er gedurende exposure meetings geen arrestaties hebben plaatsgevonden en evenmin dat er van daaruit mensen naar een kamp of politiebureau zijn gebracht. Bij de rechter-commissaris heeft hij ruim drie jaar later echter verklaard dat er wel degelijk twee personen zijn meegenomen na de exposure meeting, hoewel hij dit van één van de personen niet heeft gezien maar heeft geconcludeerd. Het valt de rechtbank op dat hij in die laatste verklaring het echter nog altijd slechts over twee personen heeft, terwijl alle andere getuigen verklaren dat veel mensen na de exposure meeting werden meegenomen. Zijn verklaring wijkt dus op een belangrijk punt af van de verklaringen van de andere getuigen. Daarnaast heeft [persoon 319, andere schrijfwijze] bij al zijn verhoren verklaard over een incident dat tijdens de exposure meeting plaatsvond, waarbij iemand naar [Eshetu A.] spuugde en riep hoe goed de EPRP was. Over wie deze persoon was heeft de getuige echter wisselend verklaard. Bij zijn voorgesprek met de politie vertelde hij dat deze persoon zijn aangetrouwde neef [persoon 335] was, maar bij de politie en vervolgens de rechter-commissaris noemde hij niet zijn neef maar een hoge EPRP leider van wie hij de naam niet wist c.q. een jongen die was ontmaskerd. De rechtbank vindt dit verschil tussen de verklaringen des te opvallender nu men zou verwachten dat een dergelijke vergissing niet wordt gemaakt als het gebeuren betrekking heeft op een familielid. Door deze tegenstrijdigheden, in combinatie met de omstandigheid dat er aanwijzingen zijn van traumatisering, kan de rechtbank in onvoldoende mate vaststellen of [persoon 319, andere schrijfwijze] hetgeen hij beschrijft daadwerkelijk heeft gezien of dat hij mogelijk verhalen van anderen in zijn herinnering heeft geïncorporeerd. De rechtbank acht het daarom onverantwoord om zijn verklaring voor het bewijs te bezigen. [persoon 314] [persoon 314] is als potentiële getuige genoemd door [persoon 333]. Er zijn in 2013 twee verkennende gesprekken met hem gevoerd en een derde verkennend gesprek in 2014. In 2015 is hij gehoord door de DLR en in 2016 door de rechter-commissaris. De verhoren vonden plaats met bijstand van een tolk in de Engelse taal. Ten tijde van de tenlastegelegde feiten was hij rond de twintig jaar en hij steunde de EPRP. Hij heeft verklaard over de exposure meetings, zijn verblijf in een militair kamp, gevolgd door een verblijf in een politiekamp en de gevangenis, detentieomstandigen, martelingen en executies. Voorts heeft hij belastend verklaard over de aanwezigheid van de verdachte bij de exposure meetings en in een van de kampen. De rechtbank stelt vast dat de getuige niet altijd consequent heeft verklaard over hetgeen hij zelf heeft gezien en gehoord en wat hij enkel van anderen heeft vernomen. Hij heeft daarnaast verklaard dat er elke avond vijf of zes jongeren werden weggevoerd. Geen enkele andere getuige heeft dit verklaard. Ook lijkt hij in de war te zijn over de aanwezigheid van de verdachte in Gojjam tegelijkertijd met Kassay Aragaw. Verder heeft hij niet eenduidig verklaard of hij de verdachte nu juist in het politiekamp of het militair kamp heeft gezien. Gelet hierop krijgt de rechtbank de indruk dat de getuige herinneringen onbewust door elkaar haalt of verkeerd heeft opgeslagen. De rechtbank acht het daarom niet verantwoord om zijn verklaring als bewijs te gebruiken. [persoon 316] [persoon 316] is door de getuige [persoon 314] aangedragen als potentiele getuige. Hij is in 2015 gehoord door de DLR en in 20

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.