Rechtbank DEN HAAG Strafrecht Meervoudige strafkamer Parketnummer: 09/827024-17 Datum uitspraak: 29 december 2017 Tegenspraak (Promisvonnis) De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , thans gedetineerd in detentiecentrum ‘ [detentiecentrum] . 1Het onderzoek ter terechtzitting Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen van 20 april 2017, 13 juli 2017 en 10 oktober 2017 (telkens pro forma) en van 18 december 2017 (inhoudelijk). De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. R. van Geloven en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. M.M. Vié, advocaat te Den Haag, naar voren is gebracht. 2De tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 03 december 2016 te Delft ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, terwijl zij in bed lag, meermalen, althans eenmaal, een kussen in het gezicht heeft geduwd, terwijl hij - verdachte - daarbij een schroevendraaier, althans een scherp en puntig voorwerp, heeft vastgehouden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 03 december 2016 te Delft ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen terwijl zij in bed lag, meermalen, althans eenmaal, een kussen in het gezicht heeft geduwd, terwijl hij - verdachte - daarbij een schroevendraaier, althans een scherp en puntig voorwerp, heeft vastgehouden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; meer subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 03 december 2016 te Delft [slachtoffer] heeft mishandeld door terwijl zij in bed lag, meermalen, althans eenmaal, een kussen in het gezicht te duwen, terwijl hij - verdachte - daarbij een schroevendraaier, althans een scherp en puntig voorwerp, vasthield. 3Bewijsoverwegingen 3.1 Inleiding De volgende feiten kunnen op grond van de gebruikte bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten hebben ter terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering als vertrekpunt dienen voor de beoordeling van de bewijsvraag. De aangifte Op 3 december 2016 lag [slachtoffer] (hierna: de aangeefster) te slapen in haar woning aan de Houtduifstraat 6 te Delft. Ze werd wakker doordat een persoon een kussen onder haar hoofd vandaan trok en het kussen vervolgens op haar gezicht drukte. Ze kreeg het hierdoor benauwd en het lukte haar het kussen weg te trekken. Vervolgens werd het kussen opnieuw tegen haar gezicht gedrukt. De aangeefster trok weer aan het kussen en riep hard om hulp. De persoon stopte en heeft de woning verlaten. De aangeefster is naar de tuin gelopen en heeft om hulp geschreeuwd. Het sporenonderzoek Het hoofdkussen met kussensloop uit de slaapkamer van de aangeefster is veiliggesteld en gewaarmerkt ( [waarmerk] ). Het kussen is vervolgens naar het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: het NFI) verstuurd voor DNA-onderzoek. Het deskundigenonderzoek naar biologische sporen en DNA Van het kussen zijn door het NFI (in totaal) 10 bemonsteringen afgenomen (#01 t/m #06 betreft biologische contactsporen; #7 t/m #10 betreft bloed). Deze bemonsteringen zijn onderworpen aan standaard (autosomaal) DNA-onderzoek. Voor bemonstering #01 en #02 geldt dat het DNA-onderzoek is herhaald, om de reproduceerbaarheid van de DNA-nevenkenmerken in de verkregen DNA-mengprofielen te onderzoeken. De afgeleide combinatie van DNA-kenmerken van het celmateriaal/bloed in de bemonstering [bemonstering] is opgenomen in de DNA-databank en werd vergeleken met daarin aanwezige DNA-profielen. Hierbij is een match gevonden met het DNA-profiel van de verdachte. Uit de bemonsteringen #04 en #05 zijn DNA-mengprofielen verkregen van minimaal één vrouw (de aangeefster) en één man. Het DNA-profiel van de verdachte matcht met de combinatie van kenmerken (van de man). Van deze twee sporen is de bewijskracht - de zeldzaamheid - berekend. De uitkomst daarvan is dat de kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen man matcht met deze combinatie van DNA-kenmerken kleiner is dan één op één miljard. De DNA-nevenkenmerken verkregen uit bemonsteringen #02 en #03 matchen tevens met het DNA-profiel van de verdachte, waarbij geen bewijskracht is berekend. Het NFI heeft voorts - aanvullend - Y-chromosaal DNA-onderzoek verricht. Uit de bemonsteringen #01, #02, #04, #05, #06 en #10 is een Y-chromosaal DNA-profiel verkregen dat afkomstig kan zijn van de verdachte. In de bemonsteringen #03 en #06 is een DNA-mengprofiel verkregen dat afkomstig is van minimaal twee mannen waarvan de verdachte één kan zijn. 3.2 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van hetgeen hem primair, impliciet primair, te weten poging moord, ten laste is gelegd. Volgens de officier van justitie is er wel voldoende wettig en overtuigend bewijs - in de vorm van de aangifte en het aantreffen van het DNA van de verdachte op het kussen - om te kunnen bewijzen dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een poging doodslag (hetgeen hem primair, impliciet subsidiair ten laste is gelegd). 3.3 Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft zich, zoals vervat in de overgelegde schriftelijke pleitaantekeningen, op het standpunt gesteld dat de rechtbank de verdachte dient vrij te spreken van hetgeen hem ten laste is gelegd, nu het aantreffen van DNA van de verdachte op het kussen onvoldoende overtuigend bewijs oplevert om tot een veroordeling te komen. Nadat de DNA-match was gevonden en de verdachte was aangehouden heeft de politie onvoldoende onderzoek verricht naar mogelijk ontlastende omstandigheden. Subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de voorbedachte raad niet bewezen kan worden. 3.4 De beoordeling van de tenlastelegging De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of het de verdachte is geweest die de aangeefster op 3 december 2016 in haar slaapkamer het kussen op het hoofd heeft gedrukt. De rechtbank acht de aangifte betrouwbaar en neemt voor deze beoordeling daarnaast het door de politie verrichte sporenonderzoek en de resultaten van het deskundigenonderzoek van het NFI, tot uitgangspunt. De politie heeft, ófwel op aanwijzing van de officier van justitie ófwel naar aanleiding van een suggestie van de verdediging, nader onderzoek gedaan. Zo heeft onderzoek plaatsgevonden naar het aangetroffen tape in de woning, de moddervegen, naar een mogelijke DNA-match met personen die in het verleden een vergelijkbare modus operandi hebben gehanteerd en naar de mobiele telefoongegevens van de verdachte. Ook zijn er diverse getuigen gehoord, zowel door de politie als door de rechter-commissaris. Dit heeft niet tot enig resultaat, belastend of ontlastend geleid. De rechtbank volgt de raadsvrouw dan ook niet in haar stelling dat de politie, ná het bekend worden van de resultaten van het DNA-onderzoek, geen - of onvoldoende - onderzoek heeft verricht. Op het kussen, dat gelet op de verklaring van de aangeefster direct verband houdt met het delict, zijn op meerdere plaatsen DNA-sporen aangetroffen. Het DNA-profiel van de verdachte matcht met meerdere, op verschillende plaatsen op het kussen aangetroffen, sporen. Ten aanzien van de match met de bemonsteringen #04 en #05 geldt dat het bij deze bemonsteringen gaat om een DNA-profiel dat maximaal zeldzaam is, namelijk de kans dat een willekeurig ander persoon datzelfde profiel heeft is kleiner dan één op één miljard. Gelet op het voorgaande kan het, naar het oordeel van de rechtbank, niet anders dan dat de verdachte de donor van deze sporen is. De hoeveelheid sporen in combinatie met de plaats van aantreffen (op verschillende plaatsen op het kussen, onder meer op de randen van het kussen) passen bij hetgeen door de aangeefster over het delict is verklaard. De sporen passen in het delictscenario en de rechtbank merkt deze sporen als dadersporen aan. Verdachte heeft het feit ontkend en heeft voor het aantreffen van de verschillende DNA-sporen op het kussen (die matchen met zijn DNA-profiel) geen verklaring willen of kunnen geven. Een (concreet en toetsbaar) alternatief scenario is door de verdediging niet naar voren gebracht. Nu ook overigens noch uit het dossier, noch uit het verhandelde terechtzitting iets is gebleken dat in een andere richting wijst komt de rechtbank tot de slotsom dat het, gelet op al hetgeen hierboven is overwogen, niet anders kan dan het verdachte is die op 3 december 2016 de woning van aangeefster is binnengegaan en aangeefster een kussen op het hoofd heeft gedrukt. Voorbedachte raad? Nu het voor de rechtbank vaststaat dat de verdachte het kussen op het hoofd van de aangeefster heeft gedrukt moet vervolgens de vraag worden beantwoord hoe dit handelen dient te worden gekwalificeerd. Voor een bewezenverklaring van voorbedachte raad (en daarmee de poging moord) moet komen vast te staan dat de verdachte niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling maar zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit om de aangeefster te doden, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Met de officier van justitie en de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat sprake is geweest van een dergelijk moment van kalm beraad. De verdachte zal daarom worden vrijgesproken van de primair impliciet primair ten laste gelegde poging moord. Poging doodslag? De rechtbank komt wel tot een bewezenverklaring van de primair, impliciet subsidiair ten laste gelegde poging tot doodslag. Daartoe is redengevend dat de handelwijze van de verdachte, namelijk het (meermalen) drukken van een kussen op het gezicht van een hoogbejaarde vrouw, naar algemene ervaringsregels de aanmerkelijke kans met zich brengt dat de aangeefster als gevolg daarvan zou komen te overlijden. De verdachte moet zich van die kans dan ook bewust zijn geweest en heeft die kans willens en wetens aanvaard. De rechtbank acht dan ook opzet in voorwaardelijke zin bewezen. Partiële vrijspraak vasthouden puntig voorwerp Uit de bewijsmiddelen valt naar het oordeel van de rechtbank niet af te leiden dat de verdachte een puntig voorwerp heeft vastgehouden terwijl hij de aangeefster smoorde met het kussen. Bij de aangeefster zijn weliswaar verwondingen aan haar gezicht en hand geconstateerd, maar bij gebreke aan nadere bewijsmiddelen omtrent het ontstaan van deze verwondingen, kan niet worden uitgesloten dat deze verwondingen op andere wijze zijn veroorzaakt. 3.5 De bewezenverklaring De rechtbank verklaart bewezen dat: hij op 03 december 2016 te Delft ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet, terwijl zij in bed lag, meermalen een kussen in het gezicht heeft geduwd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad. 4De strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. 5De strafbaarheid van de verdachte De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten. 6De strafoplegging 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat aan de verdachte een gevangenisstraf van 30 maanden wordt opgelegd met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met oplegging van de bijzondere voorwaarden van – kort gezegd – reclasseringstoezicht, een meldplicht, een locatieverbod en een contactverbod met het slachtoffer. 6.2 Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft subsidiair bepleit de gevorderde gevangenisstraf flink in duur te matigen gelet op de strafmaat gehanteerd in soortgelijke zaken. 6.3 Het oordeel van de rechtbank Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging doodslag door de aangeefster een kussen op het hoofd te drukken. Het gaat hier om een zeer ernstig feit. De aangeefster, een broze dame van destijds zesentachtig jaar, werd in haar woning tijdens haar slaap overvallen door de verdachte die haar, om onduidelijk gebleven redenen, probeerde van het leven te beroven. Zij heeft moeten vechten voor haar leven en is, nadat de verdachte de woning verliet, in verwarde toestand naar de tuin gelopen alwaar zij door een gealarmeerde buurvrouw in haar nachtkleding werd aangetroffen. De aangeefster was bebloed, had verwondingen aan haar hand en gezicht en had striemen in haar nek. Deze ervaring is zeer ingrijpend en beangstigend geweest en de verdachte heeft hiermee een grove inbreuk op de persoonlijke integriteit van de aangeefster gemaakt. Blijkens de ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring is zij door het voorval zeer angstig geworden. Ook in haar woning heeft zij last van angstgevoelens, terwijl dat de plek is waar zij zich juist veilig zou moeten kunnen voelen. Dat de verdachte geen enkel inzicht heeft gegeven in het motief voor zijn handelen is voor de aangeefster tevens moeilijk te aanvaarden. Uit het Uittreksel Justitiële Documentatie van 12 januari 2017 blijkt dat de verdachte niet eerder wegens een geweldsdelict veroordeeld is. De rechtbank heeft verder kennisgenomen van het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland van 29 juni
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.